ROBERT VORSTMAN - KLEIN PORTFOLIO

Vissenkom, 50 x 40 cm


Londen, 40 x 50 cm, 2013



In Waterland, 80 x 60 cm, 2013


Bank, 35 x 25 cm, 2012


Pick-up, 30 x 24 cm, 2011


Orange, 80 x 60 cm, 2011


Chesterfield


Broome, 60 x 50 cm


 Bakfiets, 40 x 30 cm, 2010


Boot, 60 x 30 cm, 2010


Dijk, 60 x 40 cm, 2013


NDSM-terrein, 40 x 30 cm, 2013


NDSM-terrein, 2014
 ______________________________
        Robert Vorstman (1975) woont en werkt in Amsterdam. Hij exposeerde o.a. meerdere keren in Galerie Mokum, Amsterdam. Website: http://www.robertvorstman.nl


RIKKI DUCORNET - ZOEM



Vertaling en inleiding Laurens Vancrevel
 

De bergkast van de bijen-filosoof (object van Rikki Ducornet)

Ter inleiding
Met de publicatie van The Stain in 1984, gelijktijdig in de Verenigde Staten en Engeland, was de reputatie van de Amerikaanse schrijfster Rikki Ducornet (*1943 New York) als nieuw talent van de literaire fantasy gevestigd.
De gezaghebbende Engelse recensent Robert Nye prees haar stilistisch meesterschap en haar grote talent voor humor: ‘dit is de briljantste eerste roman die ik in jaren heb gelezen.’ De fantasy-schrijfster Angela Carter noemde haar boek ‘een opstandige uitbundigheid, zowel bijzonder geestig als melodramatisch en ontroerend’. Sindsdien publiceerde Ducornet, die al opvallende poëziebundels op haar naam had staan, twaalf romans en verhalenbundels. Afgezien daarvan is zij een schilderes van naam, en zij illustreerde tal van boeken, onder andere van Jorge Luis Borges. Haar meest recente roman is Netsuke (2011).
Rikki Ducornet heeft langdurig in diverse landen gewoond: Canada, Egypte, Algerije en Frankrijk; haar verhalen zijn vervuld van herinneringen aan die perioden. Thans woont zij weer in de Verenigde Staten, in de staat Washington, waar zij ‘creative writing’ doceert aan een universiteit.

L.V.


ZOEM

*

DE ZOEMWONING


– De gunstigste huizen zijn gebouwd van draad en wind. Ze zijn beslist nogal fragiel en gauw rommelig, maar toch is het zoals de filosoof heeft gezegd:

Het nest in de boom
Het oog in het hoofd
De gedachten in de geest
De fallus in de vagina –
Die zijn alle onderhevig aan onvoorzienbare rampen.

Met andere woorden:

Slechts een gek verwacht dat dingen vast blijven zitten
Slechts een gek verlangt naar bestendigheid
Alle dingen zoemen en brommen en schreeuwen in vreugde maar kort:
Zelfs honing smelt in de zon
Dat is het dan
– Manda

– Dit huis is gebouwd van knopen. Die vrolijken de lucht op. Een tijd lang brengen de knopen het boze oog in verwarring en ze houden het huis veilig voor minnaars. Met belletjes omgeven hangt de polyfallus aan het plafond. Hij slingert heen en weer, en wijst dan weer hier dan weer daar naar toe, boven de sponde van de minnaars. Zijn naam is Fascinus, hij is misschien gemaakt van brons of porselein, goud of door de zon gebakken leem. Maar als hij breekt moet hij onmiddellijk vervangen worden. Want het spreekwoord zegt, en terecht:

 Een gebroken polyfallus brengt rampen over het huis

Manda zegt daarover:

Alleen een gek houdt zo’n ding in zijn vertrek. Een oude stier in de opwinding van de lente, te breekbaar om nog te neuken, kan alleen maar loeien als de vergeetachtige koeien voor zijn ogen één voor één worden gedekt.

– Veilig in hun luchtige nest omhelzen de minnaars elkaar vurig, veilig omdat ze weten dat alleen een gek, die zich verschuilt in de struiken, het wagen zou om naar hen te loeren.

– De minnaars denken, net als alle minnaars, dat ze alleen zijn, als de gek, blozend van wijn, inderdaad vlak bij hen rondsluipt. Hij heeft de rinoceros niet in de gaten die stil in de schaduw staat en van vermoeidheid bijna omvalt. Een windje steekt op, de polyfallus klingelt vrolijk. Als de rinoceros omvalt heeft de gek nauwelijks de tijd om te schreeuwen.

– In de midzomernacht mag je de draden met honing bestrijken zodat bij de dageraad de bijen het huis zullen vervullen van gezoem. Dan gaan de minnaars, uit hun sluimer ontwaakt, luid lachen. Zo is het altijd geweest.

– Manda vraagt zich af:
En wat is er met het huis van de gek aan de hand? Zo stil nu! Zo leeg! Waar is het gekkenhuis van gemaakt?

– Ach! Maar het is gemaakt van geklopt koeienleer dat flink is beslagen met spijkers. De vloeren zijn belegd met purperen tegels, en de voordeur is van ijzer. Het is erop berekend om allerlei hinderlijke dingen te weerstaan, maar als de Dood aanklopt is er niets meer aan te doen! Dan zou het huis net zo goed van zand gebouwd kunnen zijn, en door mieren worden bewaakt!

– Mendel is het daarmee eens:
Zo is het, Manda! Maar vertel me nog wat meer over het huis dat druipt van de honing! En over de fallus die huilt van genot! Vertel me over de polyfallus die, als hij heen en weer wordt bewogen door de wind, muziek maakt. Vertel me over het geluk van de wind en van het weer, over een huis dat open is voor het licht van de sterren! Vertel me over de minnaars, Manda! Over hun expressieve gezichten! Over de lieflijke posities die het lichaam inneemt om extase te bereiken zonder een gedachte aan schaamte te besteden! Beschrijf het meisje, als je wilt, want dat heb je nog niet gedaan! Is ze lang en slank als een aal, of hangt haar lichaam omlaag als een boom die rijp is van de vijgen? Zijn haar ogen zwart of hebben die een andere, zeldzame kleur – bij voorbeeld lichtbruin of geel, als de ogen van sommige katten? En vertel me, vertel me alles wat je weet over hun geluk! Hun geluk, vooral dat, Manda! En als er geen geluk is, oh, oh! Als ik daaraan denk moet ik al huilen!

Manda antwoordt:
Het huis maakt niet uit, en ook de gedaante die de dood aanneemt doet er niet toe, of het nu een rinoceros, een stier of een bijenzwerm is, maar weet wel dat het geluk altijd ontbreekt, vroeg of laat.

Alleen een gek denkt dat hij wat dan ook kan behouden. Niets in dit heelal kan langer worden vastgehouden dan een ogenblik (en wat is een ogenblik anders dan een mislukking om de tijd vast te houden).


*

Toen Klansinia stierf was de Koning in zijn sas. ‘Niets kan haar vasthouden,’ zei hij, ‘geen klaagzang noch een gebed, noch met Arabische gom doortrokken windsels. Zelfs de koperen vaten die haar ingewanden zo veilig omvatten zullen op een dag in brokken worden gesmeten door het gestage geschreeuw van de sterren. Daarom is het zinnig om te gaan feesten. En als de tijd daar is, ook om je ingewanden te ledigen.’

Alleen een gek probeert te behouden wat zijn ingewanden in hun wijsheid graag zouden lozen.


*

DE BERGKAST


– Die moet ruim genoeg zijn. Als de buurman naar binnen stormt op zoek naar zijn onberekenbare vrouw moet die ruim genoeg zijn voor haar om erin te zitten. De buurman zoekt dan overal, maar hij denkt niet aan de bergkast. De vrouw is zwaar van de vette vis en de curryrijst; haar gezetheid is legendarisch – net als haar eetlust. Haar borsten zijn rond als broden, ja, ze zijn zo rond en geurig als de broden waar wij van houden, broden gevuld met olijven en bezet met grove korrels zout.

– Wat is die kast knap ontworpen! Die lijkt veel te nauw, en toch – wonder boven wonder – kan haar ruime omvang daarin buigen en draaien, als ze maar haar hand in haar mond stopt om niet in schaterlachen uit te barsten. Wat is haar mond mooi rood!

– Er zijn vele soorten kasten: sommige zijn om in te slapen, andere voor het bedrijven van de liefde, weer andere voor het wegbergen van de kerstbroden of voor het drogen van vis. De kat, die eronder ligt te slapen, behoedt de kast voor overlast. Zijn klauwen zijn als scheermesjes, zijn tanden zijn als van staal, zijn adem is als vuur. Wat voor soort kat is dat? Even gestippeld als een luipaard, even gestreept als een tijger. Kijk eens, hij heeft zelfs manen!
Met uitvoerige excuses loopt de buurman de deur weer uit. De kat spint, de maan komt op, de wind steekt op, de polyfallus rinkelt gezellig met zijn belletjes vanuit de dakspanten, de bergkast kraakt...


*

HUISELIJK LEVEN


– Degene die zich in de bergkast heeft verstopt tussen het serviesgoed, de Overspelige die zich daar stilletjes verbergt, bang om te niezen, en degene die, als hij maar een kik zou geven, zijn maîtresse en zichzelf in het verderf zou storten, pakt de huisgod in zijn beide handen, en smeekt hem om de Onverwachte Echtgenoot opnieuw op pad te laten gaan onder het een of andere voorwendsel. Het hoofd van de god is een stierenkop met twee horens. Hij heeft het lichaam van een mens en het gevederde achterste van een vogel.

– Hurkend in het donker en nauwelijks ademend vraagt de Echtbreker zich af:
Als ik de Minnaar ben en niet de bedrogen echtgenoot, waarom voel ik mij dan vernederd?
Hij vraagt zich ook af:
Als schoonheid en waarheid het licht zijn, wat zit ik hier dan te doen in deze donkere bergkast?

Zulke gedachten worden onderbroken door de stem van de Maîtresse:
‘Echtgenoot!’ roept ze, ‘ik heb zo’n trek in broodpudding!’ Of: ‘Er is geen boter meer voor de lamp!’ Of: ‘De kaas is op!’ ‘Er is niet één olijfje meer, geen korrel suiker, geen zout; geen pakje thee, geen naald meer in huis.’
De echtgenoot gaat er weer op uit, die arme dwaas, met de mand in zijn hand, zo goedig als een kindermeisje.
De Minnaar maakt zich uit de voeten, een kus, en hij is verdwenen. Hij had niet sneller kunnen lopen als er een veer in zijn gat was gestoken. In een oogwenk heeft de nacht hem helemaal verzwolgen.
Aldus overwint het huiselijk leven zoals het altijd heeft gedaan, hier, daar, elders en overal.


© Rikki Ducornet, 2014

JACQUES LACOMBLEZ - DE VERSCHEURDE LEGENDE



vertaald en ingeleid door Laurens Vancrevel

met een schildering van de dichter




Ter inleiding

De Waalse dichter en schilder Jacques Lacomblez (*1934) noemt zich soms een ‘mallarméaan’. Deze typering van het eigen werk verwijst naar het streven van de symbolistische Franse dichter Stéphane Mallarmé om in poëzie synesthesie te bereiken: het zintuiglijk samenvallen van betekenissen, beelden en klanken. Mallarmé heeft trouwens ook opgemerkt dat muziek en beeldende kunst in hun hoogste uitingen vormen van poëzie zijn. Die opvatting heeft Lacomblez van jongs af aan geboeid; zijn passie voor tekenen en schilderen ontwikkelde zich samen met zijn dichterschap, en het beluisteren van muziek heeft zijn leven steeds bezield.
De eerste dichter die hem inspireerde was Jacques Prévert, de meester van een soepele, zangerige vorm van dichten; maar al spoedig verschoof zijn belangstelling naar het meer complexe werk van Henri Michaux en dat van Benjamin Péret, die zich beiden hebben laten leiden door vrije associatie en automatisme.
Voor Lacomblez zijn poëzie en schilderkunst altijd nauw met elkaar verbonden geweest. Hij zei eens, dat hij een voorkeur heeft voor poëzie boven schilderkunst wegens haar ‘onmiddellijkheid van de gedachte, een gedachtestroom die geen enkel werktuig nodig heeft.’ Daar voegde hij ironisch aan toe, dat zijn schilderijen ‘een soort surrogaat van een niet-mogelijke poëzie’ zouden kunnen zijn.
Lacomblez debuteerde in 1962 met L’Aquamanile du vent – waaraan hij sindsdien een twintigtal bundels heeft toegevoegd. Zijn meest recente boek is Jetées d’exil (Brussel: Quadri, 2013). Hij heeft een heel eigen experimentele poëzie weten te ontwikkelen, waarin hij de ongebreidelde geest van de romantiek en het ‘magisch-bijkomende wonder’ van het surrealisme verwoordt. Hij bedient zich van poëtische beelden alsof het kleuren zijn. De betekenisfragmenten in zijn melodische gedichten doen vaak denken aan de spreuken van de voor-socratische filosofen.
Jacques Lacomblez was de uitgever en redacteur van het fraaie internationale tijdschrift Edda, gewijd aan experimentele beeldende kunst en poëzie. In 2011 verscheen zijn poëziecyclus Blazoen van het ultieme lichaam in Nederlandse vertaling bij Brumes Blondes. Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag wordt van 26 maart tot 26 april 2014 een keuze uit zijn beeldende werk van 1951 tot 2013 geëxposeerd bij Quadri Gallery, 105 Avenue Reine Marie Henriette, 1190 Brussel (voor openingstijden: www.galeriequadri.be ).

         L.V.



De verscheurde legende

In het vrijgemaakte gewest van de herinnering – die oude cartografie van het verlangen – cultiveerden wij tuinen, onvast als onrustige kudden, waar vrouwen zich kleedden met niets dan de wind die gunstig was voor de roep van hun lichaam. Ze wezen de domeinen af waar het woord is vervlochten met het raamwerk van de gangbare gevangenissen, gedeelde behuizingen, merktekens van de groep – de vleugels van het hoge spel diep weggestopt bij versleten verguldsel en bestorven parels in een zwijnenstal: een schipbreuk van avonturen achterin het berghok.

Wij leefden van verre honing, van verhalen over storm en welluidende schaduw: de liefde ruiste als bloed en had de nooit gehoorde smaak van snaren waarover wordt gewreven. De vrouwen waren zo mooi omdat ze de horizon in hun gezichtsveld hielden en ze zich voedden met spaarzame dauw en onverwachte strelingen, die daar de enige zaken waren die aangaven wat de overgang leek van nacht naar dag.

Het land had weidse dageraden en wijze rotsen; naar gelang van de richting van de regenval kon je daarop de ware naam van sterren lezen en de stilzwijgende wisselingen van sterrenstelsels.

Wijzen noemden wij degenen onder ons die volstrekt in staat waren dingen te verwerpen, maar die ook fijnzinnige ideologen van het genot waren en onverschrokken in het verkondigen van de deugd van overtreding. Een dergelijke oceaan van vrijheid heeft klippen, als een bittere nocturne van tegenspraak.

Wij kenden geen seizoenen: alle weersgesteldheden kwamen ons kort bezoeken, ze zorgden ervoor dat ze onophoudelijk hun dorsvloer veranderden. In de stille uren – waarin je je er opnieuw toe zou moeten zetten om het leven uit te vinden – wanneer een onverschillige zon zijn grote praalmunt liet slingeren in een hemel van niets, boden fabelachtige passanten, die graag afgronden strelen, ons hun rustplaats aan en ook hun grove nalatigheid, een zeer verheven dandyisme dat onze zorgen deed vervagen. Ze waren voor ons het onvoorziene van de geest, wij waren voor hen het toeval van de ontwikkeling. Maar steeds lieten ze, als om een vluchtige maar ook rituele kameraadschappelijkheid af te bakenen, een paar nooit eerder gehoorde woorden voor ons achter, woorden van oude oorsprong, wellicht met veel moeite geplukt van de lippen der bodemloze diepten, ginds in de hoogte.
        Samen met het huiveringwekkendste dat we meedroegen in hart en handen schoven wij die woorden heimelijk onder de massief stenen tafels, waar niemand zich waagde.

Wij hadden vernomen over de Afstand die essentie verpatst aan de Afwezigheid. Kennen was niet meer te benoemen. En de zwijgzamen onder ons, de schatbewaarders van het woord, die er prat op gingen de stilte te kunnen temmen op een paar afgerasterde lappen dorre grond, brachten naar voren dat de Daad en het Verhaal met elkaar samenvielen; knoestige, onvruchtbare discussies over de onbetrouwbaarheid van het geheugen bemoeilijkten de gesprekken. We raakten veel virtuoze vogels kwijt die zich stoorden aan ons gepraat. De betovering sloeg om in grauwheid.

Wij hadden de valstrikken van het hoe aangeroerd, een onanie van het denken waardoor de spiegelingen verveelvoudigd worden. De Tijd echter volhardde in het uitvinden van bomen, bergketens, heuvels, rivieren en dingen... Wij zetten ons weer aan het lezen van de rotswanden, onze vingers volgden trouw de kronkels en scheuren, die de erotische smaak hadden van kristallijne rietbossen.

We hernamen onze reizen door de aderen van het woud, vol begeerte naar toevallige ontmoetingen en omleidingen. De adelaars hielden ons op de hoogte van de kartelingen van de bergtoppen en van het ware gewicht van de lucht, een onzichtbare rijp van doorschijnendheid. Opnieuw tilden de schemeringen vluchten van levende schitteringen omhoog, die kortstondig waren maar ook plechtige momenten in het afnemend daglicht.


*

Dit beetje lucht, gedoofd in vlammen van de Daad,
    Zo verhuld, zelfs bij het vallen van de sluier,
Ternauwernood een ademtocht die van sterren sprak
    In de verblufte blindheid van omhelzingen
En de verbleekte glans van de allereerste Brief,
    Die het vuur van de oneindige Reeks meebracht –
Kunnen die, als alle heldere sterren tanen en de koepel
    Van de pauw der duisternis de dageraad gaat huwen,
De valse lichten van tersluiks ontwakend goud nog blussen?


*



... Nederlagen binnen onze muren
met open angstogen gesperd in onze afgronden
ook bedoel ik de afgrond van ons lichaam
wanneer we de gelofte hebben aangedurfd
ons altijd te gaan hullen in veel tegenwind

... Nederlagen van het verlangen
om alleen maar drempels te overschrijden
door de bliksem gekliefde drempels
slechts om de verwonding te ervaren
zonder ons te bekommeren om de roep van mist
en van verlatenheid

... Nederlagen van de Legende, het samenweefsel
van het naakte laken van opgegeven verwachtingen
met de genade van verspeelde liefkozingen –
dat de zee als wrakhout uitbraakt
tussen wat aan drenkelingen houvast biedt

... Nederlagen van onze geloften
die de eens uitverkoren woorden
van de met littekens overdekte stem
van de rotskust niet konden verloochenen

Nederlagen! Eretekens van ongenaakbare visioenen
Nederlagen! Open wonden van mislukkingen

Ach, onneembare schoonheid van vruchtbare ruïnes!


© Jacques Lacomblez, 2014