MARIA DO ROSÁRIO PEDREIRA - GEDICHTEN



Uit de bundel A Casa e o Cheiro dos Livros (‘Het huis en de geur van de boeken’)


Ze gingen in het zand zitten en deden hun schoenen uit.
Daarna telden ze op hun vingers de boten
die ontbraken tot de zomer begon.

Geen van beiden zei iets. Ze hadden samen een paar nachten
doorgebracht in een kamer zonder uitzicht. En ook al
dachten ze het tegendeel, ze wisten niet veel meer
van elkaar dan dat.

Ze zaten daar om te zien of er iets gebeurde.

In de zomer,
dat wisten ze, zou iemand hen komen halen.

         ***


Niets tussen ons kun je haast noemen.
Op die manier kennen we elkaar, trage aandacht
heeft zijn eigen doolhoven ontworpen. Het aanraken
van de huid gebeurt altijd voor de eerste keer. Maar

als de deur naar de zomer opengaat zien we dezelfde dingen –
wat achter de vlakte en de rotsen ligt; het eiland,
een schaapskudde, een boot die wacht op uitvaren, een woord
dat we nooit zullen schrijven. Tussen ons

tekent de tijd zich op die manier, traag.
De kleinste afwijking zouden we altijd merken.

         ***


Zeven jaren van onzekerheid wachten mij. De dikke kat
buiten op de muur zit daar slechts tijdelijk. Jij echter
blijft nog, een boek dat werd weggelegd op het hoogtepunt
van de plot, voorgoed opengeslagen op het bed. Ik

ga bij het raam zitten waar ooit een vijgenboom stond.
En daar blijf ik. Waarschijnlijk wacht ik op jouw stem in de lange
stilte in de slaapkamers ’s avonds. En ook ik val in slaap,
als er niet de herinnering aan het oorverdovende lawaai
van de spiegels was, die door het huis uiteenspatten in duizend
onzekere scherven. Zeven jaren

om een verhaal te herlezen dat je door en door kent, of
een blanco boek tot het einde door te bladeren. De kat
is al weg. Ik zeg dat hij net als jij een ander bed
kiest om de maan te tarten. Ik niet, ik     ik blijf.

         ***



Uit de bundel O Canto do Vento nos Ciprestes (‘Het lied van de wind in de cipressen)


Die zomer verwaaide de wind de velden en de boten
voeren rumoerig over de golven. De mateloze schoonheid
van de kinderen versplinterde de spiegels; en de meisjes
die hun ouders betrapten werden wild
in de gangen en liepen evenzeer verloren
in de wellust van de dagen. In de eeuwenoude bomen

barstte fruit open dat de geschulpte handen rood kleurde
en naar de mond gleed met de haast van de verboden
namen. De zon schroeide de bladzijden uit het boek
dat stilviel door het geweld van een gedicht en draaide
de hoeken om van het enige portret dat de lijst van de tijd
had weerstaan. ‘s Nachts doken de jongens in de baai

achter de sterren aan; en de minnaars ontvluchtten
hun benauwde kamers, bedreven de liefde
in de koele duinen en ontwaakten op elkaars
stemmen. Ik weet niet meer wat ik en wat jij zei:

de zomer verwart de gevoelens.

         ***


Uit de bundel Nenhum Nome Depois (‘Geen naam meer’)


Ik ken de aswolk die de oceaan
vertroebelt, de schaduw die mijn
lege hand vervormt. De landschappen
die zich ooit tussen ons in hebben
geschoven, voorgoed in slaap. Ik voel

de pijn op de herinnering liggen
aan jouw lichaam in het bed dat
open is gebleven als een wond. En
zonder reden herhaal ik voortdurend
met mijn vermoeide lippen die naam
die ik nog altijd bij haast alles mis.

         ***


Vogels die trekken in hun herinnering aan
de wind zijn triest, en triest zijn hun ogen die
blijven steken in de smalle opening van een
put. En ik ben triest omdat ik niet weet

welke naam de dood je gaf toen hij
je gisteren in zijn bed legde en zijn
ijzig koude adem in je haren blies,

en je in het donker wiegde met een
glazen lied waarin vogels verliefd
werden op hun eigen schaduw

en, tevergeefs zichzelf zoekend in het
troebele water van een put, niet wisten
dat ze slechts langzaam, heel langzaam
wegzakten in hun herinnering aan de wind.


vertaling © Harrie Lemmens
______________________________
© Maria do Rosário Pedreira (Lissabon 1959) is vooral bekend als grande dame van de Portugese uitgeverswereld, waar ze sinds 1987 diverse functies heeft bekleed. Momenteel geeft ze mede leiding aan het grootste Portugese boekenconcern Leya. Ooit studeerde ze Engels en Frans en gaf ze les op een middelbare school, en ze begon ook al vroeg kinder- en jeugdboeken, gedichten en romans te schrijven. En liedteksten, onder andere voor de fadozangeres Ana Moura.

Illustratie: Henrique Pousão, ‘Blinden’ (1883).

ANDREA FRECKMANN - KLEIN PORTFOLIO

Lotte und die Nachtfalter, 2013, 160 x 180 cm, olieverf op linnen

Andrea Freckmann (Dortmund 1970) woont en werkt in Den Haag. Ze studeerde van 2005 tot 2010 aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Ze nam deel aan diverse groepsexposities en exposeerde solo in onder meer Amsterdam (2011), De Haag (Galerie Maurits van de Laar 2018) en Rotterdam (idem 2019). Website: https://www.andreafreckmann.com/work.html



Lirum, Larum, Löffelstiel, 2015, 160 x 180 cm, olieverf op linnen



Mesdames Moustache, 2018, 160 x 180 cm, olieverf op linnen



Esther und Charlotte, 2011, 160 x 180 cm



Der König ist tot. Lang lebe der König, 2010, 160 x 180 cm, olieverf op katoen



Bei drei auf den Baum, 2015, 160 x 180 cm, olieverf op linnen



Mrs. Dalloway macht einen Ausflug, 2014, 160 x 180 cm, olieverf op linnen



Im richtigen Moment, 2016, 160 x 180 cm, olieverf op linnen


® Andrea Freckmann

HOMERO ARIDJIS - TWEE NIEUWE GEDICHTEN



VERTICALE LABYRINTEN

De steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is de hoeksteen geworden.
Psalm 118

Torens, oprijzende ruïnes, omhoog stekend tegen de horizon.
Vogelkooien voorbij de houdbaarheid.
            Bouwsels bekroond met airconditioning
en zure regen.
            Trappen die omhoog gaan
en afdalen langs lege binnenruimten.
            Grenzen die de buitenkanten scheiden
van de tussenwereld en het labyrint daarbinnen.
            Liften die met hun vrachten bewegen
naar de steilten van omlaag en morgen toe.
            Camera's, ingekapselde stilten,
ruiten die de blik weerspiegelen.
            Kamers bovenop kamers, kantoren boven binnenkloven
waaruit het heden als gejammer wegsijpelt.
            Slaven vastgeklonken aan hun bureaus en aan hun loden dienstrooster;
dossiers in de hand, stappend over het tapijt van vergetelheid,
            op de drempel van het achterhaalde en het verlorene,
de formaliteiten hebben dus gewonnen.
            Griffies die verlangen naar de zondag, dromend
                        op hun zitvlak
tussen trillende apparaten en afgekloven pennen.
            Hokjes met een laag plafond, vinylvloeren
en elektrische kabels als slangen.
            Gangen die leiden naar de nachteloze stad,
naar crematoria, naar eenzame spinnen, naar de afgrond van zichzelf.
            Deuren die toegang geven tot deuren die op slot zijn
boven  souterrains van beton en meters die de schaduwen meten,
            boven draaideuren voor naar binnen en naar buiten
en boven mensen die zijn opgesloten in hun ongepaste niets.
            Oprijzende ruïnes, inpandige afgronden, sportlokalen
en zalen met schaakborden in eeuwige eenzaamheid.
            Vensters, honderden vensters die uitzicht bieden op verminkte heuvels,
op landschappen en vrachtwagens beladen met puin,
            een weg naar illegale graven waar de muggen nestelen
en het ik wegrot tussen spiegels die zichzelf bekijken.
            Zwarte putten die leegte verbergen en iedere lust opslokken.
Wanneer ze vervallen en de tijd ze laat instorten zoals met machteloze
            goden gebeurt, laten hun aanbidders ze over aan hun lot.
En dan, alleen dan, zal de gevangene
van de verticale labyrinten de deur kunnen opendoen
            waar geen deur is naar het oneindige.


TERUG NAAR BYZANTIUM

That is no country for old men.
W.B. YEATS

Dit is geen land voor jeugd, bejaarden
in betonnen vogelkooien van de welzijnsdienst
verkondigen de eeuwig durende winter
en de onsterfelijkheid van de dood.
Er is geen beeldschone zeemeermin die de President
van de Piramide van Corruptie niet aanbidt,
en geen broodmagere tiener in de gewelddadige wijken
die geen eerbied heeft voor het Varken van de Rijkdom.
De reputatie van de meeste mensen lees je af
aan hun toiletpapier, voor elke sukkel is er wel een scepter.
De mooie toekomst die de dictator van de Eerste Wereld belooft
is driedimensionaal bedrog dat de huiskamer wordt ingekletst.
Het narrenschip dat onze planeet is
zet koers naar Byzantium, met mutanten
maniakken en imbecielen aan boord, over het schepen-
brekende water van de zee, op zoek naar de de Eeuwige Jeugd.
Op dit schip van aanbidders van het Gouden Kalf
en seniele coïtus is de onschuld een handhaver van orde,
verkracht door bemanning en sociale media.
Terwijl wij in deze tijd van waanzin samen
met miljoenen plunderaars van het Aardse Paradijs
op de Zwarte Put afstevenen, is de Capo van het Zuiden
Minister van Volksheil in het Noorden, en heerst de Mondiale Tiran
 over wat was, wat is en wat zijn zal. Morgen is alles vergeten.


© 2018, Homero Aridjis
Vertaald uit het Spaans (Mexico) door Laurens Vancrevel
Over Homero Aridjis: zie  HIER.

TH. VAN SCHOONHOVEN - OMVER

Schilderij (c) Hedwig van der Heiden


1

of afstand afneemt
bij tekort aan diepte

of omtrek zonder
kijkpunt einder mist

of in overzicht
geen ruimte is

voor veraf herkennen
wordt belet

is landschap schier
een lei in verwering


2

oogmerk kwijt. sleets
van weeromstuit. omver

wil wat zich verhief
allerwegen terneer

klapt wat afstand bewaarde
om op regelrecht

wit dat ruimte ontkent
niet bekend wil zijn


3

landschap gaat schuil
achter krassen en gestreep

of het onder gaasdoek
wordt gespannen

waarop mist stuk
slaat als op kort gras-

linnen


4

breed. breder dan het doorzicht toe
laat ligt landschap achterover

neer. aanblik van bovenaf
/ je slaat in scheervlucht gade

rest

_____________________
Uit Th. van Schoonhoven, Omver, Meulenhoff Amsterdam 1980, de enige boekpublicatie van Th. van Schoonhoven, pseudoniem van John de Vos (Gouda 1956 - Amsterdam 2018).

H.C. TEN BERGE - SCHIMMEN IN DE KLOOSTERTUIN


‘Goed dat u gekomen bent,’ zei Sir Philip, terwijl hij zijn gebrekkig gecamoufleerde schuilplaats onder een afdak achter enkele fietsen verliet. ‘Zoals u weet ben ik in Zutphen ongewenst, dus onbemind. Het natte weer lijkt dat te onderstrepen. Is het waar dat de Spanjolen zijn verdreven?’
            De jeugdig uitziende dichter en krijgsman keek om zich heen, zette een gepluimde breedgerande hoed weer op en liep een paar passen de doodstille kloostertuin in. Hij trok nog altijd met zijn been. ‘Een dag voor ik stierf, geloofde iedereen dat ik genezen zou. Mijn zuster Mary, mijn broers, mijn vrouw Frances, de vereerde Lady Rich voor wie ik mijn gedichten schreef, ja ook oom Robert, graaf van Leicester – allen keken ze uit naar het moment waarop ik de terugreis naar Engeland zou kunnen aanvaarden. Ik was koortsvrij en helder. Toch schreef ik aan Jan Wyer – een Hollandse arts in wie ik vertrouwen stelde – dat zijn overkomst naar Arnhem dringend gewenst was. Juffrouw Gruitthuissens, wier gastvrijheid ik genoot, kan dat desgevraagd bevestigen.’
            ‘Maar het koudvuur had u al geveld,’ zei Transmontanus, die Sidney’s uitgestoken hand had losgelaten. ‘En dat wist u beter dan uw artsen. De toon van uw brief verried hevige verontrusting. U had de merkwaardige geur die uw lichaam omhulde heimelijk ervaren als een inward mortification, zoals uw trouwe vriend Fulke Greville heeft opgemerkt.’
            De herfstregen vlaagde over het dak van het voormalige klooster naar beneden. Paden en banken gaven een matte glans af in het middaglicht. ‘Vandaag is het verzoendag, ook al houdt de wind het niet droog.’ Transmontanus, bijgenaamd de archipoëet, ontvouwde een zwarte paraplu die groot genoeg was om hen beiden te beschermen. Hij stak twee hoofden boven Sidney uit. ‘Handig mechaniekje,’ zei Sir Philip, die de namaak-ivoren knop betastte. ‘Er is hier veel veranderd, behalve het klimaat. Bij vochtig weer voel ik de pijn tot in mijn botten zeuren. Maar vandaag ben ik goedgemutst, bijna uitbundig. Mijn lichaam zegt me dat het straks zal opklaren!’
            Al pratend deden ze een langzame ronde door de onttakelde tuin, die vanuit de Rosmolensteeg – waar af en toe een gehaaste voetganger passeerde – een prettig desolate aanblik bood. Het was zoiets als in de regen op een oud stil kerkhof zitten met een heupfles geestrijk vocht en dan denken aan een grimmig vers van J.J. Slauerhoff. Ze bleven staan bij een gedenkteken. ‘Verboden voor honden,’ las Sir Philip met zijn stok de woorden aanwijzend. Hij had een grappig accent. ‘Je blijft je verbazen,’ zei hij. ‘In mijn tijd konden honden nog niet lezen. Onderwijs en scholing werpen vrucht af in uw land. “To teach and delight” – daar komt het op aan, ook in de poëzie, zoals u weet. Denkt u dat de anderen nog zullen komen?’
            De regen kletterde op de paraplu en spatte uiteen op de stenen van het pad. De wolken regenden zich leeg alsof een dronken god zijn blaas de vrije loop gaf om de zon nog voor de avond doortocht te verschaffen. Transmontanus wilde iets
opmerken over de vreugdeloosheid waardoor het onderwijs al jaren werd geteisterd, maar hield zich wijselijk in. Hij nam Sir Philip bij de arm en leidde hem naar een memoriekruis, dat onder een muurlantaarn tegen het dormitorium was geplaatst. ‘Johan Noordinck, verdronken in de IJssel 1536,’ zei hij.

RAINER MARIA RILKE - DE LEEUWENKOOI


Ze loopt heen en weer als de wachtpost buiten bij de stadswal, waar niets meer is. En net als in de wachtpost is er heimwee in haar, zwaar heimwee in stukken.
            Zoals er in de zee beneden ergens spiegels moeten zijn, spiegels uit de kajuiten van gezonken schepen, stukken van spiegels, die evenwel natuurlijk niets meer bevatten: de gezichten van de passagiers niet, geen van hun gebaren, niet de manier waarop ze zich omdraaiden en er zo typisch onbeholpen uitzagen van achter, niet de wand, niet de hoek waar men sliep, nog minder wat er van de andere kant en van buiten deinend in scheen, niets, nee. Maar hoe misschien toch wat algenspul, wat los neerdalende pulp, het schielijke gezicht van een vis of ook alleen maar het water zelf, het trekkende, gedeelde, weer samenkomende water dat overeenkomsten in zulke spiegels oproept, verre, scheve, valse, meteen weer opgegeven overeenkomsten met dat wat ooit was –:
            zo liggen herinneringen, stukken van herinneringen, als breukvlakken, in het duister op de bodem van haar bloed.
            Ze loopt langs hem heen en weer, langs de leeuw die ziek is. Ziek zijn komt niet in hem op en minder maakt het hem niet, het omsluit hem slechts. Hoe hij zo ligt, met zijn zacht gebogen klauwen zonder bedoeling, met zijn hoogmoedige gezicht bedolven onder de schabberige manen, is hij op zichzelf opgericht ter herinnering aan zijn treurnis, zoals hij eens (aldoor boven zich uit) de overdrijving van zijn kracht was.
            Nu trekt er nog hier en daar iets in zijn spieren om zich te spannen, hier en daar vormen zich, te ver uit elkaar, kleine plekken woede; het bloed breekt beslist kwaad, met een sprong, uit de kamers van zijn hart, en gewis bezit het nog de voorzichtig beproefde wendingen van resolute bruuskheid als het de hersenen ingaat.
            Maar hij laat het gaan, omdat het nog niet ten einde is, en hij grijpt niets meer aan en neemt niet meer deel. Slechts op afstand, als ver van zich afgehouden, met het zachte penseel van zijn staart, schildert hij telkens weer een geste, een kleine, halfronde, van onbeschrijfelijke verachting. En zo veelzeggend vindt dat plaats, dat de leeuwin blijft staan en toekijkt: verontrust, opgewonden, verwachtingsvol.
            Maar daarna neemt ze haar loop weer op, de troosteloze belachelijke loop van de wachtpost die altijd weer in dezelfde voetstappen terugvalt. Ze loopt en loopt, en haar afwezige masker, rond en vol, lijkt bijwijlen door de spijlen doorgestreept.
            Ze loopt zoals klokken lopen. En op haar gezicht staat als op een wijzerplaat waar je s nacht het licht op schijnen laat, een vreemd, merkwaardig kort aangegeven tijdstip: vreselijk, een waarop iemand doodgaat.


© vertaling Huub Beurskens
_____________________________
Rilke schreef de eerste versie van deze prozaschets in november 1902 en de eindversie in de zomer van 1907 in Parijs.

WIEL KUSTERS - TWEE SCHEDELS PRATEN OVER ENSOR


 

'Laten we naar Ensor in Oostende gaan.
Uitbundig lacht de dood  in het verschiet.
Je warmt je nog zo lekker aan de maan,
alsof dat sikkeltje je ongeschoren liet.'

"Ik heb die namen net niet goed verstaan,
maar samen onderweg, ach, geeft dat niet,
zolang we hier en daar maar blijven staan...
De kaart is groter dan je reizend ziet."

'Ensor, James. Dichtbij maar ook veraf.
Als achter maskers verhult hem elk doek.
Hij kon zichzelf niet zijn tenzij als schulp.'

"Gesloten, maar zijn lippen riepen: 'Hulp!'
Misschien is dat waarmee ik jou soms zoek.
Zijn graf... Weet jij, waar legde hij zich af?"

'Eropaf!'

– naar aanleiding van de tentoonstelling 'James Ensor. Dromen van parelmoer', Kunstmuseum aan Zee, Oostende


RAINER MARIA RILKE - EEN ONTMOETING



Een willekeurige weg buiten de stad. (Enige voorwaarde, je mag niemand tegenkomen.) De hond is er opeens, als een ingeving. Hij gedraagt zich opzettelijk honds, ogenschijnlijk helemaal opgaand in zijn futiele bezigheden, waarbij hij echter onopvallend doelgerichte, merkwaardig zekere blikken werpt naar de vreemdeling die zijn weg vervolgt. Geen van die blikken gaat verloren. De hond loopt al gauw voor, al gauw naast de wandelaar, aldoor bezig steels, maar meer en meer te kijken. Opeens, bij het inhalen van de vreemdeling:
            Dus toch! Dus toch!
            Hij toont gejaagde blijken van vreugde waarmee hij zelfs probeert de doorlopende wandelaar op te houden. Die maakt een vlug, vriendelijk, kalmerend en tevens afdoend gebaar en kan met een halve pas naar links gemakkelijk om de hond heen.
            De hond met blije hoop:
            Het gaat nog komen.
            Hij jengelt uit een overmaat aan gevoelens. Om dan, met zijn gezicht omhoog, andermaal voor de lopende man te springen: Nu gaat het komen, denkt hij, en hij houdt zijn gezicht omhooggericht, aandringend, als teken van herkenning. Nu gaat het komen.
            Wat? zegt de vreemdeling die een ogenblik aarzelt.
            De spanning in de ogen van de hond gaat over in verlegenheid, in twijfel, in verbijstering. Ja, als de man helemaal niet weet wat er moet komen, hoe moet het dan komen? – Ze moeten het allebei weten, pas dan komt het.
            De wandelaar zet weer zijn halve pas naar links, dit keer heel mechanisch; hij lijkt verstrooid. De hond blijft voor hem uit en probeert – nu bijna zonder erg behoedzaam te zijn – de vreemdeling in de ogen te kijken. Hij meent ze even te vinden, maar de blikken klikken niet met elkaar.
            Zou het kunnen dat zo’n kleinigheid…, denkt de hond.
            Het is geen kleinigheid, zegt de vreemdeling opeens, alert en ongeduldig.
            De hond schrikt: Hoe kan het (hij kalmeert met moeite), terwijl ik toch voel dat wij… Mijn innerlijk… mijn…
            Spreek het niet uit, zegt de vreemdeling die hem bijna boos onderbreekt. Ze staan tegenover elkaar. Dit keer dringen hun blikken in elkaar door, die van de man in die van de hond, zoals messen hun schede vinden.
            De hond laat als eerste af; hij maakt zich kleiner, springt opzij en met een schuin van rechts komende, laag blijvende blik omhoog bekent hij:
            Ik wil iets voor je doen. Alles wil ik voor je doen. Alles.
            De man loopt alweer verder. Hij doet alsof hij het niet begrepen heeft. Hij lijkt achteloos te lopen, maar toch probeert hij naar de hond te kijken, zo nu en dan. Hij ziet hem sukkelig en typisch desperaat rondstruinen, vooruitlopen, achterblijven. En ineens staat hij enkele passen verderop, in de richting van zijn volger, te scharren, vanuit zijn geconcentreerde achterlijf naar voren gestrekt. Met grote zelfoverwinning maakt hij een paar lichtzinnige en kinderlijke speelbewegingen, als om de indruk te wekken dat zijn voorpoten een levend iets vasthouden. En dan pakt hij zonder een woord de steen die deze rol moest spelen in zijn bek.
            Nu ben ik ongevaarlijk en kan niets meer zeggen: dat spreekt uit het knikken waarmee hij zich afwendt. Er ligt bijna iets vertrouwelijks in dat knikken, een soort overeenstemming, die echter, in hemelsnaam, niet al te serieus genomen moet worden. Het is maar oppervlakkig en lollig gedoe, net zoals het dragen van de steen moet worden opgevat.
            Maar nu, omdat de hond de steen in zijn bek heeft, kan de man het niet laten iets te zeggen:
            Laten we verstandig zijn, zegt hij terwijl hij doorloopt, zonder zich naar de hond te bukken. We hebben er toch niets aan. Wat heeft het voor nut om voor elkaar open te staan? Bepaalde herinneringen kun je beter niet opwekken. Ik had dat ook even, en het scheelde niet veel of ik had je gevraagd wie je bent. Je zou Ik hebben geantwoord, want namen bestaan tussen ons niet. Maar, weet je, dat zou niet hebben geholpen. Het zou ons alleen maar meer in verwarring hebben gebracht. Want ik wil je nu wel bekennen dat ik even nogal beduusd was. Nu ben ik kalmer. Kon ik je maar duidelijk maken dat het voor mij net zo is. In mijn aard liggen misschien nog wel meer belemmeringen voor een weerzien. Je weet niet hoe moeilijk we het hebben.
            Terwijl de vreemdeling aan het woord was had de hond ingezien dat het niets uithaalde door te gaan met de komedie van het oppervlakkige gespeel. Van een kant was hij er blij mee, maar tegelijk leek hij, vervuld door een toenemend bang vermoeden, de spreker te willen onderbreken.
            Dat lukt hem nu pas, op het moment dat de vreemdeling, verbaasd en geschrokken, een moment meent het dier met een vijandige houding tegenover hem te zien staan. Een ogenblik later weet hij allicht dat de hond, verre van dat hij haat of vijandschap laat zien, gepijnigd en bang is; uit de schuwe helderheid van zijn blik en de scheve houding van zijn kop valt dat duidelijk af te lezen, en het blijkt te meer uit de manier waarop hij nu de steen vasthoudt die onder de pathologisch opgetrokken bovenlip in heel zijn hardheid en gewicht te liggen ligt.
            Opeens begrijpt de man het en het lukt hem niet een vluchtige glimlach te onderdrukken:
            Je hebt gelijk, mijn beste, het moet onuitgesproken blijven tussen ons, het woord dat tot zoveel misverstanden aanleiding gaf.
            En de hond legt de steen voorzichtig neer, als iets breekbaars, aan de kant, om de vreemdeling niet langer op te houden.
            Die stapt ook echt door en merkt in zijn bezonkenheid pas na een poosje dat de hond hem begeleidt, onopvallend, aanhankelijk, zonder eigen mening, zoals een hond met zijn baas meegaat. Het doet hem haast pijn.
            Nee, zegt hij, nee, niet zo. Niet na deze ervaring. We zouden allebei vergeten wat we vandaag meegemaakt hebben. Het dagdagelijkse is afstompend en jouw natuur heeft de neiging om zich onder de mijne te schikken. Uiteindelijk groeit daarbij een verantwoordelijkheid die ik niet op me kan nemen. Jij zou helemaal niet in de gaten hebben hoe heel je vertrouwen zich op mij richt; je zou me overschatten en van mij verwachten wat ik niet kan inlossen. Je zou me gadeslaan en goedkeuren, ook als het niet goed is. Als ik je een plezier wil doen, lukt me dat dan ook? En wanneer je op een dag droevig bent en klaagt – zal ik je dan kunnen helpen? – En je moet niet de indruk hebben dat ik het ben die je dood laat gaan. Nee, nee, nee. Ga weg, alsjeblieft, ga weg.
            En de man begon welhaast te rennen en hij leek op iemand die ergens bang voor was. Pas na een tijdje liep hij rustiger, om ten slotte trager te lopen dan voorheen.
            Langzaam dacht hij: Wat zou er anders verder nog tussen ons gezegd zijn. En hoe men elkaar uiteindelijk de hand zou hebben toegestoken –.
            Een onbeschrijflijk verlangen roert zich in hem. Hij blijft staan en kijkt om. Maar het stuk weg buigt meteen achter hem af in de schemering die inmiddels is aangebroken, en er is niemand te zien.


vertaling © Huub Beurskens
______________________________________
Rainer Maria Rilke schreef de prozaschets Eine Begegnung in januari 1907 op Capri; hij verscheen in mei van hetzelfde jaar in de Wiener Abendpost.

WIEL KUSTERS - DONDERROE


Foto: Gemeentearchief Kerkrade
            
            Maar dat is tot daaraantoe.
            M. Nijhoff
           

Zoals die straat daar plotseling
voor mij ligt, heb ik haar niet gekend,
zo uit het zicht als een vermoeden
van wat geweest is, als wat went
terwijl het zich vervreemdt.

Geen noodzaak om wat eerder was
te hoeden. De straat waarin ik me verstopte,
tolde, rende, ligt in het verlengde van waar
ik sta en kijk – in een hitte die de toekomst,
heel dat witte, nu bijna blakert en verzengt.

Ik kwam de hoek om, langs
de oude muur, de school.
Geen kinderen. Geen mens
achter de ramen van de huizen
aan de overkant, als waren die
zojuist gebouwd, nog onbewoond.

Wel hoorde ik geluiden waarvan ik wist
dat die er waren. Ze kwamen
vanonder de grond, waar mannen,
met nummers voor hun namen,
werkten als verbannen.

Er leek er een ontsnapt,
wachtend op wat komen ging:
de voerman van twee paarden.

Zo liep ik hier, zo kwam ik daar,
niemand zag mij gaan.

De straat was nog een straat
in halfverharde staat.

Om de hoek kwamen kinderen,
voorgoed niet te laat.

Ik was ongeboren.

Als er geen reden is voor een oorzaak,
geen aanleiding voor een motief,
ligt de aarde ongenadig braak,
eruptief en abortief.

Nu ik al bijna voorbij ben
klinkt uit de stijgende hitte een stem
die mijn nummer roept.
Ik kijk terug, omhoog, waar misschien
eerder al iets bewoog.

Op het dak van de school,
bij een bol van graniet
die de aarde moet zijn,
staat een man, trekt aan een draad
van de donderroede die hij plant.

Verder nog niets aan de hand.