FRANS KUIPERS - MOLWERK


OOK IK bleef achter om de inkt warm te houden
waarin ik verzuip. Ook ik ging in tot het noir
zoals me gezegd was en wat gebeurde gebeurde,
de god van mijn weleer is mijn god niet meer
maar mijn hart laat ik hopen.
Wat liefde is weet ik niet maar ik hou van je, hou
van je.

*


EN GELOVEN? In het gave gebit,
de angels en de tentakels
van de beesten en beestjes velerlei geloof ik,

in de uitwissing der sporen
en de wenteling van de tekens,

in het luchtkasteel dat het lijf is
en in de mens die de moed heeft.

*


DAT er op aarde geen plek
niet bloed- of traanbevlekt is geloof ik.
Dat in Vught de vogels fluiten zuiver net zo
als ze floten boven de kranken en de kreperenden.

In het onbekommerdheidsblauw in het
geen krimp gevende, geen krans behoevende
onbekommerdheidsblauw van de hemel geloof ik,
in haar buitenmenselijkheid, in haar majesteit.

Door zeeën gedragen en verdubbeld.
Door rivieren rondgebracht en op muziek gezet.
Te drinken gegeven aan wie maar drinken wil.

Astronauten teruggekeerd konden niet meer vergeten
in de zwarte, sterrenbespikkelde ruimte
het onbekommerdheidsblauwe lampje brandend.

*


VOOR WIE ANDERS zustertje onrust zustertje lievelust
de honing geïntroduceerd hebbende
de melk lichtgevend gemaakt, wat zou de wereld
wie zouden wij zijn zonder
van glimogen het poetsvrouwtje jou.
Voor schater maar Haar en de zon in het water.
Om de roes en beroering van toen, de kater van later.
Om kronkelweg, kopzeer en kou,
de ongewisheid van de afloop
en het vroegtijdig bankroet
zonder welk ik nooit van mijn leven
om nimmermeer terug te keren mij op weg had begeven.
Alles in de wind en toeval de trouwe hond aan je zij.

Dat de minnaars van het eerste uur
moge zijn de liefhebbers tot de laatste snik.

*


DOOR JOU wist ik weer
mijn onbegonnenheid, door jou en de jouwen,
van de vroegte het vuur
en de ziel van al die wilde liederen
en liedjes luidkeels meegezongen
in de wilde wilde wind…

(Terwijl de buitenwijken groeiden
en ook de industrieterreinen groeiden,
terwijl het staal en het glas van de
grote nijverheidskolossen flonkerden in de zon.)

Ik, nu eens een roerloze woelgeest
dan weer een zingend everzwijn.

Heden door een zee op handen gedragen,
morgen een schoen mosselbepokt in het strandzand.

Wohin gings da’s nirgendhin ging?

Laten wij voor één keer proberen bij het begin
te beginnen.
Laten wij voor één keer proberen te schetsen
de situatie.

*


UIT NIET? En ongenood? Uit niet! En ongenood!
Maar dat is verschrikkelijk dat is
ongehoord, onbegrijpelijk en
onaanvaardbaar.
Hoe kan men dan nog
rustig zitten
kijken en lopen
en zoekbrengen zijn dagen,
als men bij voortduring
algeheel
in een toestand verkeert te dolzinnig voor woorden.

*

HANS TENTIJE - ARI

De pijnbomen zweetten een bedwelmende harsgeur uit en de zwerfhond die zich sinds een dag of vier over ons had ontfermd – Ari hadden we hem gedoopt – sliep met zijn kop op zijn voorpoten naast ons op het schrale mos. Sliep, net als de vlooien in zijn kortharige vacht en de wazige, blauwgroene Albanese kust aan de overkant.
Hier was het dus. Na een tocht over stoffige, urenlange wegen, langs katoen-, maïs- en tabaksvelden, aan daklijsten te drogen gehangen paprika's en pepers, een van hamer en sikkel vergezelde partizanenkreet hoog op een rotswand, rijen scheve, amper ontschorste telegraafpalen met blikkerende porseleinen isolatoren. Met afval bezaaide vluchtstroken en bermen, autowrakken, armoedige behuizingen.
Misschien dat stenengooiers, dronken schoppers Ari tot in zijn dromen achtervolgden, want er trokken herhaaldelijk rillingen door zijn hondenlijf. Wat was hij mager: als hij inademde tekenden zijn onderste ribben zich akelig schril af onder zijn gelige vel. Maar hij was vriendelijk zonder zich tot onderdanigheid te verlagen, koesterde, wonderlijk genoeg, in sommige mensen tenminste nog enig vertrouwen. Dat moest haast wel, wilde hij nu en dan ergens wat eetbaars krijgen. Van de vrouw bij wie we huurden mocht hij eigenlijk niet op het erf komen. Maar toen ze eenmaal begreep dat wij hem in de gaten zouden houden, gaf ze schouderophalend toe. Zo verscheen hij ’s morgens, zich uitrekkend, stram van de nacht, bij ons wankele ontbijttafeltje onder een van de knoestige, gedrongen acacia's. Hij had niks opdringerigs, was eerder nogal bedeesd. Hij keek, keek vol verwachting naar ons op, zonder te bedelen, te staan schooien.
Inmiddels stond het water beneden ons al een hele tijd in lichterlaaie, alsof de zon een enorm stuk gladgepolijst plaatstaal bescheen. De eerste vissers keerden terug, duwden en sleurden hun platbodems het smalle zandstrand op, brachten aalkorven en fuiken naar hoger gelegen plekken. Hun vangst zou ongetwijfeld ook nu weer grotendeels uit forel, zalmforel bestaan, van een soort die nergens anders dan alleen in dit meer wordt aangetroffen. Een dwarreling van zwarte rugstippen, en de betoverende, oranjerode spatten opzij, een stuk of zes, nagenoeg lijnrecht tussen kieuw en staart.
Gevoed door verschillende onderaardse bronnen is dit een van de diepste meren ter wereld. Overtollig water gunt het de Zwarte Drin, de rivier die het gindse Struga in een islamitische wijk en een wijk van christenen en ongelovigen verdeelt.

Sommige tegenstellingen waren behoorlijk groot, gisteren, toen we die plaats bezochten. We parkeerden tegenover een uit louter grijstinten opgetrokken gebouw, dat het midden hield tussen een politiebureau en een van die vele hulpeloze filialen van de Partij. Het bleek het postkantoor te zijn. Betonrot vrat aan de gevel, binnen bladderde het fineer. Een rij wachtenden voor het enige loket van de drie dat geopend was. Ik schoof aan, schoof om de paar minuten verder op in de richting van de postzegels die ik nodig had. Schamele, afgedragen kledij die het moeilijk maakte moslims van de rest te onderscheiden. Om mij heen ploeterden ongeoefende, reumatische vingers met potlood of pen boven de afgekloven vragen van hun formulieren, krabbeltjes aan verre familieleden.
Zich klein makende, bepleisterde huizen en verwaarloosde villa's uit een ander tijdsgewricht, naast kazerneachtige communistenflats van vijf verdiepingen, revolutiebouw, terwijl het er aan van alles en nog wat ontbrak, behalve aan ruimte. Weinig winkels, en nergens hondenvoer. Weinig verkeer ook, voornamelijk wat ezelwagens. Slecht thuis te brengen geuren, zacht, kleverig asfalt. De brug naar de andere oever. We volgden een pad langs een rechte greppel, een soort wetering. Ineens dook vanachter een schutting een man voor ons op, gebogen onder het gewicht van het schaap dat hij op zijn rug droeg. De voorpoten ter weerszijden van zijn bonte wollen muts omklemde hij stevig met beide knuisten, de kop van het beest stak daar, ontredderd, een stuk boven uit. Even verderop stond een schuurtje, een hok niet breder dan een buitenplee. Over de bovenkant van de deur was een onbestorven, bloederige schapenvacht gedrapeerd. Je zag hoe de ram of ooi die werd aangedragen met opgetrokken bovenlip de slachtlucht proefde, radeloos opsnoof.
De groentemarkt liep net ten einde. Schortjes en voorschoten, lange zwarte jassen, bonte hoofddoekjes, slecht zittende, vergeelde nethemden. Goeddeels ontruimde stalletjes, stapels kartonnen dozen en spanen kisten. Vertrapte slabladeren, schillen, een wreed uiteengespatte watermeloen. We verdwaalden half en half in die wirwar van gloppen en stegen daar vlak achter. We probeerden ons op een van de minaretten te oriënteren, ervoor zorgend dat we zon steeds links van de koepel hielden. Niemand riep ons, godzijdank, op tot gebed.
Gedender en gedreun van verschillende machines, dat gaandeweg luider werd. Aan de rand van de buitenwijk was paar jongens een potje aan het overschieten. Af en toe gaf er eentje vanuit een plotselinge draai een loeier in de richting van een blinde muur, waarop een klein doel was getekend. De stemmen, de echo's, de bal. Een dragline en een bulldozer die een stuk onder straatniveau een brede sleuf verder uitdiepten. Maar achter hun rug begon zich eens te meer allerlei vuilnis op te hopen. Een fietsstuur, met handremmen en al, een door vliegen en wespen bezochte brij van wegrottend fruit, lege conservenblikken, een van onder tot boven opengereten kindermatras.
Het gezicht op het kerkhof dan. Het leek of er tussen de scheefgezakte, tamelijk verspreid staande grafstenen artisjokken of andere stekelige groentesoorten werden gekweekt, terwijl het vermoedelijk gewoon om een wildgroei van distels, velddistels ging. De zinsverbijsterende hitte, de treurnis, de godvergeten verveling.

Toen kwam Ari plotseling overeind en spitste waaks zijn pluimige oren. Waar wij alleen nog maar de stilte en de insecten hoorden, begon iets de atmosfeer te verschuiven. En wat hij kennelijk voorvoelde, bracht, omdat het nu elk moment zou kunnen gaan gebeuren, een lichte huivering in mij teweeg.
Even later zagen we hoe het folie van de waterspiegel van het meer langzaam losliet, zich eerst slordig vouwde en zich dan tot aarzelende golven verhief. Windvlagen schoten zigzaggend door riet en oevergras. Boven ons zwaaiden de naaldtrossen van parasoldennen ruisend heen en weer. Vogels, wreed uit hun sluimering gehaald, vlogen verontwaardigd schreeuwend, schetterend op. Ari gromde. En zo waren we getuige van het wonderlijke schouwspel van de seiche, een verrassende, dagelijks terugkerende vloedbeweging, maar zonder dat er van getijden, veroorzaakt door de stand van de maan, enige sprake is. Verklaringen zoeken het in de richting van abrupt opkomende of wegvallende winden, van onverhoedse, behoorlijke luchtdruksprongen. De voorgaande dagen waren we een verschijnsel als dit op een of andere manier telkens misgelopen.
Ondertussen bracht een witte, lui achteroverliggende wolk, die voor de zon schoof, samen met de wind eindelijk voor verkoeling. Tijd om naar het dorp terug te keren. Ari schudde zich uit, keek kwispelend toe hoe wij dingen in onze mand stopten en tilde bij een van de stronken een achterpoot op. Voorzichtig daalden we af. Het pad was steil en lag vol verraderlijk losse keien en gruis. Half zes. We zouden nog een duik kunnen nemen. Over zo’n anderhalf uur viel op deze breedte het donker in, snel en nauwelijks door enige schemering voorafgegaan. De wijn daarna, de boven een houtvuurtje gegrilde moten forel.
Ik raapte een stok van de grond en maakte er een zwaaiende beweging mee. Maar Ari dook onmiddellijk in elkaar en kroop schielijk achter wat kreupelhout, laag struikgewas weg. Stom van me natuurlijk. Het kostte me de nodige overredingskracht en een stuk kaas om hem enigszins gerust te stellen. Ten slotte liet hij zijn neus en wangen weer strelen, zich achter zijn oren krieuwelen. De deining was tot bedaren gekomen, de wind aardig geluwd.

Was het diezelfde nacht nog of de volgende? Ik had de slaap niet kunnen vatten en stond op het balkon een sigaret te roken. De maan verschool zich ergens in verre bossen, maar de hemel strooide wat van zijn sterrenlicht over het water uit. En zoals altijd na zonsondergang hulde Albanië zich in een sinistere, hermetische duisternis. Langzamerhand moesten we eens over de terugreis gaan nadenken. Erg veel keus was er niet.
         Heen hadden we vanaf Zagreb de beruchte autoput via Belgrado naar Skopje genomen, een vrij vreselijke route. In het Servische gedeelte waren de hokjes van de betaalpoorten vaak bemand door pure onbeschoftelingen. Motels vroegen er aan buitenlanders het dubbele – en dan wel in Deutsche Marken – van wat ze de inheemsen rekenden, voor een kamer met een vloerbedekking met honderden brandplekken van uitgetrapte peuken en halfweg ontspoorde overgordijnen voor de ramen, een kapotte pleepot of een rochelende douchekop waar eerst een hoop zwarte prut uit kwam. De andere weg, langs de Adriatische kust, was slechts tweebaans en moest niet minder gevaarlijk zijn.
         En Ari? Hij had geen halsband, laat staan een riem of een touw, alleen die arme zwerversblik in zijn ogen. Geen veterinair attest of een soortgelijk van allerlei stempels en handtekeningen voorzien geschrift, om overal langs de douane te geraken. Ik zou ook verdomd niet hebben geweten via welke van die schimmige, ontoeschietelijke instanties hier ik ooit zo’n getuigenis had kunnen bemachtigen. Draadjes tabak op het puntje van mijn tong, een stukje sigarettenpapier kleefden onder mijn slecht geschoren kin. Ik inhaleerde, blies mijn rook de nacht in, proefde mijn schande, mijn rottige lafhartigheid.
         Die laatste ochtend – toen we onze koffers, dozen levensmiddelen, plastic tasjes met vuil wasgoed in de bagageruimte en tussen voorstoelen en achterbank propten –, toen drong het misschien pas in zijn volle omvang tot hem door. Hij weigerde de worst, de broodkorsten die ik hem toestak, liet het water dat ik neerzette ongemoeid. Ik startte. Hij had zich vlak voor de auto geposteerd en ging niet opzij.
         Ik moest uitstappen om hem weg te jagen.

 ______________________________
      Hans Tentije (Beverwijk 1944) publiceerde recentelijk Wat het licht doet (2003), Uit zoveel duisternis (2006), In de tussentijd (2008), Als het ware (2010), In omgekeerde richting (2011). Zijn werk werd bekroond met o.a. de Herman Gorterprijs. Dit najaar verschijnt van hem een nieuwe poëziebundel.

GUY CABANEL - LEGENDARISCHE STEDEN

met een tekening van Jacques Desbiens

IDALÈS

Idalès is de vorstin van de Hoggar. Niet bekend is of de stad, die gebouwd is van opeenstapelingen van rotsblokken, het werk is van de natuur of van de mens.

Er zijn toch een aantal vreemde trappen te onderscheiden, die toegang geven tot driekantige poorten welke uitzicht bieden op zulke duizelingwekkende hoogten dat niemand het waagt zich daarheen te begeven. Overal elders heersen de onherbergzame rotsen.

         Sinds de woestijn de mens heeft verjaagd van deze streken is niet bekend wie van deze verblijfplaatsen gebruik maakt. Wellicht is het een volk vette blauwe vleermuizen die met de kop omlaag aan de gevels hangen, of anders een aantal kolonies van die sensitieve hagedissen die plotseling opduiken uit het zand zoals springvissen, en die onmiddellijk weer terug kruipen in hun beweeglijke onderkomens.

         De straten, die vol puin liggen, beter gezegd vol gruis dat de erosie daar achterliet, zijn doorsneden met in de rots uitgehouwen tunnels, die met een flauwe helling naar het grote drooggevallen meer toe voeren, waarin zich ooit de onverstoorbare sauriërs begaven.

         De torens en hellingen van Idalès rijzen hoog op boven de fraaie vlakte waar een aantal zwaar gebouwde beesten met horens in de vorm van een boog of lier komen spelen, omgeven door witte vogels die vlak boven de begroeiing zweven.

         De schemering laat heel even een paar lichtvoetige dansers zien gewapend met pijl en boog; soms geleidt het lot een pijl naar een mooie prooi. En de krokodillen, vermomd als boomstammen, wachten in de rivier op onbezonnen baders.

Idalès is een orgel waarvan een onbekende hand de stenen pijpen maakte en waar de storm de organist is die de smart en de woede speelt van de onderaardse wereld.

Voordat het vuur de Aarde begint te verwoesten, als het concert zich vermengt met het fluiten van de wind, tekenen de laatste tonen op een muur het masker van een heremiet met gelaatstrekken die gebeeldhouwd zijn door zandstormen, maar het verdwijnt dadelijk weer in de nacht van een spelonk.

         Een immense aasgier strijkt daar in hoogte neer. Hij breidt zijn wijde vleugels uit boven de stad die zo beschut wordt voor de zonnegloed, maar die voorgoed is ingekneld in de omhelzing van het verleden.

*

SAMARKAND

Tamerlaan is weer thuis, zijn gezicht nog altijd vol levenskracht van zijn overwinningen en wederwaardigheden, thuis in zijn oppermachtige hoofdstad, de schoonste ter wereld, het sieraad van Zeravchan.

         Zich eeuwig wetend wilde hij dat ook zijn stad eeuwig zou zijn. Geen pralende paleizen, maar praalgraven. Een enorme koepel die uitnodigt om omhoog te vliegen, de vloer geplaveid met obsidiaan, waardoor de stappen worden verjaagd, het dak overdekt met safieren en opalen, als een wolkenlucht.

         De meester hield ervan te mediteren in het monument dat hij had laten bouwen om zijn laatste slaap onderdak te bieden. Daar riep hij zijn ruitertochten door de immense steppe voor de geest, zijn veldslagen, zijn liefdesavonturen en zijn zeldzame uitspattingen, en vooral wat hij nog miste en maar niet kon duiden. Zijn macht kende geen grenzen en was toch onvolledig, zijn wijsheid was volmaakt en toch broos. Hij had nauwelijks belangstelling voor de goden, wetend dat hij zelf god was, een kreupele god, mijmerde hij, maar wat doet dat ertoe? Hij putte zich uit in bevragingen, geen enkel antwoord bracht hem voldoening.

          Hij droeg een jade ketting om zijn hals met daaraan een smaragd zo groot als zijn hand. Maar de robijnen die hij aan zijn vingers schoof gaven zijn ogen een weerschijn van bloed en vuur.

         Hij zwierf rond in nameloze landschappen zonder er ooit een plaats te vinden; hij volgde het lot van Zeravchan, en net als zijn rijk verdwaalde hij in de zanden. En in die doodse, duistere vochtigheid ving hij een glimp op van de schatten die hij begeerde.

         Hij wenste dat Samarkand het evenbeeld zou zijn  van zijn visioen, maar hoe moet men de spiritualiteit van zijn schat overbrengen op wat men kan aanraken?

         Er was een hiernamaals van de gesteenten, een illuminatie van de materie nodig, die alleen een god zoals hij bij machte was te verwezenlijken.

         En toch merkte hij, zodra hij die gedachte had gevormd, de ijdelheid op van het minste gebaar.

         Toen strekte hij zich uit om niet meer op te staan.

*


GENT

In Gent kan je met een beetje geluk de verre nakomelingen van de echtelieden Arnolfini tegenkomen, want hier kunnen zij, beter dan in Brugge dat al te zeer geliefd is bij toeristen, hun vak van lakenkopers blijven uitoefenen en hun identiteit bewaren onder de schuilnaam Inflorina, die in gotische letters op de etalage van hun winkel staat.

         Niet zo gemakkelijk te vinden is hun zaak, want die ligt in de schemerige buurten van de stad; het zijn de oude voorname wijken die nu bijna armoedig zijn geworden, en in ieder geval niet zo veilig zodra het duister wordt; de steegjes worden dan onguur, nooit is het zeker dat je nog terug kunt als je eenmaal een slop bent ingelopen. Het ergste is, zo wordt gezegd, om er de handschoen van Götz von Berlichingen, die in die omgeving ronddwaalt, te vinden, of meer nog de hand die is losgeraakt van het polsgewricht, een enorme ijzeren spin die vanaf de grond omhoog kan springen naar je gezicht.

         De echtelieden Inflorina begeven zich overigens maar zelden buiten deze kern, die als een schitterende vrucht omsloten wordt door de rest van de stad, waar het lam van Sint Bavo een fel contrast vormt met de hand van Götz, en de zuiverheid van de Leie, geheel bereid om in de Schelde uit te stromen, met de schaamteloosheid van de oude straatjes.

         De nacht overvalt me in die ongure omgeving, die een aantrekkingskracht op mij uitoefent. Vlakbij laat zich het verhitte lawaai van een herberg vermoeden. Ik ben er zeker van daar de figuren te vinden die Van Eyk getoond heeft, sereen voor hun mysterieuze spiegel.

         Na verscheidene glazen slechte, versneden drank had ik het geluk om eindelijk in de donkerste hoek van het lokaal het baardeloze, bleke gelaat onder een grote zwarte hoed te ontwaren van een welgestelde koopman of dignitaris, die een half geloken blik liet rusten op het gezicht van zijn dame in het groen, ongetwijfeld het groen van de deugdzaamheid.

         Wie mij op dat ogenblik de herberg heeft uitgegooid weet ik niet, maar het pikkedonker was nog maar net op mij neergevallen of ik werd geraakt door een pijl of een steen, en ik zag een soort heupwiegende spin met grote vaart wegschieten.

*


FOCSHANI

Ingebed tussen de verleidelijke golfjes van de Siretul en de flanken van de Moldavische Karpaten doemt de stad Focshani op als een veranderlijke reflectie van een spiegel die als door een betovering in tweeën is gespleten.

         Ik was onderweg om een vriend te bezoeken die ik nooit eerder had ontmoet, maar de lectuur van dezelfde boeken had onze briefwisseling en vriendschap teweeg gebracht.

         Zijn echtgenote, Ranalu, bij wie het oogwit van een verblindende witheid was, zei me met een vreemde glimlach dat hij weg had moeten gaan wegens een onvoorzienbare reden, en dat het geen zin had te wachten op zijn terugkomst, die maanden kon uitblijven. Die tegenvaller speet haar bijzonder, maar ze stemde erin toe mij enkele dagen onderdak aan te verlenen.

         Op de foto’s die ze mij liet zien was het gezicht van mijn vriend steeds onduidelijk; ik kon mij geen voorstelling maken van zijn uiterlijk. Ze vertrouwde mij toe, met een blik die een soort gulzigheid toonde, dat hij nogal vermoeid was bij zijn vertrek, en dat ze bang was geweest dat het een zware reis voor hem zou worden.

         De straten van de stad leken onwerkelijk, de mensen die ik er tegenkwam liepen voorbij als wolkenflarden. De bergketen van de Karpaten die zich in de verte aftekende, wekte de indruk dat hij de geluiden dof maakte en het licht filterde; de misten die opstegen van de Siretul en die zachtjes tegen de muren weenden, gaven aan de stratenloop een andere richting.

         Vanaf de eerste nacht verscheen Ranalu in mijn dromen. Ze was boven mij, haar aanhoudende glimlach stoorde mij en trok mij tegelijk aan.

         ’s Ochtends werd ik doodmoe wakker. Ranalu maakte het ontbijt voor mij klaar in een keuken die vol stond met kruidendranken; ik slaagde erin mijn slaperigheid te onderdrukken.

         Ik herkende de stad niet meer, verbleekt als zij was onder een onvaste zon. Al gauw kwam er een plein waar de geest van Palladio nog rondwaarde; ik ging er zitten op de trappen van de tempel die gewijd was aan de barbaarse godheid van die plaats. Ik sufte een beetje weg, nog steeds vervolgd door het hemeltergende beeld van Ranalu, preciezer nog dan in de afgelopen nacht. Plotseling wakker geschrokken van hoorngeschal liep ik terug naar de straat van haar huis, en bleef er tegenover staan, maar al gauw bleek ik vlak voor haar deur te zijn, en zij vroeg mij binnen te komen.

         Ik zakte meteen in elkaar. Ranalu, nog steeds glimlachend, lag languit op me, ze streelde mijn hals met haar hoektanden; in de verte klonk redeloos gebeier.



© Guy Cabanel

Vertaling uit het Frans: Laurens Vancrevel
______________________________
      Guy Cabanel woont er werkt in het bergdorpje Saint-Lizier, boven de stad Toulouse. Zijn poëzie wordt gedreven door droom, automatisme en humor. Tot zijn meest recente bundels behoren: Les Cités Légendaires (2012; hieruit werden de vertaalde droomvertellingen gekozen), Dans la proue du paon (2009), en Le Verbe flottant (2007). In 2010 verscheen van hem in Nederlandse vertaling De sterren omgekeerd bij Brumes Blondes in Bloemendaal.

      Jacques Desbiens is tekenaar en schrijver in Montréal, Québec. Hij is betrokken bij de bibliofiele uitgeverij ‘Sonámbula’, waar Les Cités Légendaires is verschenen.

ROBERT ANKER - NIJHOFF EN IK


Misschien dat sommigen van u denken: dat heb ik eerder gehoord. Dat kan kloppen, ik houd erg van smartlappen en dit behoort tot mijn repertoire. Maar misschien hebt u de tekst herkend, want die is van Nijhoff. De melodie is laat ik zeggen van mezelf, maar dan, geheel in de geest van de dichter, volkomen onpersoonlijk. Waarschijnlijk bestond ze allang. Het lied heet ‘Herinnering’, maar is door Nijhoff natuurlijk niet als songtekst bedoeld maar als gedicht. Het staat in De wandelaar, Nijhoffs eerste bundel, uit 1916, maar het gedicht dateert van 1914 – Nijhoff was toen twintig jaar, bepaald geen laatbloeier, zoals ik. Dat is dus nog geen overeenkomst tussen hem en mij, maar overeenkomsten zullen wel degelijk volgen, dat is nu eenmaal het onderwerp van mijn praatje. Uiteraard betekent dat niet dat ik mij aan Nijhoff denk te kunnen meten. 
         Ik zei dat ik erg van smartlappen hield, maar ik houd niet van poëzie met een hoog smartlap-gehalte en dat hebben nogal wat gedichten van Nijhoff. Daarom heb ik het even gezongen, om u snel daarvan te overtuigen. Altijd maar die moeder, en die schreiende kindjes, of een wenende vader, ook al met een kindje op zijn arm voor het venster, of de huilende Christofoor die eensklaps voelt hoe ‘twee ronde kinderhandjes / De stoppelbaard van (zijn) ruige wang vastgrijpen’, waarbij die stoppelbaard wel weer een meesterlijk detail is. Ik bedoel: het is vaak gemengd.
         Toch zijn die sentimentele elementen in Nijhoffs poëzie niet mijn grootste probleem, ze zijn de spin-off van een belangwekkende grondtrek van zijn werk, zoals we nog zullen zien. Nee, het is vooral een aantal andere aspecten dat mij ergert en op grond waarvan ik misschien wel 85 procent van de gedichten weinig tot niets aan vind. Ik erger mij aan het Leger-des-Heilsgehalte ervan, u weet wel wat ik bedoel. Ik erger me aan de namaak-spleen van Pierrots die ’s nachts eerzame vrouwen aanspreken met het voorstel samen te sterven en aan modieuze accessoires als vermoeidheid, dadenloosheid en waanzinnige lachjes. Ik erger me aan de middeleeuwse rimram van kastelen, cithers en schalmeien, valken en pages, terwijl de moderne tijd al volop woedde, zoals Nijhoff nog geen tien jaar na zijn debuut aan den geest zou ondervinden. Ik erger me, een beetje,  aan het precieuze rococosfeertje met door de maan verlichte tuinen, met sonates en preludes die al dan niet verwelkt aanwaaien uit een spinet, aan rozenstruiken, waaiers en priëlen waar geschreid wordt met tranen van glas – een beetje, zei ik, want het slot van ‘Het tuinfeest’ blijft memorabel: ‘Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen, / Geenszins om liefde, maar om de sublieme / Momenten en het sentiment daartussen.’ Ik erger me aan die met spijkers knoeiende soldaten die altijd een groot kinderhart hebben terwijl de kranten en het journaal mij heel wat andere dingen over dat volkje vertellen, ook als het kindsoldaten zijn. En ik erger me aan die voor ons nauwelijks meer voor te stellen, inderdaad zeer zeitgemässe maar toch… van zondebesef doortrokken angst voor de seksualiteit, waarbij de dichter soms in bed ligt met een geliefde die ineens rechtop gaat zitten bidden – brrr. De bundel De wandelaar valt daarom in zijn geheel af, maar uit Vormen wil ik er in een milde bui nog wel 11 van de 88 overhouden, waaronder ‘Het tuinfeest’.
         Ach, laat ik duidelijk zijn: de Nijhoff over wie ik het verder wil hebben, míjn Nijhoff, is de dichter van Nieuwe gedichten, verschenen in 1934, daaruit met name ‘Het veer’, ‘Het lied der dwaze bijen’, ‘De moeder de vrouw’ en ‘Awater’; de dichter van de in De Gids van oktober 1936 gepubliceerde reeks Voor dag en dauw (maar niet allemaal), van Het uur u, uit 1937, en een tweetal verspreide of nagelaten gedichten uit dezelfde tijd, namelijk De kreupele en Bij de dood van Albert Verwey, vooral het evocatieve deel ‘De trap’. Kortom, we hebben het over de Nijhoff van na 1930, toen hij van de Rattenvanger had geleerd dat hij niet met zijn mond moest fluiten maar met zijn fluit, want ‘De mond zingt slechts waar het hart van vol is, maar iedere fluit is een toverfluit en zingt het ledige hart van andere mensen vol.’ In feite was die toverfluit echter het poëticale antwoord op een groter conflict waar Nijhoff mee worstelde en waarover hij zich achteraf, in 1935 heeft uitgelaten in Over eigen werk, de zogenaamde Enschedese lezing: de plaats van de poëzie in de moderne tijd.

HANS-ULRICH TREICHEL - GEDICHTEN

In januari

Zachte geluiden
op bevroren grond.
We lopen door de
droge bossen, in
ademrijke gesprekken
verdiept. Aan de
randen van de hemel
zoemt de stroomkring
van de stad, in onze
verlangens circuleren
gesloten brieven.
Maar de verhalen
die we vertellen
nemen ons de woorden
niet af.



Tussenbalans

Geluk gehad en overleefd.
Niet meer met roken begonnen.
Met mijzelf in het reine wat
de tandarts betreft. De huur betaald,
de krant gelezen, waardig geleden
aan het leed van de wereld.

De diepste ellende, verveling,
bestendig gekruist met het hoogste
der valse gevoelens. Daarbij
twee kilo aangekomen, een academische
titel verworven en, als alle echte radicalen,
liefde tot de opera ontdekt.



Regels van het huis

Geen ongeluk verzwijgen
en ieder verhaal uitvertellen.
Doeken over de spiegels
hangen; de messen onder
de tafel. De uil troosten en
de vleermuis trancheren.
Nooit je woede verliezen, wat er
ook gebeurt. Iedereen binnenlaten,
wie er ook komt.



Tarantella

Met mijn bijl
versla ik de spin
over rode daken klim ik
kauw op stenen spuug sneeuw

Loodgras groeit
in mijn zakken ijzerkruid
in mijn schoen mooi er is
nog veel te doen



Op weg naar het leven

Zo kwam ik onder
de mensen, klap na klap
en schoksgewijs,
zo leerde ik van de knuppel houden,
de kruipversnelling en de
vrije val.

In menige goot
verzoop ik, in menig weekend
en greep naar de oneindigheid
en streek mijn hemden.

Zo vond ik
de weg naar het leven,
iedere morgen een ei, wil mij
nog één keer vergeven,
wie ik ook zij.



Vooruitgang in het chaosonderzoek

Doe maar geen moeite,
zeg gewoon ik tegen mij
of laat mij helemaal weg.
Hier weet immers niemand zo precies
waar de volgende begint.
Verspreid je,
maar blijf liggen.
Sluit de ogen
en luister niet.
Je moet voelen wat je voelt
als je niets voelt.
Of behoor jij soms ook
tot die mensen die bij ieder schot
beginnen te bloeden.
Plantaardige vetten adviseer ik,
en dierlijke intelligentie.
Maar alles met mate
en houd altijd het hoofd schuin.
De rest is heel gemakkelijk.



De vaders

Het eerst gaan de vaders
en laten ons de geur na van hun
leren zweetband, de gelige huid
van prothesen, grote zegelringen
aan donker geworden vingers.

Het eerst gaan de vaders
uit hun gewelddadige leven,
uit hun jachtige zaken
en laten ons hun gesteven hemden na
en de zoutkringen
op het hart.



Wat het was

Dat haar slaap zich
met de zijne vermengde
Dat haar angst zich
geheel in hem verloor

Dat hij haar ook
in de winter kuste
dat het in zijn armen
volgens haar nooit vroor

Dat zij haar vlees
niet tegen het zijne wreef:
dat was wat hem
naar een ander dreef



Liefde in november

En nu weg hier
uit mijn eigen bed.
Kan geen verhalen vertellen
en wil er geen horen. Niet eens
een mannelijke zucht
wijd ik aan je.
Terwijl je toch
een werkelijk zachte huid hebt
en zo veel zin in
een onecht
gevoel.



Inzicht

Nu is alles nog mogelijk.
We hebben elkaar vluchtig geraakt.
De rest: waarschijnlijk dodelijk.
De kunst: dat je verzaakt.

Misschien moet het hier maar bij blijven.
Een vleugje is bijna een kus.
Liefde is ook: niet beklijven.
Maar anders. En dus.



Als ik zou weggaan

En als ik zou weggaan
en me overgaf mijn schoenen
op de straatstenen zette mij
het hemd van het lijf scheurde mijn voeten
vastbond en mijn gezicht bedekte
en geen wind viel over
daken en erven geen nacht
doofde de verlichte tuinen
en als het stil zou blijven
altijd maar stil



De wolken

De wolken, zeg je,
de wind en de regen,
de stenen, zeg je,
de nacht en de dag

Als hij bestond,
de wind en de regen,
als ze bestonden,
de nacht en de stenen

Als jij bestond,
hielden wij allang van elkaar.



Over de toestand

Een vuile hemel,
al dagenlang geen wonder, alleen
lawaai op straat, heerlijke auto’s,
wie moet ik geloven, als het mijn tandarts
niet is, een menselijk wezen
moet dagbladen lezen,
ik bijt en sta verbaasd, jaren geleden
al loeide de wind om erbarming
en de schoorstenen sidderen
nog altijd van geluk.



Fotoalbum

Het kind op de schommel,
de jongen in zijn goede pak, de idioot
met huidproblemen, ontwikkeling
heet dat in de psychologie, op de achtergrond
een heer met dame, zij in een veel te
grijze jas, hij als altijd standvastig
aan de rand van de foto, geen idee van
harmonieleer, bikkelhard jurist,
ik zou me in de schitterendste
details kunnen verliezen, me spelend
tot huilen verleiden, een aardappelsalade
als die hier krijg ik niet meer zo gauw, jawel,
dat zijn de echte rampen,
als het wasgoed druppelt, als de stamppot
dampt, wanneer wellust de kop opsteekt,
vertel me dan niet dat jullie daarvan niets
hebben gemerkt, kijk in je hart,
vrees je kinderen: ooit
waren wij allemaal mensen,

God zij ons genadig.


      vertaling Wiel Kusters

      Met vriendelijke toestemming van © Suhrkamp Verlag, Frankfurt a.M.
______________________________
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, Westfalen, 1952) debuteerde in 1979 met de bundel Ein Restposten Zukunft. Bekend werd hij vooral door zijn kleine roman Der Verlorene (1998), waarin hij vlucht van zijn ouders uit de ‘Ostgebiete’, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, en de zoektocht naar hun tijdens die chaotische vlucht verloren geraakte eerste kind als beklemmende en bepalende elementen van zijn kindertijd beschreef. 
De hier vertaalde gedichten zijn ontleend aan Gespräch unter Bäumen. Gesammelte Gedichte, mit einem Nachwort van Rainer Weiss. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 2002.