WIEL KUSTERS - 'ECLIPS' & 'NIJMEGEN'




eclips


Wij verheugden ons. Ik had mijn klappertjespistool
gepakt. Om vijf minuten over 1
zou bij heldere hemel
de zon verduisteren.
Wij waren voorbereid.

Ik kreeg van mijn broer een foto-
negatief en hield het zwarte celluloid
met lichte plekken
voor mijn ogen.

Ik zocht de nog onverborgen zon.

Op het negatief een helle zomerdag,
mijn vader tussen de aardappelplanten, 
moeder die de was uithangt.

Mijn broer beroette een stukje glas
met een brandende kaars.

Hij keek op zijn horloge.
Daar begon de eclips. 

Ik tuurde naar vader en vuurde
op de maan.

Na afloop door het zwarte glas
een blik op de wereld die
even verduisterd was.

Wist niet wat ik zag.


        ***


nijmegen


Wij wandelden getweeën,
rond de Stevenskerk, vader,
in de stad waar je beukennootjes 
voor mij had geraapt.
Iets verderop lag
je ziekste zoon.

Na jaren was die zijn leven
meester. Wij vierden de uitslag, niet
van bloedonderzoek of beenmergpunctie
maar van een examen
aan de universiteit.

Wij liepen. Minuten aan het feest voorbij,
nooit zo samen, maar ook zo vreemd ver
dat ik herwin wat ik nooit daar verloor.

Ik kan je elders, hier, kennen als vertrouwd,
herinnerd nieuw, onwennig oud.


MARTIN REINTS - HET LANGE LANGZAME KIJKEN VAN PETER B. VAN HOUTEN



De snelle waarneming
van de vlekken om hem heen:

in een afremmende trein, in een rijdende auto,
in de keuken op weg naar de gang

en het trage kijken tussen de vlekken door:
vanuit de rijdende auto naar een tankstation in de verte
of naar de verkeerslichten of naar de richtingborden bij een kruispunt

terwijl je langs de keukentafel loopt naar een hand die een glas pakt

vanuit de steeds langzamer rijdende trein
naar een schip op een rivier

bij iedere beweging de beslissing waarnaar te kijken
en waarover na te denken, met ons apenbrein

dat een plan maakt:
morgenochtend verderop rustig vijgen eten,

nu in deze vlekkerige boom op de route snel
een nest bouwen voor de nacht.


_________________
Martin Reints (Amsterdam, 1950) publiceerde vijf dichtbundels: Waar ze komt daar is ze (1981), Lichaam en ziel (1992; bekroond met de Herman Gorterprijs), Tussen de gebeurtenissen (2000), Ballade van de winstwaarschuwing (2005) en Lopende zaken (2010), en een essaybundel: Nacht- en dagwerk (1998; bekroond met de J. Greshoffprijs). Hij schrijft voor de website van De Groene Amsterdammer en werkt aan een zesde dichtbundel die in 2016 zal verschijnen.
            Voor werk van Peter B. van Houten: http://www.peterbvanhouten.nl/website/landschappen/

JOHN BRIGGS & F. DAVID PEAT - DE FRACTALE NATUUR VAN HET GESCHAPENE



In zijn boek De grammaticale aap1 stelt Octavio Paz: ‘De dichter ziet alles naar één punt lopen, aan het eind van de straat. … In de duizelingwekkende vertekende optiek openbaart het universum zich niet als een opeenvolging… maar als een stelsel van een en al roterende werelden.'
         Als een dichter een nuance tot ontplooiing laat komen, lijkt dat op de iteratie van een vergelijking in het grensgebied tussen de orde van het eindige en de chaos van het oneindige. De schepper ontdekt de zelfgelijkendheid. Laten we als voorbeeld van deze zelfgelijkendheid eens kijken naar het volgende gedicht van Pulitzerprijswinnaar Richard Wilbur.

de schrijver2

In haar kamer in de voorsteven van het huis,
Waar het licht breekt en de linden in de ramen deinen,
Zit mijn dochter een verhaal te schrijven.

Ik houd stil in het trappenhuis, hoor
Door de dichte deur het geratel van typemachinetoetsen
Als een ketting over een dolboord.

Op haar jonge leeftijd is de stof
Van haar leven een hele lading, die deels zwaar is:
Ik wens haar een gelukkige overtocht.

Maar nu is zij het die stilhoudt,
Als om mijn gedachte met zijn gemakkelijke beeld af te wijzen.
Er groeit een stilte, waarin

Het hele huis lijkt te denken,
Dan is ze er weer met een hoop geraas
Van aanslagen, en opnieuw is het stil.

Ik moet aan de verdwaasde spreeuw denken
Die in dezelfde kamer gevangen zat, twee jaar geleden;
Hoe we binnenslopen, een schuifraam openden

En ons terugtrokken om hem niet bang te maken,
En hoe we een hulpeloos uur lang door een deurkier
Het glanzende, wilde, donkere

En iriserende schepsel
Tegen de schittering op zagen knallen om als een handschoen
Op de vloer te vallen of op de werktafel,

En er te wachten, gehavend en bebloed,
Op de impuls om het opnieuw te proberen, en hoe opgetogen
We waren toen hij, gewoon zomaar,

Van een rugleuning opsteeg,
Vloeiend koers zette op het goede raam
En de drempel naar de wereld overstak.

Het is altijd, dat vergat ik, mijn schat,
Een kwestie van leven of dood. Ik wens
Je wat ik eerder wenste, maar meer.
  
Het gedicht is opgebouwd als een reeks in elkaar geschoven metaforen, of zoals wij het liever noemen, ‘reflectaforen’. Een reflectafoor is een stijlmiddel (in de literatuur bijvoorbeeld ironie, beeldspraak, imitatie, woordspel, paradox, synecdoche) waarvan de werking erop berust dat bij de lezer, toehoorder of beschouwer een onoplosbare spanning tussen de overeenkomsten en verschillen van de onderdelen ontstaat. Daardoor brengt de ‘reflectafoor’ hem in een toestand van nieuwsgierige spanning, twijfel en onzekerheid, en is hij geneigd tot het waarnemen van nuances. Een belangrijke ‘reflectafoor’ in het gedicht van Richard Wilbur is de vergelijking tussen de inspanning van de dochter om haar verhaal te schrijven, en de inspanning van de spreeuw om ‘koers (…) op het goede raam’ te zetten. Deze twee zaken zijn ogenschijnlijk heel verschillend, afkomstig van heel andere planken in de bibliotheek van ons geheugen. En toch verleent de wijze waarop Wilbur ze hier naast elkaar zet, er overeenkomsten aan. De spanning tussen de ogenschijnlijke verschillen en de ontdekte overeenkomsten dwingt de lezer zijn gebruikelijke denkstramien los te laten en bij finesses en nuances uit te komen.
         Een tweede essentiële ‘reflectafoor’ in dit gedicht signaleert de overeenkomsten (en ook de verschillen) tussen de inspanning van de dochter bij het schrijven en de moeite die de vader doet om te begrijpen wat zij tijdens het schrijven ervaart. Een derde vergelijkt de dochter met het huis (waarbij bijvoorbeeld de innerlijke strijd van het meisje met haar verhaal wordt vergeleken met de bovenkamer aan de voorzijde van het huis, waar ‘de linden in de ramen deinen’). We zien hier hoe de onderdelen van een ‘reflectafoor’ elkaar wederzijds reflecteren – vandaar de benaming.
         Met name de vierde essentiële ‘reflectafoor’ is interessant, omdat die een metafoor bevat die de vader in de vierde strofe afwijst. Hij wil de nuances in de ervaring van zijn dochter begrijpen en vergelijkt daartoe haar gevecht heel bewust met de scheepvaart. Maar amper heeft hij dit gedaan, of het meisje aarzelt, ‘als om mijn gedachte met zijn gemakkelijke beeld af te wijzen’. De verteller wordt zich ervan bewust dat zijn keuze voor de vergelijking met de zeereis, een cliché is. Het is een dode metafoor, dus eentje die zijn spanning heeft verloren. In plaatst van de diepere waarneming van haar innerlijke gevecht los te krijgen, verloochent deze vergelijking van haar leven met een zeereis de fijnere schakeringen, dwingt de vergelijking de ervaring in categorieën, versimpelt ze en is ‘organisatorisch afgesloten’. Wilbur, dichter en schrijver, is zich er pijnlijk van bewust dat alleen een frisse en niet een dode metafoor nuances los kan maken; zo’n metafoor moet de geest verrassen en versteld doen staan doordat ze een gat tussen haar bestanddelen trekt en dit gat dan met een vonk van een nuance overbrugt. Bij te veelvuldig gebruik sluit zich het gat tussen de bestanddelen van de vergelijking, om ons te laten geloven dat we al ‘weten’ wat die metafoor betekent. De vergelijking van het leven met een zeereis klinkt dan lekker vertrouwd, omdat we denken alles te weten over de ruwe overtocht van het leven en zijn zware lading.
         Maar doordat hij het afgeronde en categorische cliché in deze vergelijking van de zeereis onderkent, dwingt de dichter, dwingt de verteller zichzelf en de lezer op ironische wijze tot het inzicht dat we in werkelijkheid niet weten wat het betekent wanneer je zegt dat het leven als een zeereis is. Doordat het cliché ter discussie wordt gesteld, krijgt het beeld van de zeereis plotseling nieuwe kracht toegediend, die het mogelijk maakt weer verwondering op te wekken, waardoor het zelfs in de laatste strofe, op de achtergrond, terug kan komen, nu vol nuances.
         Zo lijkt een ‘reflectafoor’, waarvan de nuances groeien uit de onoplosbare spanning tussen hun bestanddelen, op een fractal. (…) Fractals zijn orde en chaos tegelijk. Ze bezitten zelfgelijkendheid op verschillende niveaus, maar deze zelfgelijkendheid betekent niet zelfgelijkheid, want ook onvoorspelbaarheid en toeval zijn er werkzaam in. De spanning tussen de overeenkomsten en verschillen in ‘reflectaforen’ laat ons een ontvankelijkheid voor de onvoorspelbaarheid en toevalligheid in creatieve werken ontwikkelen, een gevoel ervoor dat het waargenomene organisch is, tegelijk vertrouwd en onbekend.
         De bestanddelen van een reflectafoor zijn als de polen in een elektrisch apparaat. In de leemte ertussen heerst de spanning van een nuance en kan een stroom vloeien. Als er meerdere reflectaforen aanwezig zijn, treden deze polen met elkaar in wisselwerking als schakelkringen of negatieve terugkoppelingen, waarbij elk de ander tot opwekking van nieuwe spanningen en stromen van nuances aanzet: een zichzelf organiserende ontwikkeling op de grens tussen orde en chaos.
         Dit is een abstracte landkaart, een gids voor totaliteit en zelfgelijkendheid van het gedicht. De terugkoppeling laat zien dat niet alleen elk detail elk ander detail in het gedicht beïnvloedt, maar dat eigenlijk alles één is. In zekere zin is de vader de dochter (hij is bijvoorbeeld een schrijver en hij worstelt met het uitdrukken van nuances op hetzelfde moment als zij), de dochter is het huis, de vader is het huis, enzovoort. En toch is het ene niet hetzelfde als het andere, ook de verschillen zijn beslissend.
         Het scheppingsproces van het gedicht van Wilbur kwam vermoedelijk tot stand door zelforganisatie uit een kiem die rijk was aan nuances, met daarbij de perceptie dat de literaire scheppingsdaad en de relatie ouder-kind op de een of andere manier hetzelfde zijn. Bijpassend is het dat de figuur die zich uit de kiem ontwikkelt een zelfgelijkend object is. Zoals James3 zei, bevatten de kiemen ook de waarneming van het geheel. Deze heelheid wordt belichaamd in de zelfgelijkendheid van het voltooide werk, waarin elk deel aan elk ander deel is gekoppeld, eruit is ontstaan en het reflecteert.
         En een volgende zelfgelijkendheid valt ons in dit gedicht op als we beseffen dat Richard Wilbur bij zijn werk hetzelfde innerlijke gevecht moet hebben gevoerd als dat wat hij bij de vader en de dochter beschrijft. Zo’n scala van zelfgelijkendheid is in creatieve werken allerminst ongewoon. Je kunt je voorstellen dat elk groot kunstwerk in de een of andere scala te beschouwen is als spiegelbeeld van de geestelijke worsteling die de kunstenaar tijdens het scheppingsproces voerde: Moby Dick, Guernica, de Eroica zijn er goede voorbeelden van.
         Door al die zelfgelijkende terugkoppelingen openbaart het kunstwerk het in elkaar geschoven zijn van werelden in werelden. En dan hebben we het belangrijkste scala van zelfgelijkendheid nog buiten beschouwing gelaten: dat tussen het kunstwerk en zijn publiek.
         In het gedicht van Wilbur trekt de zelfgelijkendheid de aandacht wanneer de lezer moeite doet verbinding te krijgen met de vluchtige nuances van het gedicht, zoals de vader moeite doet voor de verbinding met zijn dochter en zij met haar verhaal.
         Een gedicht als dit brengt in al zijn scala’s reflectaforische spanning voort. Het bestaat in de nuances van zijn metaforen en beelden, zijn ironie en paradoxen, met andere woorden: in de dimensies tussen de limit cycle attractors4 van de taal. De nuancerijke ontwikkeling die ontstaat (het gedicht zelf) is, zoals we zagen, fractaal of – zo je wilt – holografisch, want elk deel reflecteert elk ander deel, al doet het dat weer niet exact.

Het soort fractale of holografische structuur die we in Wilburs gedicht aantreffen, doet zich ook voor in Hokusai’s houtsnede De grote golf (…). Wanneer we ernaar (…) kijken, zal ons de reflectaforische spanning opvallen tussen de voor een ogenblik verstarde vloeibare figuur van de golf vooraan en de stevig staande Fujiyama op de achtergrond, zoals ook tussen de boten die de bewegingen van de golf volgen en er toch tegelijkertijd door in gevaar zijn, en tussen de gezichten van de mensen op de boten en het schuim.
         De neiging van Hokusai om de dieptestructuur van zijn werk fractaal vorm te geven is niets uitzonderlijks. Kijk maar eens naar het portret van Maria Portinari dat de Vlaamse schilder Hans Memling in de vijftiende eeuw vervaardigde.
De ovale vorm van de ogen herhaalt zich in talrijke reflectaforische varianten en spanningen door het hele werk heen: bijvoorbeeld in het halssieraad, in de punt van de kegelvormige hoed en zelfs in de gebogen duimen. In zijn fractale structuur openbaart Memlings schilderij de paradox van de eenvoud als complexiteit en van de complexiteit als eenvoud.
         Toen Benoit Mandelbrot5 de fractale geometrie had ontdekt, begonnen kunstenaars die bewust als een hoofdkenmerk van hun kunst te zien. ‘Je kunt almaar verder een fractal in kijken en steeds blijft het daarbij een fractal,’ zei de Britse schilder David Hockney. ‘Het wijst een weg naar het diepere bewustzijn van de eenheid.’ Volgens Hockney is zijn eigen werk holografisch en fractaal.
         Ook musici hebben deze verbanden opgemerkt. De componist Charles Dodge, hoofd van het centrum voor computermuziek van het Brooklyn College, trekt een lijn naar de fundamentele zelfgelijkendheid die in de klassiek muziek altijd heeft bestaan. ‘Het bewustzijn van de zelfgelijkendheid loopt door alle onderzoeken van muzikale structuren heen,’ aldus Dodge.
         Zo wees Leonard Bernstein in zijn Harvardlezingen op muzikale zelfgelijkendheid van het grootste tot het kleinste scala van muziekstructuren, en hij noemde zulke zich herhalende varianten ‘muzikale metaforen’. En de componist Arnold Schönberg was van mening dat in een groot muziekstuk ‘dissonanten allen maar verder weg liggende consonanten’ waren. Nuance, zelfgelijkendheid, heelheid en ‘reflectaforische’ spanning – ze liggen allemaal in Schönbergs constatering besloten.
         Maar hedendaagse componisten hoefden het er niet bij te laten de gelijkenissen tussen de fractale geometrie en de traditionele esthetische structuren van hun kunstvorm waar te nemen: er zijn er die de fractale techniek rechtstreeks voor hun eigen composities hebben gebruikt.
         De componist en Pulitzerprijswinnaar Charles Wuorinen vertelde dat hij in 1977 door het lezen van Mandelbrots boek over fractale geometrie werd geïnspireerd. Geboeid door de daarin gepresenteerde voorstelling van het gedrag van de delen van de natuur, schreef hij meerdere stukken met gebruikmaking van fractale algoritmen. Een van die stukken, dat hij Bamboula Squared6 noemde, werd gecomponeerd voor quadrofonische bandrecorder en orkest, en het werd in 1984 opgevoerd door de New York Philharmonic. Wuorinen vermeldt dat hij de stukken heeft gemaakt door het ‘juiste’ algoritme te vinden en dat als een toevallig fractal te itereren. Met het juiste algoritme bedoelt hij eentje dat nuances oplevert doordat hij het toeval met zelfgelijkende trekken in evenwicht brengt. Het stuk dat dit opleverde, dwingt de luisteraar tot een voortdurende wisselwerking met de muziek, omdat hij ogenschijnlijk geordende en op elkaar lijkende klankwolken ontdekt, die echter tegelijk steeds weer onverwacht en verschillend zijn. Dit gegeven van het verwacht-onverwachte is een wezenlijk facet van creatieve uitdrukking. Hierdoor wordt de spanning tussen orde en chaos steeds weer vernieuwd. Dat is wat Paz ‘de duizelingwekkende vertekende optiek’ noemde, waardoor ‘het universum zich niet als een opeenvolging… maar als een stelsel van een en al roterende werelden’ openbaart.


vertaald door Huub Beurskens
met vriendelijke toestemming van de © auteurs

Noten van de vertaler
Bovenstaande tekst is afkomstig uit het slothoofdstuk van John Briggs & F. David Peat, Turbulent Mirror - An Illustrated Guide to Chaos Theory and the Science of Wholeness, New York 1989.
Hoewel ik niet veel meer dan een 'alfa' ben en dus van mathematiek e.d. nauwelijks kaas gegeten heb, fascineren de chaostheorie en het idee van 'fractals' me al lang, mede dankzij de publicatie van Briggs en Peat. Vandaar dit fragment in vertaling op Het Moment, ondanks het feit dat mijn taalgevoel een beetje moeite heeft met het erin gebruikte macaronische begrip van de 'reflectafoor', een samenstelling uit twee verschillende talen.
1 – Octavio Paz, El mono grammático, 1974
2 – Richard Wilbur, ‘The Writer’, uit The Mind-Reader: New Poems, 1976
3 – De Amerikaans schrijver Henry James (1843-1916)
4 – Limit cycle attractor: zie bijvoorbeeld https://en.wikipedia.org/wiki/Attractor
5 – Benoit Mandelbrot (1924-2010), dé mathematicus van de fractals, een woord dat hij zelf muntte.
6http://www.charleswuorinen.com/compositions/bamboula-squared/
 _____________________
John Briggs is een Amerikaans psycholoog en publicist, verbonden aan de Western Connecticut State University. Francis David Peat (1938) is een Engelse natuurkundige en publicist met talrijke boekpublicaties op zijn naam. Hij is directeur van het Pari Center for New Learning in Toscane, verbonden aan het California Institute of Integral Studies and Schumacher College, een Fellow van de World Academy of Art and Science en ‘Distinguished Fellow’ aan de Universiteit van Zuid-Afrika.

JACQUES ABEILLE - HET BINNENSTE VAN EEN EIK




In hoge bomen rijst een zó grote belofte op, dat het nauwelijks van belang is of die ooit wordt nagekomen of niet. Dat weet ik sinds mijn vroege kinderjaren. Ook dat er zulke aanhoudende regens zijn dat ze in mij een overvloedige wanhoop doen opwellen, een wanhoop die mij ertoe brengt om naar buiten te gaan en over paden te lopen vol modderige bitterheid. Onder mijn voetstappen laten de plassen inhammen van een vale hemel open gaan waarvan mijn schoenzolen de stoutmoedige vragen verstoren. De zuigkracht van de bodem vol rottende bladeren dwingt mij snel door te lopen, maar een versperring voert mij naar de bomen toe. Zij houden mij staande met de schroom van hun ontboezemingen. Ze weten alles van mij. Ik verruil mijn huiveringen voor hun fluisteringen.

Hoe kan ik de zuchten onder woorden brengen van een grote eik, die trilt en heen en weer beweegt als een long vol stilstaande lucht? Tegen haar oksels slaat de regen zwarte kringen van ijskoud zweet. De waterstraaltjes kruipen slinks in de fijnste scheurtjes van haar gekerfde schors en dag na dag slaat de eik een ooglid op van haar schaduw, en verbreekt dan het zegel van haar lippen tot aan het spinthout toe dat met een tedere onschuld oplicht. Een blind oog verwelkomt op zijn ivoren vlies de streling van mijn blik en put er kracht uit, terwijl de randen van haar donkere lippen opzwellen. In de dageraad van het woord zoekt een maagdelijke drang haar verlossing. Een barensverwachting deelt zich aan mij mee met heel haar kuise luister. Mijn geduld is even groot als dat van de takken die door de grillen van seizoenen en schaduwen gekromd zijn naar het zwijgen van de hemel.

Een ster daalt langzaam naar mij omlaag; ik ben niets meer dan aarde, een globe zo vol van zijn eigen dichtheid dat hij weldra uiteenvalt in de zachtheid van zijn uitgebreidheid. Een cesuur maakt langzaam een einde aan de kromming van extatische groei waarin een triomfantelijke smeekbede flikkert.

Ik verkeer al lang buiten de tijd en ik aarzel. Wonderen hebben geen haast. De dagen volgen elkaar op met hun preutse zonsopgangen. Met een beweging waarvan de oorsprong verloren is gegaan buiten mijn herinnering rijst mijn hand omhoog en houdt niet op nog hoger te reiken in het licht dat met zijn volle sierlijke gewicht op mij hangt en waarvan de bewegingloze straling trilt.

Ik raak haar aan. Mijn handpalm omvat haar, en mijn vingers spreiden zich uit over het zijdezachte oppervlak dat door een heimelijk sap gespannen wordt in haar ingehouden wildheid.

Een streling verspreidt zich, ze verdeelt het initiatief tussen het spinthout dat zijn begerige bolling strekt en mijn huid die spant rond mijn spieren. Ik heb geen vermoeden vanwaar die trage warmte opwelt, vanuit de ontroerde nacht van mijn lichaam, of van het hout dat nu ontwaakt en de stilte van de tijd openvouwt. Ik meen de echo’s van mijn verbaasde hartslag te horen, of – kan ik daar nog aan twijfelen? – zijn het kloppingen die mijn huid beroeren, afkomstig van de vezels van het hout dat als een schuchtere koorts opbolt uit de schors. Ik ken, ik ontwaar ze, het natuurlijke gezicht en de stem die vrij is van alle listen, van de onbereikbare hoop die onophoudelijk belichaamd wordt door het uiterst langzame orgasme van de bomen, breed uitgewaaierd naar de hemel. Zij tonen hun begeerte. Zij spreken die uit met de inscripties van hun takken. Elke dag keer ik terug om die te lezen, wat steeds weer een verrukkelijk begin is. Honingkleurig licht komt mij tegemoet in heel zijn pasgeboren naaktheid.

Door onze herhaalde contacten wordt de onverwachte vorm groter; door het opzwellen van hun omvang worden de beide helften van de spleet ertussen dieper. Als ik mijn hoofd ophef bemerk ik dat het een geur verspreidt van vertrapte varens en ontluikende hyacint, een geur van wild geluk, met uitwasemingen die getemperd worden door geduld. Het verlangen om mij daar nog intenser van te doordringen zet mij ertoe aan om mijn gezicht dichter bij die duistere bron te brengen. Uit angst de schors te kneuzen doe ik mijn schoenen uit alvorens de stam met beide armen te omvatten, en met mijn blote voeten duw ik me omhoog totdat mijn gezicht het vlees van de boom kan raken. Mijn hoofd buigt er naartoe, vloeit er welhaast in uit, om zich in de holte van dat gladde, vochtige masker te drukken. Ik weet niet zeker of de lauwe warmte die over mijn gezicht komt slechts mijn eigen koortsigheid is.

Wat volgt is te verwachten, maar het is niet iets waarvoor je gemakkelijk uitkomt. Ja, die wonderbare hitte krijgt zoveel vat op me dat ik me tenslotte helemaal uitkleed in de koude buitenlucht. Zodra mijn huid het hout raakt komen mijn rillingen tot rust in een wellustig verlangen vol ongeduld. Ik schurk mij tegen de boom met het aanhangsel dat ik koester aan mijn lijf, om ten slotte toe te geven aan de dubbele aandrang van mijn gespannen lid en van de duistere holte die me roept. Ik dring binnen in het rijk van sijpelende nimfen. De vervulling is zo diep als een storm. Vele malen krijg ik een orgasme in de volle vreugde van deze onwaarschijnlijke gebeurtenis. In het diepst van deze vervoering voedt ik de boom met mijn levenssappen, en zij biedt mij daarbij steeds intenser de ontluiking van haar intiemste vezels aan wat gepaard gaat met het zich openen van waanzinnig zalige billen. Met mijn volle handpalmen pak ik haar heupen die roepen om mijn hartstocht. Ik neem ze krachtig beet zodat ze dichter tegen mij aan drukken. Een rug van verrukkelijke nerven begint te golven en maakt zich los van de stam.