RENÉ GYSEN - EEN VLAAMS DORP HANGEN




(Het doek gaat op, het publiek ziet de auteur nog wegvluchten, hij excuseert zich onhandig: hij is een dichter, maar hij kan niet verhelpen dat... Zijn hand, tastend op haar dijen, zocht het zachtere vlees, dat tevens (universele verwondering) de warme intimiteit aankondigde).
Ze sprak gewoon voort.
Ze reageerde niet, schrok niet, weerde zijn hand zelfs niet af.
Alsof het vlees geen menselijke dij was, maar een volmaakte nabootsing in rubber van haar zachtheid. Heerlijke twijfel, daar hij zeker was van de vreesachtige nabijheid, de vleselijke aanwezigheid dat wat daar te grijpen hij zo brutaal moest zijn zou ze wel. Maar daar hij – of hoe het vlees ironisch met de geest speelde – meteen haar grote weerloosheid op alle vlakken voorvoelde, vond hij geen glorie. Hij verzaakte. Dat was niet moeilijk nu, hij voelde zich machtig. En nog edelmoedig ook. Hij keek haar aan en glimlachte, zeer verliefd.
Ze glimlachte terug, verliefd, zeker hem te bevallen.
Ze twijfelde er niet aan dat ze hem in bezit nam. En ze had gelijk ook. Ze bezat hem door weerloosheid.
Ze glimlachten elkaar toe.
Ze hielden van elkaar dat ogenblik.
‘Ik zit de hele tijd naar die muur aan de overkant te kijken,’ zei ze, met iets onverwacht kalms in haar stem, ‘het is gek dat hij wat schuin loopt, en dat je het soms merkt, en soms niet.’
Ze had zijn hand genomen om ze te strelen.
De muur zag er vriendelijk uit.
Met beide handen hield ze nu zijn beide handen vast, hun armen lagen kruiselings, en met zijn voorarm, die nu op haar dij lag, voelde hij een hobbelig knopje. Hij herkende het. Hij glimlachte.
Overigens een gewone muur.
Haar dij tegen zijn dij.
Haar voet tegen zijn voet.
Wat een wereldwonderen!
Ze glimlachte. Zenuwachtig, want hij had haar hand ergens laten vallen. Die ze dadelijk wegnam.
Ze stonden op en wandelden wat verder. Haar hoofd lag vertrouwelijk in zijn hals.
Of ze stapten b.v. in de wagen, die wat verder geparkeerd stond.
In een straat.
Aan een veld, een weide.
De zoom van een bos. Daar verdwaalde de klaarheid van de dag, slechts twintig, dertig meter dieper.
De deuren klapten toe en ze reden weg.
Een nieuwe doos, een nieuwe lade werd uit de kijkkast geschoven.
De door snelheid en staal van elkaar afgezonderde auto’s op de snelle, rechte autostrade, gehele zondagse huisgezinnen, van andere huisgezinnen afgezonderd, door staal en snelheid, en door de warme familiale beslotenheid, waarvan ze in de eigen wagen bloedschandelijk genoten, nauwelijks in het voorbijsteken gestoord door staal en snelheid, of een glimp van boerse nieuwsgierigheid, even elkaar wederzijds aangapend, onbeschoft en grauw, en de herinnering aan deze onbeschoftheid, de enige uiting van menselijkheid en mogelijke vrijheid, van overschrijding, verboden door de oedipale berekening 2445 (d.i. 24 + 45 of 4 x 6 + 5 x 9) = 69, totaalbeeld van de gnostische tegenstelling, of het mannelijke gedood door het goede huis, het comfort door moeder en zuster wellustig bemind te worden, en verdere byzantijnse overwegingen. Maar het staal en de snelheid.
De zon die door de wolken schiet en de hemel verdeeld in licht en wereld, auto’s en huizen, diepte en foto van wolken. Een hemel die voorbijschiet. En de zon bedekt.
Ze reden in de diepte tussen twee dijken. De dijken groeiden toe en ze werden dijk van de dijk.
Of de verlaten hobbelende kasseiweg, tussen de vele weiden, zich uitstrekkend tot aan de horizon, met slechts hier en daar, maar onbereikbaar een eenzame boerderij, en als laatste boei aan de verste einder de belofte van een onbeweeglijke kraan en andere tekenen van veilige haven.
We reden in de regen langs Stabroek, hotsend over ongebruikte tramsporen, een afgedankte hangar, naar Berendrecht. Hoevenen lag reeds ver achter ons.
Deze dorpen zijn veroordeeld om te verdwijnen: Zandvliet, Berendrecht, Lillo. Zoals het reeds gebeurde met Oorderen, Wilmarsdonk, Austruweel, wegzinkend in de opgehoogde aarde, weggespoeld door het openen van nieuwe dokken, overrompeld door de vestiging van nevenindustrieën, de spits van een oude kerktoren nog tussen twee wallen opstekend als de hand van een drenkeling.
Grappig is het dat juist die dorpen bekend staan om de jaarlijks terugkerende gewoonte van het ganzenrijden. Men hangt de gans met de poten gebonden aan een houten galg. De boeren rijden er te paard onder door en trekken in het voorbijrijden krachtig aan de hals van het dier. Ze vormen aldus een eindeloze rondedans van wreedheid die een omtrek van ongeveer tweehonderd' meter heeft. Wie het eerst de kop afrukt is .koning van het ganzenrijden.En nu rukken door eenvoudige havenuitbreiding grotere ruiters deze domme dorpen de kop van het lijf.
Vroeger ging dit met meer luister gepaard, vroeger hing een levend dier aan de galg.
Maar, al moeten we het missen de ter dood veroordeelde in paniek te zien opfladderen, het is toch een schouwspel dat we niet wilden ontberen. We zullen zo wijs zijn met schuldige ogen toe te kijken. We willen de gans begrijpen en waarom ze dood is. Daarvan vervuld willen we liefhebben, liefhebbend wil zij die naast mij zit vervuld worden van de dood van de heilige gans.
Daarom reden we naar de Solft en parkeerden nabij de Berenpaal.
Iedereen weet immers wel dat de liefde het goed met de wreedheid kan stellen.
We wandelden en we naderden.
We wandelden in het seizoen, langs muren van lood, wit en oog, het prilste van alle leven binnen, de beginnende adem van het jaar, april en regen.
We verlieten de stad, de haven.
Tussen muren van dijken reden we, waarop de richting van de wind en rijen van bomen groeiden, met gebogen ruggen en een wilde haarbos, en soms lagen we even aan bermen herinnering van paartjes, vrienden die zich zetten naast elkaar onder zonnige hemels.
Maar dan, de grauwe lucht was onze vader, toen we heel klein waren, een breed stuk uit het achterste van een oude werkmansbroek gescheurd, waarachter goedkope lampen lonkten.
Hobbelend over kasseien voor het trage rookgordijn van regen, dat zich verplaatste.
Tot het dorp.
Tot we meerden aan de berenpaal.
We keken angstig toe en Oh! in de donkere, dreigende wolken, achter de dorpstoren, verscheen de steigerende kop van een reusachtig boerenpaard.
We zagen, de dolle regen, en de mensen schuilden als frakken, als natte vaandels tegen de muur, als lieden.
We zagen.
Nauwelijks een handvol menigte keek besluiteloos met kleuters en pakjes fritten en een verloren hond. Het landerig feest van vergane folklore door nerveuze inspuitingen van lokale reclame nog een tijd in het leven gehouden. Soms richtte de zieke zich moeizaam of hij iets ging zeggen, maar de zon verdween weer achter de wolken, en liet ons manziek achter. Het was een feest van zondagnamiddagen, waar de kinderen naar toe mogen.
Een eindeloze horloge van boerendenken met plotse schokken van op gang komen en even snel stokken, voorbij de galg van geboorte, elektrisch bijna als de flitsende lichten van grillig weer.
De hotsende botsende vonken op de kalseide, geruite doeken uit de keuken, als zadels, op de opgetuigde paarden uit Brabant, waarvan we meermaals het prachtige rubensiaanse achterwerk bewonderden, en de op die bruine oppervlakten profijtig gedeponeerde lichtblauwe en witte rozen van papier, onopvallend als de hobbel van de afgehakte staart, en aan de ooglappen, en de dikke poten.
We zagen geen sterren.
De melkweg van de hals van de hangende gans: een schot in de poldergrond.
Insnijdingen op de Solft, het likkende bloed op de helwitte hemden van de ruiters en de magere betekenis van deze erewonde door niemand begrepen, ik vraag eerbied voor de gans die gaat sterven, maar iedereen aanvaardde dat ze reeds dood was, en dus niet erg, noch verboden, mijn niet afgewende blik. Ontmoette enkel de blinde ogen van het zwarte dorpsplein, het korte gras, als weg de door stampende hoeven omgeploegde, zware poldergrond (werd eindelijk op die dag de aard van onze boerenmensen omgewoeld, en wat vertoonde hij? donkere, vruchtbare aarde? onontgonnen, onbegonnen, ongevormde kracht? we hadden die aarde wel willen eten, en haar geheim: zijn de wortels in die aarde mijn landgenoten?) maar waarom deden ze het dan, reden ze dan de eindeloze vertelling van een onmogelijke dorpshistorie.
Hier kijkt een groep mensen om en verwijdert zich schuin in de richting van een verlicht uitstalraam.
(De begaafde auteur buigt herhaaldelijk naar het publiek, kijkt even rond, glimlacht voorbarig en begint).
Het ballet
van de onmogelijke dorpshistorie
Er waren eens twee mensenkinderen, die hadden elkander lief.
Er waren eens...
(tussen twee pinten gelig bier, veel rook van zware tabak en flitsen van een kleine, oude toogbank of soms fragmenten van afbladderende, donkerbruine stoelen, in de spoedig gevormde kring, vertelde hij van een man, genaamd Lillo, en de domme gans Piet, die over de tong reed, waggelend naar haar man zonder wie ze niet kon leven).
Er waren eens hij en zij.
Zij heette Piet en had een geweldig lijf, vooral een paar billen en een kont als een Brabants paard, borsten als Vlaamse konijnen, en daarboven een zachtblozend, maagdelijk gezicht als een echte stevige appel van bij ons, nat en fris van de regen. Men vertelt dat ze op een dag vijfenzeventig kilo was kon kloppen, alleen een paard omhoogstak, en eten klaarmaken voor zevenendertig mensen en veertien beesten, negentien kinderen verschonen, twaalf keer per dag een bedlegerige grootmoeder naar het w.c. brengen en terughalen, en een zieke grootvader navenant, en de keuken schuren, de opkamer, de konijnen, de kiekens, en haar christelijke plichten volbrengen.
Hij was Lillo.
Hij beminde haar zeer. Maar hij was niet met Piet getrouwd, zij deelde de echt met een ander.
Daarom had zij Lillo zo lief, omdat hij door zijn liefde zo onzeglijk nabij was, en door haar echtelijke trouw zo onmetelijk ver, daarom beminde hij Piet. En de echtgenoot die ook Piet heette, een klerikaal hoeft het gezegd, zat veel in verdachte kroegen (bij Mieke van t Spieke), en bovendien was hij penningmeester en feestbestuurder van Spora. Hij was bijna nooit thuis. Daarom juist voelde zijn vrouw, die ook Piet heette, zich verplicht aan Piet trouw te blijven, maar beminde ze een ander die haar ook beminde en niet Piet heette.
Ze hadden elkander zo lief. Maar Piet bleef bij Piet en Lillo alleen.
Zo kwam het dat Lillo steeds langer en langer werd en Piet breder en breder. Zij werd enorm en hij enorm lang. Steeds langer en langer. Ze hadden elkander lief.
Dit duurde al langer
                            lange
                             r  lan
                                 ger
                                   en
                                      l
                                     a
                                     n
                                     g
                                     e
                                     r
(hier houdt de verteller gelukkig even op wandelt driemaal rond de gelagzaal niemand luistert nog ontpopt zich onverwacht als een begaafd danser van boerencharleston niemand ziet hoe hij aan de eigen hals rukt en is de gans een zwaan?)
Laten we het kort maken: zoals dat in Vlaamse dorpen gaat: Piet bleef ontrouw aan Lillo, bedroog hem met haar echtgenoot, en kroop nu ook in bed met al de kennissen van de enige die ze haar lijf weigerde, zo ontwikkelden zich haar borsten en billen steeds enormer tot een geweldige struis gebald kluwen van een pronte Brabantse kont jedoch het verlangen van Lillo rekte steeds meer als de lange vlam van een populier naast een kerktoren naast lange wapper, en allen leefden lang, gelukkig en ongelukkig in het Vlaamse dorp Hangen.
(de auteur is nog slechts een uitgesponnen draad van regen aan een touwtje. Gelach als scheten barst los in de gelagzaal. Men roept op de volgende kunstenmaker, een accordeonist, een ijzerbreker, een klak gaat rond als een koster in de kerk. Het gelag werd betaald, met darmen en bloedmest en afgerukte domkoppen en centiemen. Een zot.)
We verbroederden met de boerengemeente als bijen. Geen onder ons was er die schreide. Pinten gingen hun ronde, en glanzend schuim hing verlicht en wit aan de mondhoeken, en goud en zwart van het bier. We verbroederden, met een scheet en een lach.
Een boerenridder zeide: ‘Ik heb een lief die heeft een steense muis die altijd uit haar korf springt en dan kan ik erachter jagen en proberen ze te vangen (legende van Sint-Joris met de draak). Probeer het maar eens een muis met de blote hand te pakken. Dat ze verdomme haar eigen steense muis in haar eigen korf houdt!’
We lachten tranen.
Men wees hem ons eindelijk aan, in een wandspiegel, hij stond al lang in een hoek, het omhoog kruipende lint van een berk, door hals en knieën knikkend voor de boerenridder, die een toevallige dag de laatste ganzenkop afgerukt had. Lillo, de derde koning, anno 1950.
We reden langs plassen, waarin de galg en de kop van het lege paard zich weerspiegelden.
Aan het Weel, uit een van de paar honderd bewoonde nesten die, als manden, in de takken van eeuwenoude eiken en beuken hangen, vloog een blauwe reiger op, ons voorgevoel, in de lucht tot groter vogel groeiend, statig als een schip, tot hij het zesde havendok bereikte. 

______________
uit: processie all stars, 1964. Zie voor verdere informatie: Verwarringen, regen, een hotelkamer.

RENÉ GYSEN - VERWARRINGEN, REGEN, EEN HOTELKAMER




Zou er ooit nog iets gebeuren met het werk van René Gysen, vroeg ik me af. Van de Vlaamse auteur René Gysen (1927-1969) verschenen slechts enkele prozaboeken, waarvan de belangrijkste bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar: processie all stars in 1964, Grillige Kathleen in 1966 en Op weg naar de literaire receptie postuum in het jaar van zijn overlijden. Er moet ooit, nee, eigenlijk altijd iets gebeuren met het werk van René Gysen vond en vind ik.
        Bij uitgeverij Houtekiet verscheen in 2003 nog een reprise van Grillige Kathleen, maar dat boek verdween spoedig in de ramsj. Navraag bij het Vlaamse Letterenhuis (waar men een Gysenarchief heeft) over de rechten van de literaire nalatenschap van René Gysen leverde een even aardig als onthutsend antwoord op: ‘Er zijn geen erfgenamen van René Gysen meer in leven, voor zover wij weten. Dat we zijn literaire nalatenschap hebben weten te redden, is op zich al een wonder.’
        Reden om ogenblikkelijk de prachtige, indringende openingstekst van processie all stars hier te publiceren, de eenzaamheidsmonoloog van een confectieverkoper in een warenhuis - wellicht als aanzet tot meer en in de hoop dat iemand zich meldt om bezwaar te maken, want dat hij of zij de rechten van het werk van Gysen beheert, zodat die rechthebbende tot subiete actie kan worden gemaand.

            Huub Beurskens



VERWARRINGEN, REGEN, EEN HOTELKAMER

Terwijl ik aan het raam van het café de la Paix zit te kijken (de regen slaat sterretjes en stippellijnen op de vensterruit)... Buiten haasten donkere gestalten zich tussen aandringende auto’s naar het trottoir, in een lichtschijnsel, naar een tot stilstand komende tram, op een veilige stoep. November en het hete water van mijn filter druppelt langzaam in het glas.
            In de regen lopen, ik sterf in deze wereld en de wereld sterft in mij, ik vervaag als mijn spiegelbeeld in het verregende vensterglas. De koude herfst denken, dromen: niets bestaat dat zuiver is, z-u-i-v-e-r-d-e-r... een nieuw licht tussen ons allen geworpen, ha, ha, over onze schouder, ik spring over een plas, even het glimmen op de natte schors van een boom, nat spat op, een auto passeerde – weer los ik op in de duisternis, het trouwe geluid van druppels in een goot, op een glazen koepel, zo moesten wij mensen zijn (als natte bladeren): de solidariteit van het water dat samen in plassen staat. Of langs trottoirs vloeit, en al wat het meevoert op een zelfde stroom, papier, bladeren, lucifers, een besmeurde zakdoek. De zwijgzaamheid van de voorwerpen in de etalages, het dulden van de eindeloze rijen auto’s, de bescherming van een boom, een huisstoep, belknoppen, namen, mensen, warmte.
            Ergens moet een plek zijn...
            Maar de ogen leiden een onafhankelijk leven in de tijd. Lijden. Het meisje, met haar biljartgroene kleedje ginder, ze is blond en drinkt een Schweppes. Zij drinkt een Schweppes en ik een koffie. Dat zou je zo lekker verwarmen van binnen. Ze kijkt niet. Ik lust liever koffie, hoor. Het wekt je op. Ze wil niet kijken.
            Wat scheelt me? Akkoord, akkoord, akkoord, te veel jaren reeds bevelen van vreemden ontvangen, en gehoorzaamd: op school eerst, later in het leger, ten slotte in dat verdomde warenhuis waar ik confectiepakjes aansmeer. Dat merkt men, ten slotte, aan je gezicht, aan je manieren en vooral aan dat ietsje van je gebogen schouders, je even te hoge rug. Mijn pak wordt wat kaal, en met mijn haarsnit ben ik een jaar of wat achter. Dat verklaart allemaal waarom het me nogal ontbreekt aan sexappeal. Houd je aan de werkelijkheid.
            Nochtans, deze zomer, toen ik na een ongelooflijk korte vakantie uit Parijs weerkeerde, in de auto van een fortuinlijker collega...
            Het was laat, en langs de Grote Baan doemden telkens uit het duister, weemoedig tegen de gevels der donkerder huizenvlakken geleund, eenzame jonge meisjes op, als bloemen op water liggend, ongeduldig, angstig en stil, door een bang voorgevoel, en die zich reeds lieten beminnen door het Wrede Geluid van de wagens, dat de avond aan stukken scheurde, het gesnor, gezucht, gedreun, gekrijs, tussen de wielen, van de banden, onder het ontketende staal.
            Ja, het onbegrijpelijke dulden der vrouwen.
            Dat waren tijden...
            Toen: maar nu: het blonde meisje heeft haar mantel aan. Ze staat op, schuift behendig vanachter de tafel, en wandelt statig naar buiten. Oef, de deur slaat toe, ze is verdwenen.
            Emmerdements de martyre. Zouden ze haar boze advertentie in de krant opnemen? ‘Onooglijke vrouw van moeilijk te bepalen leeftijd zoekt kennismaking met heer. Melancholiek, pervers, waanzinnig of gehuwd, geen bezwaar. Niet ernstig zich onthouden.’
            Ze zouden het niet doen. Zoiets verstaan ze niet. Wandelen in de regen. Op zoek naar vader.
            Hoe men zich zoiets nog herinnert, zo lang geleden… Ik, zo klein, aan de hand van moeder. Een openslaande deur, de tingeltangel van een automatische piano sloeg buiten, een wolk van geluid, maar daarboven de luide stemmen van mannen, goed te onderscheiden, en toch onbegrijpelijk, als de verre schaduwen van mensen achter een venster. Stemmen, ‘de grote koppen’, de ‘leiders’, ‘het werkende volk’, ‘zijn boterham verdienen’, ha, en verscheidene malen het woord zonder betekenis ‘zjap... zjap... zjap!’ Zijn we daar een tijd blijven staan? Een man kwam buiten, binnen hoorde ik het lachen van een vrouw. Politieagenten droegen toen nog een sabel aan hun zijde, niet van die lelijke, korte matrakken. Ook met het verkeer is het helemaal anders geworden; nu kan men in de stad nog enkel wandelen op een zaterdagavond als het niet ophoudt met regenen.
            En toch... en toch... en toch, ik mag in deze vreemde stad niet ten onder gaan, ik moet me handhaven. Morgen begint een nieuw leven, ik droom mezelf een onzichtbare lederen jas, of ik koop ze gewoon, zoals iedereen. Ze zal in de regen glimmen, gevaarlijk, de gladde huid van een katachtig roofdier onder het neonlicht van belachelijke reclames, l’eau qui fait pschtt, van morgen af word ik een zwarte panter, gevaarlijk, loens en wreed.
            Verschillende gevoelens vliegen naar verschillende hoeken binnen in mij. Alles warrelt door mijn hoofd. Hoe kwam ik in zulke ondergangsstemming? Het seizoen natuurlijk: november, pestmaand. Het gure weer, de regen, de koude. Het heeft zelfs gehageld rond vijf uur. En deze middag, in de eetzaal van het grootwarenhuis, een walgelijk gesprek.
            Ik nam er niet eens aan deel, ik luisterde het af. Je begrijpt (ja, ik begrijp het) er zijn maar enkele verkopers in het warenhuis, voor het overige een paar honderd meisjes en jonge vrouwen. Om een of andere reden, ik weet zelf niet welke, geven ze voor bepaalde afdelingen de voorkeur aan mannen: voor de tapijten en meubelen, voor de kachels en verwarmingstoestellen en ook voor de mannenconfectie. Zoveel vrouwen en bijna geen mannen, het schept een onbehaaglijke toestand. Een paar van mijn mannelijke collega’s schijnen er het gevoel van te krijgen dat ze een grote bek kunnen opzetten. Maar ik merk wel dat het de vrouwen en meisjes maar nerveus maakt. Je kent hun manie van zich overal en steeds de enige, de uitverkorene te willen geloven. Nu, die ongelukkige toestand op het werk, die hen zozeer in de minderheid plaatst, voelen ze aan als een onrecht en daarvoor wreken ze zich op ons. Je kan de would-be don Juan spelen, een vermoeiende rol, aangezien je dan de hele dag superieur en opgewekt moet doen, alhoewel de dames je niet bepaald aanmoedigen, behalve misschien een enkele dwaze, giechelende griet. Je kan het proberen als de goeie kameraad, zonder erotische pretenties. Dan word je de knul, de sul, dat ventje, die uit galanterie allerlei dienstjes te kwijten heeft en in de eerste plaats de vuile karweitjes op te knappen krijgt. En natuurlijk wordt het je toch kwalijk genomen dat je geen ‘echte man’ bent. Daarom houd ik me zoveel mogelijk apart. Wijze man, ik.
            Vandaag was het meisje van de afdeling gordijnen met verlof. Ze kijkt niet

PAUL CLAES - EEN VOORPROEF UIT PRUFROCK




Volgend jaar zal het een eeuw geleden zijn dat Prufrock van T.S. Eliot, verscheen. De bundel is nog nooit volledig in het Nederlands vertaald. Als vertaler van The Waste Land vond ik het dan ook een aangename plicht deze lacune te dichten.
         Eliots mentor, Ezra Pound, hielp bij het selecteren en rangschikken van de twaalf gedichten, waarvan de meeste al in een tijdschrift of bloemlezing verschenen waren. Zoals de volledige titel Prufrock and Other Observations zegt, gaat het om ‘observaties’: objectiverende waarnemingen door een individu.
         Eliots modernisme breekt met de romantische gevoelslyriek. Poëzie is voor hem niet zoals voor Wordsworth een ‘spontaan overvloeien van machtige gevoelens’, maar een afstandelijke analyse van gefnuikte verlangens. Zoals de personae van Robert Browning zijn de personages van Eliot maskers waardoor de dichter een levensgevoel vertolkt.
De setting van de gedichten dient als sfeerschepping: de troosteloze buitenwereld evoceert innerlijke droefgeestigheid. De decadente salons spiegelen het ongemak van het hoofdpersonage. De mistige atmosfeer van de voorsteden suggereert zijn besluiteloosheid. De avond en de nacht verbeelden zijn sombere stemming, de verwelkte en verschaalde geur van verval zijn levenswalg. Eliot past hier al de methode toe die hij later ‘objectief correlaat’ (objective correlative) zou noemen: de projectie van een subjectief gevoel op de objectieve wereld.

***
T.S. Eliot - Fragment uit het titelgedicht


En de namiddag, de avond, slaapt zo vredig!
Door ranke vingers gestreeld
Slaapt hij… vermoeid… of speelt
Dat hij hier op de grond rust naast ons twee.
Waar haal ik na gebak en ijs en thee
De kracht om het ogenblik tot een climax te dwingen?
Maar al heb ik na wenen en vasten, wenen en bidden
Mijn (lichtjes kalend) hoofd op een schaal zien binnendragen,
Ik ben geen profeet – dat kan ik niet vragen;
Ik zag mij één flitsend ogenblik lang verheven
En ik zag de eeuwige Lakei grinnikend mijn jas aangeven,
En ik was gewoonweg bang.

En had het hoe dan ook iets uitgehaald
Na de kopjes, de marmelade, de thee,
Tussen het porselein, tussen de woorden van ons twee,
Had het iets uitgehaald
Glimlachend met de deur in huis te vallen,
Het heelal samen te persen tot een bal en
Tot een verpletterende vraag te rollen,
Te zeggen: ‘Ik ben Lazarus, die uit de dood
Is opgestaan om je alles, alles uit te leggen’ –
Als iemand die een kussen verschikte achter haar hoofd
Dan zei: ‘Dat is helemaal niet wat ik bedoel.
Nee, dat is niet wat ik wou zeggen.’

En had het hoe dan ook iets uitgehaald,
Had het iets uitgehaald
Na de zonsondergangen en de voortuintjes en de besproeide straten,
Na de romans, na de theekopjes, na de rokken die slepen door de zaal –
Na dit, en wat nog allemaal? –
Het is onmogelijk uit te leggen!
Maar alsof een toverlantaarn zenuwen op een scherm projecteerde:
Had het iets uitgehaald
Als iemand die een kussen verschikte of zich ontdeed van een sjaal,
Zich naar het raam toe keerde
En zei: ‘Dat is niet wat ik wou zeggen,
Dat is helemaal niet wat ik bedoel.’

***
___________________
Prufrock zal dit voorjaar in een tweetalige uitgave met een nawoord van Paul Claes verschijnen bij uitgeverij Koppernik.
Paul Claes (1943) is onder meer classicus, prozaïst, dichter, essayist en vertaler. Tot zijn recente publicaties behoren Ziel van mijn ziel. Elegieën (2015), Plastic Love (2013), Zwarte zon. Code van de hermetische poëzie (2013) en de Franse vertaling van Martinus Nijhoff, Awater (2015).