BENNO BARNARD - MIJN GEDICHTENSCHRIFT 1: HETTINGA, AUDEN, GOLL


Onderstaande notities bij door hemzelf vertaalde gedichten van respectievelijk Tsjêbbe Hettinga, W,H. Auden en Yvan Goll, vormen de opmaat van het 'Gedichtenschrift' dat Benno Barnard met enige regelmaat op Het Moment zal bijhouden.
__________________________

De krûk


Hy dronk, wylst syn eagen de strakblauwe eagen fan
De fiskersfrou yn it swart troffen en betizen, by
De boarne, yn it soel middeisskaad fan ferlegen
Seders, rook fan fisk en hars, sicht oer see en sloepen, leech.
Stil stie sy, wylst har fersonken eagen syn drinken
Seagen yn ‘e nacht fan smoarde lûden, leafdes toarst en
De goederjouske krûk op har no skrokken skouder,
Neist in ezel, blau en stil; troch it blank ear fan har earm
De see, om har heupen de branning, tusken beiden,
Ferstomme troch it stoarmjen fan in eagenblik stilte:

Sy hienen dronken, en sjoen hoe’t de fiskers yn har
Lytse sloepen stadich lytser waarden, de fan ûnthjit
Drippende netten fan ‘e stjerren strakker, foller,
Twa heale moannen de griene haven yn dreauwen, mei
It sâlt fan ‘e see fyn yn ‘e wyn oer it brutsen
Iis yn ‘e glêzen op in terras mei swarte slangen,
Wite amers; en it paad nei har hutte (néi har
Heuvel-op, de gloppen troch, fanwegen fiskersmessen)
Hie se utlein, fielend dat er komme soe, en hy
Wie har heuvel beklommen, hie him lave oan har krûk.

Tsjêbbe Hettinga
Uit: Fan oer see en fierder / Platina de zee

De kruik


Hij dronk, terwijl zijn ogen de strakblauwe ogen
Van de vissersvrouw in het zwart troffen en verwarden,
Bij de bron, in de zoele schaduw van verlegen
Ceders, geur van vis en hars, zicht op zee en sloepen, leeg.
Stil stond zij, terwijl haar verzonken ogen zijn dronk
Zagen in de nacht van stille kreten, liefdes dorst en
De zo gulle kruik op haar nu geschrokken schouder,
Naast een ezel, blauw en stil; door het oorwit van haar arm
De zee, om haar heupen de branding, tussen beiden,
Verstomd door de stormvlagen van een ogenblik stilte:

Zij hadden gedronken, gezien hoe de vissers in
Hun kleine sloepen kleiner werden, de van belofte
Druipende netten van de sterren strakker, voller,
En twee halve manen dreven de groene haven in,
Terwijl de wind het zout over het gebroken ijs
Strooide in glazen op een terras met zwarte slangen,
Witte emmers; en het paadje naar haar hut (nà haar
Heuvelop, de stegen door, vanwege vissersmessen)
Legde zij uit, voelend dat hij komen zou, en hij
Had haar heuvel beklommen, had zich gelaafd aan haar kruik.

Vertaling Tsjêbbe Hettinga en B.B.


Hoewel het Fries niet over een leger en een marine beschikt, is het toch geen dialect. Deze volwaardige taal heeft een literaire traditie van zevenhonderd jaar, een woordenboek en een academie.
In september 2000 zat ik de hierboven genoemde bundel samen met de dichter bij mij thuis te vertalen. Ik noteerde toen in mijn dagboek het volgende:
‘Een grote aanwezigheid, deze blinde boerenzoon. Een lange, pezige man, met een alpinopet en een rosse druipsnor als attributen, die iets onwrikbaars heeft, alsof het zijn heimelijke ambitie is uiteindelijk een dolmen te worden. Product van een oeroude cultuur, die een continuüm moet hebben gevormd vanaf de middeleeuwen tot de jaren zestig, maar nu grotendeels verdwenen is, weggemechaniseerd, verhollandst, onteigend. Die beschaving resoneert nog wel in zijn taal, in de kleilagen ervan om zo te zeggen. Dat maakt zijn gedichten op een of andere manier traag en lichtvoetig tegelijk, log als trekpaarden en gewichtloos als kieviten.’
Inmiddels is hij dood – ik gedenk hem hier met weemoed, een glimlach en een borrel.
Op het punt van de versstructuur was Tsjêbbe Hettinga zo anaal-retentief als Freud niet had durven dromen. ‘De kruik’ bijvoorbeeld telt alternerend 13 en 14 lettergrepen; andere gedichten hebben weer andere schema’s – en wee mijn gebeente als ik ergens probeerde te smokkelen. Dichten is een ongevaarlijke vorm van godsdienstwaanzin, de dwangneurose tikt in alle rituelen, en instinctief weten de meeste kunstenaars dat totale vrijheid slecht voor ze is. Maar in vergelijking met Tsjêbbe ben ik op het normale af.
Waarschijnlijk was hij des te neurotischer omdat hij blind was en alles uit zijn hoofd voordroeg. Dat laatste deed hij met een eigenaardige voorzangersgalm, die hij weliswaar zelf had uitgevonden, maar die een antiek en zelfs prehistorisch substraat had. Hij klonk of hij tegen de sterren kermde, de goden wilde vermurwen; alles geheel in heidense trant. Orfische verklaringen van de aarde!
Die aarde zelf was zijn onderwerp, het boerenbedrijf, de paarden van zijn vader, en altijd de zee, de mythische zee. Het maakte een moderne oude Keltische bard van hem. Een Griekse rapsode. Homerus de Jongere. Het effect was onweerstaanbaar. Toen ik in 1993 voor het eerst naar hem luisterde – dat was op de Buchmesse in Frankfurt – hoorde ik de oude wereld als in een kinkhoorn. Geen wonder dat hij zich tot de kusten van Griekenland voelde aangetrokken: de hierboven genoemde bundel speelt volledig in dat decor.
Zijn voordrachtkunst had elders in Nederland bij fijngevoelige zielen een vaag heimwee gewekt en hem een zekere dubbelzinnige populariteit bezorgd: deze dichter was archaïsch, deze dichter zong, deze dichter vertolkte wat we zelf kwijt waren, en sinds zijn dood helemaal kwijt zijn. Dit was nog een echte dichter.
Ons grootste vertaalprobleem was dat de epische gezangen van Tsjêbbe in het gelatiniseerde, verfranste, verengelste Nederlands soms onbedoeld ironisch klinken. Provinciale ernst is ons vreemd geworden (ook dit klinkt ironisch). Vooroorlogse  Nederlandstalige poëzie lijkt uit een tijdperk te stammen dat ik in een andere context de pre-ironie heb genoemd. In de ons omringende talen is het niet anders. Die voor een boerengedicht of vissersgedicht dodelijke ironie is de reden waarom een Ier als Seamus Heaney – die uitstekend Gaelic kent – in het Engels zoveel mogelijk woorden met een Saksische etymologie gebruikt: aldus krijgen zijn oorspronkelijk Engelse gedichten iets van vertalingen, wat ongewilde ironie neutraliseert.
Nog een aantekening uit mijn dagboek:
‘Tsjêbbe heeft me een paar jaar geleden naar Greonterp gedirigeerd, omdat ik het huis van Gerard Kornelis van het Reve weleens wilde zien. Dat de markies hier aan de drank was, mag geen verbazing wekken. Onderweg beschreef Tsjêbbe die angstaanjagende vlakte, en de boomgroepen, boerderijen en kerktorens die erop waren neergezet. Een blind global positioning system voor de provincie Friesland.’


Brussels in Winter


Wandering through cold streets tangled like old string,
Coming on fountains rigid in the frost,
Its formula escapes you; it has lost
The certainty that constitutes a thing.

Only the old, the hungry and the humbled
Keep at this temperature a sense of place,
And in their misery are all assembled;
The winter holds them like an Opera-House.

Ridges of rich apartments loom to-night
Where isolated windows glow like farms,
A phrase goes packed with meaning like a van,

A look contains the history of man,
And fifty francs will earn a stranger right
To take the shuddering city in his arms.

W.H. Auden
Uit: Collected Poems, Edited by Edward Mendelson (Vintage Books, 1991)


Winter in Brussel


Je dwaalt door de als touw verwarde stad,
Botst op fonteinen die star zijn bevroren,
En haar formule ontglipt je; verloren
Is de vanzelfsprekendheid die ze bezat.

Alleen wie oud zijn, hongerig, vernederd
Kennen ver onder nul nog steeds hun plaats,
En zijn in hun ellende hier vergaderd;
De winter bergt ze als een opera.

Dure flats verrijzen in de schemering,
Elk raam een hoeve om je te verwarmen;
Een zin vol als een wagen komt voorbij,

De geschiedenis werpt een blik opzij,
En voor vijftig frank neemt een vreemdeling
De huiverende hoofdstad in zijn armen.

Vertaling B.B.

Onze cartesiaanse objectivering van de werkelijkheid zegt niets over haar betekenis.
De Antwerpse professor die erin slaagde het gevoel van ‘uittreding’ kunstmatig bij een patiënt op te wekken door een bepaald deel van de hersenen te stimuleren

RUTH MARTEN - KLEIN PORTFOLIO

© Ruth Marten, New York

TOPIARY MANOR
Ink on found print, 2009
6 1/2" x 4"


SIDE-SADDLE
Digital print (edition of 5)
after an altered 18th-century
copper engraving.
41" x 45"
2009


CANAPÉS
Digital print (edition of 5)
after an altered 18th-century
copper engraving.
45" x 36"
2007


HIRSUTE
Digital print (edition of 5)
after an altered 18th-century
copper engraving.
45" x 36"
2009


THE HERRING
Ink on found print, 2007
4 3/4" x 6 7/16"


PROPRIETY
Digital print (edition of 5)
after an altered 18th-century
copper engraving.
45" x 36"
2009

FLYING BIRDS
Ink on paper, 2011
16 3/4" x 8"


MUSTELA CANADIENSIS
Watercolor on 18th cent. print, 2011
9 1/2" x 7 1/2"



THE NATURAL ORDER
Ink on antique print,
2013 43,2 x 35,5 cm



TRESS
Ink on found print, 2011
11" x 8 1/4"



BOOKCOVER
2011


______________________________
Ruth Marten (1949) woont en werkt in New York. Opleiding: Graduate of the School of the Museum of Fine Arts, Boston, 1971 & The School of Art and Design, New York, 1967.
         Website: http://www.ruthmarten.com/
Recente solotentoonstellingen: 2012 Hosfelt Gallery, NYC, ‘Strange Bedfellows’, 2009 Hosfelt Gallery, San Francisco, ‘Side Saddle’, 2008 Isis Gallery, London ‘Histoire Un-Naturelle’.
         Recente groepstentoonstellingen: 2010-2011 Kohler Arts Center, ‘Animal Instinct: Allegory, Allusion and Anthropomorphism’, 2010 Palo Alto Art Center, ‘Surreal Reinventions’, 2009-2010 Arin Contemporary, Laguna Beach, Ca. ‘New Drawings’, 2009 789 Gallery Beijing, ‘Comme des Garçons -graphics installation’.
         Recente boekuitgave: Ruth Marten, Histoire Un-Naturelle (met essays van Dominque Nahas & Roger P. Thomas), Isis Editions, London 2008.

TOM VAN DE VOORDE - VIJF NIEUWE GEDICHTEN


Hun knuppelende soortgenoten


Iets als Zwitserland of Mercedes aanvinken
en op de hoogte blijven van wat ons bezielt

of een postkaart versturen om je geheugen te trainen
op kleuren, veelal in de wind geslagen.

We drinken uit kruiken en kijken naar huizen
in speelgoedperspectief. Een vermoeid palmblad

schemert op kalk, vecht tegen geliefden
en de logica van schelpenbanken.




Communist en socialist


Als helden dezelfde voorkeur hebben, cirkelen hun schoenen als palmen rond modder. Ze bewonderen de waarheid van honger en oerkracht en laten architecten de armen kruisen. ‘Niet langer dan nodig,’ merkt de oudste op. Zijdelings, fluistert de mooiste, iets wat ik begrijp als ‘Zoek en vergeef ons de hang naar achterstallig geluk.’ Neemt in dank aan wat hem wordt voorgezet. Zodra iets voorbijwalst waarvan hij de klank en status wil nabootsen, herinnert hij zijn oude vriend aan de maatsoort. ’Ja jij, die hmmpf zegt, pfioew roept’. Een gebrek aan iets kleins, iets ondergeschikts, als een onhandig boek, bewaard om tijdens een zeldzame wandeling te lispelen, over toegeeflijke bloemen te sprenkelen.




Onnatuurlijke vijanden


Diep in de woestijn
een dierenmasker opzetten

en denken aan graandorsers,
van voor de industriële revolutie

*
We dragen geen helm,
geen blik zonder oog
op gastenkamers

*
Wat een mooi zicht
een tapijt voor ons uitgerold,
flitsend, onstuimig, fris

*
We omhelzen elkaars vrouwen
geven de voorkeur aan licht




Een oud gebruik
van omhelzen ontdekken

bij het optakelen
van een ladder

getuigen van
water en fysica

naar huis sturen
en datzelfde gebaar

blijven herhalen
tot een vader of zoon

je ontmoet
tijdens de voorzang

van alles
wat je al wist.




Cosmetica


Toen ik je hals wou versieren, bleek
er een gans aan te hangen. Overkop.

Haar lange nek gehaakt aan de jouwe,
je borstkast een waaier van veren.

Waar bleef de zwaartekracht van dit
alles, dacht ik nog, niet

wetende dat je eigenlijk aan de grond stond
genageld, noch mijn gedachte omarmde

dat vliegkunst een ogenblik is
dat zijdelings wordt aangeleerd.


______________________________
Tom Van de Voorde (1974) publiceerde in 2008 de dichtbundel Vliesgevels filter, waarvoor hij werd genomineerd voor de C.Buddingh'-prijs. Hij vertaalde werk van de Amerikaanse dichters Wallace Stevens en Michael Palmer, en werkt als programmamaker literatuur bij Bozar in Brussel. Half mei verschijnt bij Poëziecentrum, Gent, zijn tweede bundel, Liefde en aarde, waarvan bovenstaande gedichten deel uitmaken.

RAINER MARIA RILKE - LES ROSES / DE ROZEN - MARIA DE GROOT

De Rozen, van Maria de Groot verscheen oorspronkelijk, zonder de Franse gedichten van Rilke, in haar bundel De Rozen, Baarn 1991. De Rilkegedichten worden hier gepresenteerd op basis van de uitgave Rainer Maria Rilke, Werke in sechs Bänden, Insel Verlag, Frankfurt a.M. 1980. - HB
 __________________________
De Rozen is een weergave van de bundel Franse gedichten Les Roses (1927), geschreven door Rilke en na zijn dood uitgegeven volgens zijn wens. J.R. von Salis schrijft in zijn boek Rilkes Schweizer Jahre (‘Rilke in Zwitserland’, z.j.): ‘Rilke had nog zelf het manuscript van zijn 24 rozengedichten aan de Nederlandse uitgever A.A.M. Stols gestuurd, die ze kort na de dood van de dichter in een uitgave voor bibliophielen gepubliceerd heeft. Een woord-vooraf van Paul Valéry – in de vorm van een imaginaire brief aan de dode Rilke – zegt nog eens in kostbaar proza, wat de ontmoeting der beide dichters in Muzot betekend heeft.’
Aan mijn weergave van Les Roses ligt een uitgave van Gallimard (1978) ten grondslag: Rainer Maria Rilke, Vergers, suivi d’autres poèmes français, waarin de editie van Les Roses gebaseerd is op de uitgaven verzorgd door Insel Verlag (1929) en Editions du Seuil (1972).
Ik noem mijn publicatie van De Rozen een weergave, en geen vertaling of bewerking. Voor een bewerking heb ik de vrijmoedigheid niet. Voor een vertaling ontbreekt mij het geloof dat men deze Franse verzen van Rilke met een getrouwe vertaling recht zou kunnen doen. Het eindrijm zou alleen op een zo kunstmatige wijze in de vertaling afgedwongen kunnen worden, dat de subtiele inhoud van de verzen verloren zou gaan.
Ik heb getracht een weergave van Les Roses in het Nederlands te bereiken door de Franse verzen in het Nederlands te laten spiegelen, waarbij nu eens een fijne wending van de inhoud, dan weer een ritmische vorm of een klankkleur van het gedicht de doorslag gaf.

- Maria de Groot
__________________________

I

Si ta fraicheur parfois nous étonne tant,
heureuse rose,
c’est qu’en toi-même, en dedans,
pétale contre pétale, tu te reposes.

Ensemble tout éveillé, dont le milieu
dort, pendant qu’innombrables, se touchent
les tendresses de ce coeur silencieux
qui aboutissent à l’extrême bouche.

I

Hoe komen wij zo verwonderd
over je frisheid, roos van geluk?
Omdat je bloembladsgewijze
in jezelf rust.

Wakker sta je maar in je midden,
slaap je. De talloze tederheden
van je roerloze hart
vloeien je naar de lippen.


II

Je te vois, rose, livre entrebâillé,
qui contient tant de pages
de bonheur détaillé
qu’on ne lira jamais. Livre-mage,

qui s’ouvre au vent et qui peut être lu
les yeux fermés... ,
dont les papillons sortent confus
d’avoir eu les mêmes idées.

II

Ik zie je openkieren, roos,
boek zo vol bladen
verfijnd geluk,
dat niemand het ooit lezen zal. Toverboek,

dat zich opent op de wind om te worden gelezen
met gesloten ogen...,
waar vlinders van opfladderen, verward
dezelfde ideeën te hebben gehad.


III

Rose, toi, ô chose par excellence complète
qui se contient infiniment
et qui infiniment se répand, ô tête
d’un corps par trop de douceur absent,

rien ne te vaut, ô toi, suprême essence
de ce flottant séjour;
de cet espace d’amour ou à peine l’on avance
ton parfum fait le tour.

III

Roos, jij, o allermeest volledige
die zich eindeloos inhoudt
en openvouwt eindeloos, o hoofdje
van een lichaam dat in zoetheid vervliegt,

niets is je waardig, jij verheven levensadem
van dit verwijlende;
dit liefdedomein, het wordt nauwelijks betreden
of je geur is alom.


IV

C’est pourtant nous qui t’avons proposé
de remplir ton calice.
Enchantée de cet artifice,
ton abondance l’avait osé.

Tu étais assez riche, pour devenir cent fois toi-mêrne
en une seule fleur;
c’est l’état de celui qui aime...
Mais tu n’as pas pensé ailleurs.

IV

Toch zijn wij het die je hebben aangezegd
je kelk te vullen.
Betoverd door dit vermogen
greep je in weelde boven je uit.

Je was rijk genoeg om honderd maal jezelf te worden
in een enkele bloem;
zo kan het wie liefheeft gaan...
Maar het is voor jou vanzelfsprekend.

PETER BUWALDA - EEN OMLEIDING WEGENS KUILEN

Dit essay werd voor het eerst gepubliceerd in De Gids, jrg. 150, nr. 6, juni 1996, en is niet toegankelijk op de site van DNBL. © Peter Buwalda


Bruno Schulz, Franz Kafka, en Leopold von Sacher-Masoch

R: Had you known Schulz’ name before?
S: No, I didn’t even know Schulz’s name. I left Poland in 1935. Schulz was not realy known then – and if he was known, I didn’t know about him. I never heard of him. My first impression was that this man writes like Kafka.
Isaac Bashevis Singer tegen Philip Roth, New York Times Book Review, 1977


Beroemde schrijvers krijgen na hun dood vaak een eigen kring of genootschap. Een geleerde kennis van mij werd een keer te gast gevraagd op een bijeenkomst van zo’n letterkundige club. Men had hem verzocht te participeren in een forumdiscussie over de grote invloed die de filosoof Nietzsche had gehad op het werk van de Nederlandse schrijver die dit genootschap bewondert. Nu steekt mijn kennis zijn mening niet graag onder stoelen of banken. Hij deelde daarom ten overstaan van het zaaltje met bewonderaars mee, dat hij met de beste wil van de wereld nergens in het oeuvre van hun schrijver ook maar het geringste spoor van Nietzsches gedachtengoed had kunnen traceren. Deze bekentenis kwam de stemming allerminst ten goede. Terstond werd de weduwe van de schrijver en erelid van de kring het podium opgetakeld – mijn kennis is een beeldend verteller – waar zij met opgeheven vinger verkondigde dat haar man zaliger wel degelijk de Gesammelte Werke van de Duitse filosoof in zijn bibliotheek had staan, en dat mijn kennis voortaan goed zou moeten nadenken voordat hij wat zou gaan zeggen.
Met deze anekdote leidde mijn kennis destijds zijn betoog in over het gladde ijs van de vermeende literaire invloed. Zijn inleidende woorden spelen al een poosje door mijn hoofd, omdat ik me de afgelopen tijd heb verbaasd over een sterk staaltje op dit gebied. Het gaat om de ‘eerste indruk’ waar Isaac Bashevis Singer gewag van maakt in het bovenstaand stukje dialoog. Het staat er ondubbelzinnig: de eerste keer dat Singer het werk van zijn landgenoot Bruno Schulz (1892-1942) las, moest hij onmiddellijk aan Franz Kafka denken. Dit gebeurde in Amerika in 1963, en Singer was niet de eerste die dit overkwam. Witold Gombrowicz trok voor de oorlog in Polen met Schulz op, las zijn werk als een van de eersten, en moet Singer voorgegaan zijn. Pas in 1961, bij het verschijnen van de Franse vertaling van Schulz’ werk, omschreef hij in zijn dagboek zijn schok der herkenning. Deze dagboekpassage is een van die fragmenten die een eigen leven zijn gaan leiden. In elk stuk dat aan Schulz gewijd wordt, duikt het op; de passage is zelfs afgedrukt op de omslag van zijn Verzameld werk, de in een imposante vertaling van Gerard Rasch verschenen luxe-editie van Schulz’ literaire oeuvre. Ik haal Gombrowicz’ woorden nog eens aan, niet zozeer om hun sierlijkheid of omdat ik ze niet kan weerstaan, maar omdat er het een en ander in besloten ligt. Gombrowicz: ‘Zijn verwantschap met Kafka kan hem evengoed helpen als in de weg staan. Als men zal zeggen dat hij diens zoveelste neef is, is hij verloren. Als men echter de specifieke schittering zal opmerken, het licht dat hij uitstraalt als een fosforescerend insect, dan is hij in staat om als gesmeerd de verbeeldingswereld binnen te glijden die al door Kafka en de zijnen is opgericht... dan zal hij door de extase van de fijnproevers omhoog worden gestuwd.’
Toen, in 1961, waarschuwde Gombrowicz ervoor dat het lezen van Bruno Schulz twee emoties zal opwekken, die elkaar eigenlijk niet dulden: een (aangename) bevreemding enerzijds, een herkenning anderzijds. Ik telde niet voor twee toen ik aan het Verzameld werk begon, omdat ik nog vrijwel niets over Schulz wist, nog nooit iets van of over hem gelezen had – zelfs de flaptekst van mijn Verzameld werk niet. Mijn persoonlijke receptie voltrok zich dus zonder dat ik de connectie Kafka-Schulz op voorhand kende, en functioneerde daarom achteraf bezien als een goed geconditioneerd experiment. Naast de vereiste onbekendheid met Schulz voldeed ik aan een tweede voorwaarde, namelijk het bezit van een behoorlijke kennis van Kafka’s werk. En inderdaad, wat Gombrowicz signaleerde en velen na hem beaamden, moest ook ik met verbazing onderkennen: in Schulz’ verhalen ballen oorspronkelijkheid en herkenning zich samen tot een zuivere paradox. Dit oeuvre, zo besloot ik, is net zo eigenwettig als verwant met dat van Franz Kafka.
Ik prefereer de sensatie van oorspronkelijkheid. Eigenlijk zeg ik het verkeerd: de herinnering aan Kafka zelf was niet onaangenaam, maar dat Schulz in de kritiek maar zelden loskomt van de Pragenaar, dat ergert me enigszins. Het nadeel van een vergelijking met Kafka is namelijk de lange donkere slagschaduw waarin de vergelekene komt te staan. Kafka, misschien wel de meest soevereine, canonieke schrijver van deze eeuw, heeft niks of niemand nodig om geclassificeerd te worden, en lijkt boven alle stromingen, voorgangers en navolgers verheven te zijn. En voor je het weet brengt hij zelfs de eigenheid van Schulz in het geding – en dat komt mij als bijzonder onwenselijk voor.
Ergernis is misschien een valse raadgever, toch daagt juist dit sentiment mij uit te achterhalen waarom het dan zo is dat De kaneelwinkels (1933) en Sanatorium Clepsydra (1937) kafkaësk aandoen. Daarbij komt dat de twee polen van de paradox, oorspronkelijkheid en herkenning, gebaseerd lijken op respectievelijk gezond verstand en intuïtie, twee instrumenten die elkaar idealiter bevestigen in hun bevindingen.
Isaac Bashevis Singer liet zich tijdens zijn gesprek met Philip Roth door zijn intuïtie leiden. Hij koos woorden die alleen een dichter kan gebruiken: If God could create one Kafka, He could have created three Kafkas, if He was in the mood to do so (...) I would say that between Schulz and Kafka there is something that Goethe calls Wahlverwandtschaft, an affinity of souls which you have chosen for your self.
In de snijzalen van de literatuurwetenschap is daarentegen geen ruimte voor intuïtie; met ontleedmes en microscoop worden de teksten van de Pool en de Tsjech geanalyseerd en vergeleken, en gezond verstand wijst uit dat Schulz en Kafka in vrijwel niets op elkaar lijken. En men zal het met me eens zijn, dat het proza van een wetenschapper, in dit geval Schulz’ Duitse bezorger en vertaler Mikolaj Dutsch, een tikkeltje anders klinkt: Man hat Schulz oft und gern mit Franz Kafka verglichen. Das mag vor allem in der bei beiden auftretenden ontologischen Metamorphose liegen, auch an der Tatsache, daβ Schulz Kafkas 'Prozeβ' mit ins Polnisch übersetzt hat. Doch damit sind die Ähnlichkeiten erschöpft.
Omdat ik hecht aan gezond verstand, maar het bezwaarlijk vind mijn intuïtie te verloochenen, onderschrijf ik zowel het standpunt van de dichter als dat van de wetenschapper. Daarom heb ik besloten ze eens hard op elkaar te laten botsen; het aardige is dat deze confrontatie uiteindelijk naar het werk van Leopold von Sacher-Masoch zal leiden, een onopgemerkte maar minder betwistbare bron van Schulz’ schrijven.