BENNO BARNARD - MIJN GEDICHTENSCHRIFT 4

Chanson de fou

Vous aurez beau crier contre la terre,
La bouche dans le fossé,
Jamais aucun des trépassés
Ne répondra à vos clameurs amères.

Ils sont bien morts, les morts,
Ceux qui firent jadis la campagne féconde;
Ils font l’immense entassement de morts
Qui pourrissent, aux quatre coins du monde,
Les morts.

Alors
Les champs étaient maîtres des villes,
Le même esprit servile
Ployait partout les fronts et les échines,
Et nul encor ne pouvait voir
Dressés, au fond du soir,
Les bras hagards et formidables des machines.

Vous aurez beau crier contre la terre,
La bouche dans le fossé:
Ceux qui jadis étaient les trépassés
Sont aujourd’hui, jusqu’au fond de la terre,
Les morts.

Emile Verhaeren
Uit: Ceci n’est pas une poésie, Een Belgisch-Franstalige anthologie belge francophone (Atlas, 2005)


Gekkenlied

Schreeuw maar tegen de aarde
Tot je mond de modder smaakt –
Geen van hen die zijn ontslapen
Die van dat misbaar ontwaakt.

Want ze zijn morsdood, de doden
Die het land vrucht hebben doen dragen.
De wereld is een knekelhuis; hun botten
Liggen alom tot in lengte van dagen
Te rotten.

In die tijd
Heerste het land over de stad.
Een geest van onderworpenheid
Kromde de rug voor de gegoeden.
Geen mens kon de ongeziene
Grijparmen van de machine
Achter de horizon vermoeden.

Schreeuw maar tegen de aarde
Tot je mond de modder smaakt –
Zij die voorheen waren ontslapen
Zijn nu morsdood en modder
In de aarde.

(Vertaling Stefaan van den Bremt)


Emile Verhaeren (1855-1916) – een Franstalige Vlaamse bourgeois – geloofde als negentiende-eeuwse vooruitgangsoptimist waarachtig dat de massa zoiets als ‘het nieuwe universum van de onverzadigbare utopie’ zou creëren.
Dat klinkt wel erg achterhaald, nu de rivier van de tijd ons twee eeuwen verder stroomafwaarts heeft gesleurd; en overigens was hij met het fabrieksproletariaat even intiem als een hedendaagse linkse intellectueel met de islam.
Ik vind het een tragedie dat zoiets nobels als het utopische optimisme van Verhaeren in onze oren naïef en zelfs ridicuul is gaan klinken. Dat is de schuld van de twintigste eeuw, van Hitler en Stalin, en daarvoor al van die vreselijke Duitse keizer. De hierboven geciteerde woorden wankelen inderdaad op de rand van het belachelijke. Maar ze dateren van 1895; Adolf was toen nog een ventje van zes dat graag tekende.
Verhaeren was dus een salonsocialist, een mensensoort die mij liever is dan de actieve revolutionair omdat hij tenminste het bestaansrecht van de salon erkent. Niet toevallig was hij bevriend met koning Albert I. In King Albert’s Book – met Kerstmis 1914 uitgegeven ten bate van het Belgische Noodfonds van de Daily Telegraph – zegt ‘Belgium’s national poet’ tegen zijn soeverein: ‘Later, wanneer ge terugkeert naar een heroverd en eindeloos glorieus België, zult ge slechts uw stem hoeven te verheffen, Sire, en de onenigheden verliezen hun wrangheid en de tegenstellingen verdampen.’ Als ik de huidige koning was, schoot mijn gemoed bij deze passage vol.
Verhaeren was een geëngageerd dichter, en tegelijk een lyricus, de nachtegaal van zijn huwelijksgeluk. Maar de indrukwekkendste gedichten van Verhaeren doen aan de schilderijen van de Vlaamse expressionisten denken: ze zijn niet utopisch, verheerlijkend of zoetig, maar even hard en aards als een schilderij van Constant Permeke; zie bovenstaand ‘Gekkenlied.’ Het dateert van 1893 – maar de tijd verandert gedichten: het is moeilijk deze woorden nog te lezen zonder aan het massale sterven in de loopgraven te denken.
Het moderne Vlaanderen heeft nooit van Verhaeren gehoord. Hij schreef zijn verzen immers in de andere taal, die rond 1900 waarschijnlijk ook de mijne zou zijn geweest en die toen nog maakte dat Vlaanderen zich tot aan de oevers van de Middellandse Zee uitstrekte. Intussen zijn les champs in dit gewest verpest door machines met grijparmen.
Verhaerens wereld – ik rijd uit op mijn stokpaard – was het supranationale Europa van voor 1914, waar velerlei volkeren tot hun relatieve tevredenheid in de Donaumonarchie verenigd waren, een nationalistische minderheid daargelaten. In dat continent kon je nog zonder zoiets kleinburgerlijks als een paspoort rondreizen, zoals de Joodse Oostenrijker Stefan Zweig vol heimwee in zijn memoires noteert.
Diezelfde Zweig was Verhaerens vurigste bewonderaar. Hij vertaalde hem in het Duits, want hij zag in deze nationale dichter – die de Europese volkeren ‘Admirez-vous les uns les autres!’ toeriep – ook de supranationale dichter van Europa. In zijn studie Emile Verhaeren (1910) staan de geestdriftigste regels ooit aan België gewijd: ‘Nergens anders in Europa wordt het leven zo intens, zo vrolijk geleefd. Nergens vloeien de overdadige sensualiteit en het plezier zozeer uit de levenskracht voort als in Vlaanderen.’ Dit proza herinnert me aan de woorden van een Engelse vriend, die ‘drank en de near sex experience’ constituerende bestanddelen van onze samenleving noemde. Dat soort antropologische observatie bewijst dat België nog altijd bestaat.
In 1914 maakten de wapenindustrie en het nationalisme onder aanvoering van de Duitse keizer het oude Europa kapot. Ogenblikkelijk veranderde Verhaeren in een Belgische nationalist: hij verbrak alle contacten met de pacifist Zweig, die nu zijn objectieve vijand was.
Wat overbleef was heimwee.


 ___________
Benno Barnard publiceerde zojuist Dagboek van een landjonker (uitg. Atlas Contact).

FERNANDO PESSOA - 35 SONNETS / 35 SONNETTEN



vertaald door Maarten Asscher

Fernando Pessoa, Heimwee naar vereeuwiging (Lisboa, Monteiro e Co, 1918) uit de verzameling Manuel Vilhena de Carvalho.

Fernando Pessoa (1888-1935), de grootste Portugese dichter van de twintigste eeuw, hield er niet alleen een groot aantal zogenaamde ‘heteroniemen’ op na – afsplitsingen van zijn literaire persoonlijkheid die elk een volstrekt eigen literaire productie voortbrachten –, Pessoa was als dichter ook nog eens actief in een tweede taal, namelijk het Engels. Maar liefst drie van zijn twaalf delen omvattende verzameld werk, zijn gevuld met zijn in het Engels geschreven gedichten. De vertrouwdheid met die taal gaat terug op de tijd die hij op Engelstalige scholen in Zuid-Afrika doorbracht, waarheen hij met zijn moeder en zijn stiefvader in 1896 emigreerde. Pas op zijn zeventiende keerde hij naar Portugal terug, en het duurde vele jaren, om precies te zijn tot 1914, voordat hij als dichter in het Portugees zou gaan publiceren.
Pessoa’s Engelstalige werk, in het bijzonder de 35 Sonnets uit 1918, liet hij voor eigen rekening in Lissabon drukken, nadat hij er tevergeefs een uitgever in Engeland voor had proberen te vinden. Veel van de overige Engelstalige gedichten verschenen pas na zijn dood voor het eerst in druk.
De levenslange verbondenheid van Pessoa met zijn tweede literaire taal kan niet beter worden geïllustreerd dan met een verwijzing naar de laatste woorden die hij – in het Engels – op zijn sterfbed in het Franse hospitaal van Lissabon schreef: ‘I know not what tomorrow will bring.’
De originele teksten van de hier vertaalde gedichten zijn te vinden in de door Luisa Freire bezorgde delen Poesia Inglesa I en II van de Obras de Fernando Pessoa (Lissabon, 2000).

Maarten Asscher


35 SONNETS

I

Whether we write or speak or are but seen
We are ever unapparent. What we are
Cannot be transfused into word or mien.
Our soul from us is infinitely far.
However much we give our thoughts the will
To make our soul with arts of self-show stored,
Our hearts are incommunicable still.
In what we show ourselves we are ignored.
The abyss from soul to soul cannot be bridged
By any skill of thought or trick for seeing.
Unto our very selves we are abridged
When we would utter to our thought our being.
   We are our dreams of ourselves, soul by gleams,
   And each to each other dreams of other’s dreams.


35 SONNETTEN

I

Voor wie ons ziet of leest of spreken hoort
Zijn wij onkenbaar. Nooit laat ons bestaan
Zich vangen in een houding of een woord.
Oneindig staat de ziel van ons vandaan.
Hoe graag wij ook de kunst willen bedrijven
Die onze ziel voorziet van pralerij,
Toch zal ons hart onmededeelzaam blijven.
In wat wij tonen ziet men ons voorbij.
Door geen illusie of vernuft kan ooit
De kloof van ziel tot ziel worden geslecht.
Zelfs in ons diepste zelf zijn wij berooid,
Wat ook ons wezen aan ons denken zegt.
   De ziel kan slechts in onze dromen schijnen.
   Elk droomt eens anders dromen als de zijne.


II

If that apparent part of life’s delight
Our tingled flesh-sense circumscribes were seen
By aught save reflex and co-carnal sight,
Joy, flesh and life might prove but a gross screen.
Haply Truth’s body is no eyable being,
Appearance even as appearance lies,
Haply our close, dark, vague, warm sense of seeing
Is the choked vision of blindfolded eyes.
Wherefrom what comes to thought’s sense of life? Nought.
All is either the irrational world we see
Or some aught-else whose being-unknown doth rot
Its use for our thought’s use. Whence taketh me
   A qualm-like ache of life, a body-deep
   Soul-hate of what we seek and what we weep.


II

Als op de uiterlijke levenslusten
Die onze tintelende tast omvat
Een ijdel en wellustig oog slechts rustte,
Zou ons bestaan een scherm zijn, leeg en plat.
Het lijf der waarheid wordt niet graag gezien,
Wat zich laat aanzien is altijd gelogen,
Ons dicht, vaag, warm beschouwen is misschien
Louter geblinddoekt snakken van de ogen.
Vanwaar komt welk besef van leven? Nergens.
’t Is alles ongerijmd wat men aanschouwt
Of een of ander rottend iets zou ergens
Ons denken moeten voeden. Mij benauwt
   Een levenspijn, een diepe ziele-nijd
   Om al ons streven dat tot treurnis leidt.


III

When I do think my meanest line shall be
More in Time’s use than my creating whole,
That future eyes more clearly shall feel me
In this inked page than in my direct soul;
When I conjecture put to make me seeing
Good readers of me in some aftertime,
Thankful to some idea of my being
That doth not even my with gone true soul rime;
An anger at the essence of the world,
That makes this thus, or thinkable this-wise,
Takes my soul by the throat and makes it hurled
In nightly horrors of despaired surmise,
   And I become the mere sense of a rage
   That lacks the words whose waste might ’suage.


III

Als ik bedenk dat wat ik ook maar schrijf
Duurzamer zijn zal dan mijn scheppend wezen,
Dat ik in later ogen leven blijf
Door wat dit blad, niet wat mijn ziel laat lezen;
Als ik mij voorstel hoe in verre tijd
Mijn goede lezers naar mij zullen kijken,
Dankbaar om iets van een identiteit
Waarop mijn ware ziel maar niet wil lijken;
Dan vliegt een boosheid om des werelds geest,
Die dit zo schiep of denkbaar heeft gemaakt,
Mij naar de keel en jaagt als een wild beest
Mijn ziel in nachten hopeloos doorwaakt,
   En voel ik slechts een sprakeloze woede
   Waarvoor geen enkel woord mij kan behoeden.


IV

I could not think of thee as piecèd rot,
Yet such thou wert, for thou hadst been long dead;
Yet thou liv’dst entire in my seeing thought
And what thou wert in me had never fled.
Nay, I had fixed the moments of thy beauty –
Thy ebbing smile, thy kiss’s readiness,
And memory had taught my heart the duty
To know thee ever at that deathlessness.
But when I came where thou wert laid, and saw
The natural flowers ignoring thee sans blame,
And the encroaching grass, with casual flaw,
Framing the stone to age where was thy name,
   I knew not how to feel, nor what to be
   Towards thy fate’s material secrecy.


IV

Verrot, zo stelde ik mij jou nooit voor.
Toch was je dat, al zolang overleden,
Maar onbesmet leefde je in mij door.
Mijn beeld van hoe je was is nooit vergleden.
Jouw schoonheid was ik geen moment verloren –
Je lachje, altijd tot een kus bereid.
Ja, mijn geheugen had mijn hart bezworen
Jou steeds te zien in die onsterfelijkheid.
Maar toen ik bij de plek kwam waar je lag,
Vol bloemen die jou wel moesten negeren,
En ik de grafsteen met je naam daar zag
Die, ingelijst door gras, lag te verweren,
   Wist ik niet wie ik was of wat ik gaf
   Om de geheimen van jouw aardse graf.


V

How can I think, or edge my thoughts to action,
When the miserly press of each day’s need
Aches to a narrowness of spilled distraction
My soul appalled at the world’s work’s time-greed?
How can I pause my thoughts upon the task
My soul was born to think that it must do,
When every moment has a thought to ask
To fit the immediate craving of its cue?
The coin which I would heap to wed my Muse
And build our home i’th’ greater Time-to-be
Becomes dissolved by needs of each day’s use
And I feel beggared of infinity;
   Like a true-Christian sinner each day flesh-driven
   By his own act to forfeit his wished heaven.


V

Hoe ooit in doen mijn denken omgezet,
Terwijl het alledaags inhalig jachten
Mijn ziel, door ’s werelds tijdgebrek ontzet,
Schrijnt met een overmaat aan waangedachten?
Hoe gun ik aan mijn denken ooit de rust
Voor dat, waartoe mijn ziel was voorbestemd,
Als ieder ogenblik slechts is belust
Op een verlangen dat mijn geest beklemt?
Het goud vergaard om met mijn Muzenbruid
Een huis te bouwen in het Grote Ooit,
Vliegt er aan alledaagse noden uit
En ik ben in oneindigheid berooid;
   Zoals een Christen die de lust naloopt
   Steeds weer het heil verbeurt waarop hij hoopt.


VI

As a bad orator, badly o’er-book-skilled,
Doth overflow his purpose with made heat,
And, like a clock, winds with withoutness willed
What should have been an inner instinct’s feat;
Or as a prose-wit, harshly poet turned,
Lacking the subtler music in his measure,
With useless care labours but to be spurned,
Courting in alien speech the Muse’s pleasure;
I study how to love or how to hate,
Estranged by consciousness from sentiment,
With a thought feeling forced to be sedate
Even when the feeling’s nature is violent;
   As who would learn to swim without the river,
   When nearest to the trick, as far as ever.


VI

Zoals een matig spreker zich verlaat
Op boeken die zijn woorden overstromen,
En - als een klok - maar in de rondte slaat
Met wat juist uit het hart had moeten komen;
Of als een schrijver, die niet goed kan dichten:
Zijn instrument ontbeert de juiste toon,
De Muze weigert voor zijn taal te zwichten
En al zijn moeizaam zwoegen vindt slechts hoon;
Zo tracht ik lief te hebben of te haten
Hoezeer ook van afkerigheid bewust,
En is mijn stemming soms in alle staten,
In mijn gedachten dwing ik haar tot rust.
   Zoals wie op het droge zwemmen leert,
   Zichzelf bedot, al doet hij niets verkeerd.

MARIO GIACOMELLI - KLEIN PORTFOLIO

uit de reeks: Io no ho mani che mi accarezzino il volto

uit: La Buona Terra

uit: La Buona Terra 

uit: Calabria, il Canto dei Nuovi Emigranti

uit: La Notte Lava la Mente

uit: Paesaggi

uit: Paesaggi

uit: Il Pittore Bastari

uit: Presa di Coscienza sulla Natura

uit: Questa Ricordo Io Vorrei Raccontare

uit: Un Uomo, una Donna, un Amore

uit: Verrà la Morte e Avrà i Tuoi Occhi


___________
Mario Giacomelli (Senigallia 1925 - Ancona 2000), Italiaans fotograaf. Bovenstaande foto's worden weergegeven met de vriendelijke toestemming van (copyright) Simone Giacomelli. Meer van en over het werk van Mario Giacomelli is te vinden op www.mariogiacomelli.it

LEO VROMAN - NIEUWE GEDICHTEN 2

voor Huub

DINSDAG, 1 OKTOBER 2013

Ik droomde alweer
te lang over Toen
maar mocht deze keer
alles overdoen,

vrij, mijn geweer
al weg gegooid
roepende Nooit
nooit meer!

liep ik van Osaka
helemaal te voet
naar Nagaoka,
werkte overal goed
voor een hapje eten
en men scheen dat te weten,
op mij te wachten,
en glimlachte,

vooral de vrouwen;
ik mocht hout hakken,
dingen opvouwen
en inpakken,
ja, ploegen en zaaien,
wit ondergoed naaien,
en oogsten maaien,

ik werd beroemd,
in kranten genoemd
met een bijnaam,

en leerde later pas
wat die bijnaam was:
“Onbekwaam”.



WOENSDAG, 9 OKTOBER 2013

Wie weet wanneer
ik dit of dat
(noem zelf maar wat)
voor de laatste keer

zal wassen, voelen en afvegen,
nog 1 volledig woord
zal schrijven, en zo voort,
of zelf nog wat bewegen.

Wanneer wordt wanneer wanneer
vraag ik nu al lang niet meer,
en wil ook graag in geen

raar vermoeiend nabestaan
flappende door de wolken gaan,
gevederd maar alleen.



ZONDAG, 20 OKTOBER 2013

Zoek maar nooit naar de
grauwe gedaante waar de
schaduw die je omhult
straks vandaan komt.
Niet van mij
maar met geduld geduld
waai ik misschien voorbij
nu op mijn rechterkant
in bed naast je want
op mijn goede oor
kan ik de stilte horen
langs waaien
en mij na een poos
weer omdraaien,
slapeloos.



VRIJDAG, 25 OKTOBER 2013

Tussen honderd jaar
oud en helemaal dood
is de afstand nog maar
een honderdste groot

en dank zij de Mens
en Diens medicijnen
zal spoedig die grens
bijna verdwijnen.

De oudsten misschien
krijgen jaarlijks een sneetje
in de huid, een goede

manier om te zien
of ze nog een beetje
kunnen bloeden.


BENNO BARNARD - MIJN GEDICHTENSCHRIFT 3 - NIGHT MAIL

Night Mail


(Commentary for a G.P.O. Film)

I

This is the Night Mail crossing the Border,
Bringing the cheque and the postal order,

Letters for the rich, letters for the poor,
The shop at the corner, the girl next door.

Pulling up Beattock, a steady climb:
The gradient’s against her, but she’s on time.

Past cotton-grass and moorland boulder,
Shovelling white steam over her shoulder,

Snorting noisily, she passes
Silent miles of wind-bent grasses.

Birds turn their heads as she approaches,
Stare from bushes at her blank-faced coaches.

Sheep-dogs cannot turn her course;
They slumber on with paws across.

In the farm she passes no one wakes,
But a jug in a bedroom gently shakes.


       - W.H. Auden
        Uit: Collected Poems (Vintage International, 1991)

 

Nachtpost


(Commentaar bij een film voor de Posterijen)

I


Dit is de Nachtpost op weg naar het noorden,
Die postwissels brengt en brieven vol woorden:

Voor rijken en armen gelijk maakt ze haast,
De buurtkruidenier, het meisje hiernaast.

De steile helling die naar Beattock leidt
Is tegen haar, maar toch is ze op tijd.

Op de hei, rotsiger en kouder,
Schept ze witte stoom over haar schouder;

Mijlen golvend grasland zwijgen
Tegen haar luidruchtig hijgen.

Vogels draaien hun kopje naar haar licht,
Staren naar haar wagons zonder gezicht.

Honden kunnen haar niet pakken
En laten dus hun kop weer zakken.

De boerderij die ze passeert slaapt door,
Maar van een kan naast een bed trilt het oor.

Vertaling B.B.


De BBC was zo voorkomend het grijze reclamefilmpje nog eens uit te zenden dat de General Post Office Film Unit in 1936 had gedraaid en waarvoor W.H. Auden een begeleidend verscommentaar had geschreven. Je zag een stoomtrein zich door Engeland voortbewegen, in die voor stoomreinen zo typerende mensvormige stijl, en off-screen hoorde je de dichter bovenstaande en nog veel meer regels reciteren, op het ritme van de lichtjes schokkerige beelden.
In John Fullers W.H. Auden, A Commentary lees ik dat Auden zijn verzen bij de al gemonteerde beelden heeft geschreven, in plaats van omgekeerd, en dat hij ‘even found it necessary to time his spoken verse with a stop-watch in order to fit it exactly to the shot on which it commented’. Wat een cultuur, die zo’n dichter en zulke posterijen voortbrengt! Nog gezwegen van boeken als dat van Fuller, die ieder gedicht van Auden van glossen voorziet, als een vrome rabbijn de Tora.
Net als Auden ben ik gevoelig voor de charme van ouderwetse techniek, die nog zoveel antropomorfe en dus menselijke trekken heeft, en daarom heel geschikt is voor de productie van metaforen. Bij Martinus Nijhoff ‘heft’ de Oriënt-Express ‘haar knie’, iets wat ik de TGV nog niet zie doen – en inderdaad, die antieke drijfstangen zijn als gewrichten.
Gezegend dus de grote kinderen die de spoorweg tussen Bodiam en Tenterden in Sussex in stand houden, want ze verbinden de materie met de droom en Victoria met de huidige eeuw, via de tussenstations Kindertijd en 1974. In dat laatste jaar reisde ik alleen door deze streek.
Een jonge boerin spreidde mijn bed. Ik ontwaakte in Breakfastshire, in welk graafschap ze zingend spek voor me stond te bakken. ’s Avonds zette ze me lamspastei voor, met een glas ale, die in het licht van de open haard, evenals het mahonie van de eettafel, van vlammen leek te zijn gemaakt Ze plaagde me met mijn jeugd en deed alsof ze over het tweede glas aarzelde. Overdag ontvouwde de vallei van de Rother haar heerlijkheden voor me. Bijna was ik hier boer geworden. Mijn verblijf kostte een pond per etmaal.
Ik koop een retourtje op station Bodiam, dat in 1900 is geopend, in 1954 gesloten en in 2000 heropend. De Railway Supporters Association onderhoudt de oorspronkelijke stoomtreinen, poetst het geelkoperen beslag, herstelt de stof van de eersteklasbank waar ik op neerzijg, want gewoon gaan zitten op rode trijp is ongemanierd. En we vertrekken onder dat astmatische snuiven als van een reusachtige hond: de locomotief schept witte stoom en werpt die over haar schouder; en ik denk aan al die achteloos sublieme beelden uit ‘Night Mail’. Vergeef mij, Meester, dat ik soms zelf iets opschrijf.
We hijgen door een voorbij maar toch voortbestaand Engeland: het groen, groen knollenland van het dal openbaart zich aan ons, en de zwoegende drijfstangen brengen mijn interne associatiemechanisme onweerstaanbaar op gang: ik herinner me opeens dat mijn vader aan boord van de ferry naar Engeland uitlegde dat een zeereis zich van een landreis onderscheidde door voyage te heten in plaats van journey. En een boot, dat was altijd een she; en een trein ook.
In Harwich namen we de trein naar Londen. Het was natuurlijk een elektrisch exemplaar, maar er hoorde een oude buffetwagon bij, waar het rood domineerde en de bilafdruk van koningin Victoria werd bewaard. We aten er met zilveren bestek. De Engelse steward, geheel verkleed zoals wij dat verlangden, sprak een kleurrijk Nederlands, gebroken als licht in een prisma. Of we bij de eieren en toast en thee en marmelade en spek en cornflakes en kippers en champignons en tomaten ook oeworstjes wensten te nuttigen.
Mijn stoomtrein rijdt verder door de tijd. Straks, in 1974, ligt de boerin op me te wachten. Naast haar bed trilt dat oor, dat bij Auden ontbreekt. Leve de rijmdwang: zoals een gedicht meer weet dat zijn dichter, weet ook een vertaling meer dan haar vertaler.

___________
Benno Barnard publiceerde zojuist Dagboek van een landjonker (uitg. Atlas Contact).

EVGENY ZYKOV - DE ROTS - LERMONTOVAANS

Onder de naam Evgeny Zykov worden op Het Moment gedichten gepubliceerd die geen vertalingen zijn, maar die zijn gedestilleerd uit meerdere vertalingen, om zodoende tot een zo sterk mogelijk Nederlandstalig gedicht te komen. Zie eerdere Zykovbijdragen in het Momentmagazijn.
        Dit keer is het gedicht 'Ytec' uit 1841 van de Russische dichter Michail Lermontov als uitgangspunt genomen.


De rots



Het gouden wolkje dat de nacht doorbracht

Aan de borst van de grote rots, maakte

Zich gauw op weg toen het vroeg ontwaakte

Om te kunnen dartelen in de azuren pracht.



Echter achter bleef een vochtig waas

In een richel van de rots. Alleen

En in gedachten worden de oude brave steen

Boven een lege vlakte de tranen nu de baas.


BENNO BARNARD - MIJN GEDICHTENSCHRIFT 2 - SABA

La capra


Ho parlato a una capra.
Era sola sul prato, era legata.
Sazia d’erba, bagnata
dalla pioggia, belava.

Quell’uguale belato era fraterno
al mio dolore. Ed io risposi, prima
per celia, poi perchè il dolore è eterno,
ha una voce e non varia.
Questa voce sentiva
gemere in una capra solitaria.

In una capra dal viso semita
sentiva querelarsi ogni altro male,
ogni altra vita.


Umberto Saba
Uit: Trieste et autres poèmes (Editions l’Age d’Homme, 1982)

 

De geit


Ik heb met een geit staan praten.
Alleen in haar wei, getuierd,
verzadigd van gras, druipend
van de regen. Ze blaatte.

Dat blaten klonk in zijn eentonigheid
zo zusterlijk verdrietig. En ik antwoordde
voor de grap. Maar verdriet is van altijd,
heeft één stem en kent geen variëteit.
Die stem heb ik kunnen horen
in de klacht van een eenzame geit.

In een geit met een joods profiel
hoorde ik alle denkbare pijn,
iedere levende ziel.


Vertaling B.B. Uit: Umberto Saba, Voor de vogels en een vriend, Poëzie, proza & brieven (Atlas, 2006)


Umberto Saba werd in 1883 geboren in het ‘burgerlijke Triëst’, de grootste haven van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, een stad die hij diep beminde en waar hij zijn hele leven zou doorbrengen.
Omstreeks 1900 telde Triëst – tegenwoordig het grootste bejaardentehuis van Italië – 180.000 inwoners, onder wie 25.000 Slovenen, 9000 Duitsers en een mengelmoesje van andere nationaliteiten. Maar deze cijfers drukken onvoldoende uit dat Triëst precies daar ligt waar drie grote cultuurgebieden samenkomen: Romaans, Germaans en Slavisch Europa.
De beroemdste zoon van Triëst is Italo Svevo, evenals Saba een zogenaamde irredentist, dat wil zeggen iemand die een voorstander was van aansluiting bij Italië. Het Oostenrijkse gezag arresteerde regelmatig irredentisten, gewoonlijk omdat ze illegaal drukwerk verspreidden. Uit een eenvoudige vergelijking blijkt hoe mild de Belgische overheid met de Vlaamse separatisten omgaat, die mogen drukken wat ze willen en gewoon aan de verkiezingen kunnen deelnemen. Overigens waren Svevo en Saba veel te druk met zichzelf bezig om activist te worden.
Italo Svevo (de ‘Italiaanse Zwaab’) heette eigenlijk Ettore Schmitz en was van Duits-joodse afkomst; Saba had een joodse moeder, die tot de eerste generatie van haar familie behoorde die buiten het getto woonde. Omstreeks 1900 hadden veel joden een zekere materiële welstand bereikt, en op incidentele gevallen na was er geen sprake van antisemitisme. Tot de Duitse bezetting in 1943 werden de joden ook onder de rassenwetten van Mussolini meestal met rust gelaten.
In geestelijk opzicht was het joodse Triëst vergelijkbaar met het joodse Wenen, de voedingsbodem van Freud: een gemeenschap in ontbinding, half geassimileerd, nog weifelend tussen sjoel en secularisatie, etend uit de vleespotten bij het licht van de menora, verlangend naar de toekomst en al bij voorbaat nostalgisch terugblikkend. In deze biotoop wortelde de creativiteit van de ‘apostel van het niets’ Italo Svevo en van de ongeneeslijke melancholicus Saba, hieruit zoog ze haar twijfelzucht, weltschmerz en zelfspot op.
Evenals Svevo heeft Saba diverse malen een psychoanalytische behandeling ondergaan, de eerste keer in 1929: hun psychiater had bij Freud gestudeerd en de psychoanalyse naar Triëst gebracht, dat toen net bezig was in een kliniek voor zenuwlijders te veranderen. De freudiaanse hocuspocus toverde Saba op de sofa naar zijn kindertijd terug – hij leed namelijk aan een ontwikkelingsstoornis, die zich in regressieve verlangens naar zijn Sloveense voedster uitte, hij was vermoedelijk biseksueel (hij beschrijft zijn seksuele initiatie in de novelle Ernesto), en iedere viespeuk kan natuurlijk ook van die geit nog een lustobject maken.
De leer van Freud – een van de betere romanschrijvers uit de vorige eeuw – heeft voor een zenuwpatiënt ongeveer evenveel nut als een verrekijker voor een filatelist. Later zou Saba verklaren dat Freud weliswaar over een ‘geniale intuïtie’ beschikte, maar dat zijn geneeswijze ‘ontoereikend’ was. De enige therapie waar hij werkelijk baat bij zou hebben, was de poëzie, de oudste methode waarover de mensheid beschikt om haar demonen te bezweren; en ook de beste, aangezien alleen het irrationele in staat is het irrationele te bezweren.
Saba’s werk is dan ook schaamteloos autobiografisch. Zichzelf noemde hij ‘de helderste dichter ter wereld’. Van het modernisme trok hij zich niets aan; dichters als Montale vond hij bovenal abstruus en onbegrijpelijk. En toch is Saba een belangrijk dichter, misschien omdat zijn oeuvre niet alleen over hemzelf gaat, maar tegelijkertijd veel meer is, een treurzang over Triëst, een elegie over Europa en een klaaglied over de condition humaine. Vijftig jaar na zijn dood (hij overleed in 1957) is zijn reputatie in elk geval veel groter dan tijdens zijn leven.
Wat het gedicht ‘La Capra’ betreft nog het volgende: niets vat de vorige eeuw beter samen dan het rijm van vita op semita.

___________
Benno Barnard publiceerde zojuist Dagboek van een landjonker (uitg. Atlas Contact).