FRANZ KAFKA - BESCHOUWING



Franz Kafka las ik nooit anders dan in het Duits. Totdat me werd gevraagd of er niet nog eens een nieuwe vertaling van zijn werk zou moeten komen. Ik antwoordde dat het me weinig zinvol leek, er waren immers al twee vrij omvattende Nederlandse vertalingen verschenen, waarvan er een nog steeds in de boekhandel beschikbaar was. Toch leidde de vraag ertoe dat ik een paar van de prozastukjes uit Betrachtung eens zelf probeerde te vertalen – vertalen is immers een indringende manier van lezen – om mijn resultaat vervolgens naast de uitgegeven vertalingen te kunnen leggen. Alleen al het interpretatieverschil van de slotzin van ‘Entschlüsse’ bracht me ertoe het eerdere antwoord te herzien:
-           Eine charakteristische Bewegung eines solchen Zustandes ist das Hinfahren des kleinen Fingers über die Augenbrauen.
-           Een karakteristieke beweging voor zo’n toestand is met je pink over je wenkbrauwen te strijken.
-           Een karakteristieke beweging in een dergelijke toestand is het met de pink langs de wenkbrauwen strijken.
-           Een karakteristieke beweging van een dergelijke toestand is het over de wenkbrauwen strijken van de pink.

Kafka’s stijl is helder, heet het. Maar dat is alleen zo als ook echt letterlijk wordt genomen wat er staat. En daarvoor moet je het Nederlands niet minder stroef willen maken dan het Duits soms is. Wat Kafka in de geciteerde zin doet, is een psychische toestand loskoppelen van de persoon, waardoor die toestand als het ware de regie over de fysiek van de persoon gaat voeren. Dat is hier geen uitzondering. In ‘Entlarvung eines Bauernfängers’ bijvoorbeeld staat: ‘Scham drehte mich plötzlich herum’ – ‘schaamte draaide me opeens om’. Maar in de eerste vertaling van die slotzin van ‘Entschlüsse’ gaat het om een beweging ‘voor’ in plaats van van zo’n toestand, in de tweede is het een beweging ‘in’ zo’n toestand. Futiel? Maar dan essentieel futiel. En zodoende vertaalde ik door. Het leidde tot mijns inziens nodige subtiliteitsverschillen.


Beschouwing is een integrale vertaling van Betrachtung, dat in december 1912, met mdccccxiii als verschijningsjaar op de titelpagina, als eerste boekpublicatie van Franz Kafka (3 juli 1883 - 3 juni 1924) verscheen bij Ernst Rowohlt Verlag, Leipzig.

HB
_________________
inhoud

Kinderen op de straatweg
Ontmaskering van een boerenbedrieger
De plotselinge wandeling
Besluiten
Het uitstapje de bergen in
Het leed van de vrijgezel
De koopman
Verstrooid naar buiten kijken
De weg naar huis
De voorbijgangers
De passagier
Kleren
De afwijzing
Ter overdenking voor heerrijders
Het raam aan de straatkant
Wens indiaan te worden
De bomen
Ongelukkig zijn


Kinderen op de straatweg

Ik hoorde de wagens langs het tuinhek rijden, soms kon ik ze ook door de licht bewogen openingen in het gebladerte zien. Hoe kraakte het hout van hun spaken en dissels in de hete zomer! Arbeiders kwamen van het land en lachten dat het een schande was.
Ik zat op onze kleine schommel, ik was net aan het uitrusten tussen de bomen in de tuin van mijn ouders.
Voor het hek hield het niet op. Kinderen in looppas waren in een oogwenk voorbij; graanwagens met mannen en vrouwen op de garven en rondom werden de bloemenperken donker; tegen de avond zag ik een heer met een stok langzaam aan de wandel en twee meisjes, die hem gearmd tegemoetkwamen, stapten groetend in het gras aan de kant.
Toen vlogen vogels op alsof ze omhoogschoten, ik volgde ze met mijn ogen, zag hoe ze in één ademtocht stegen, tot ik niet meer dacht dat zij stegen, maar dat ik viel en, me vasthoudend aan de touwen, van flauwte een beetje begon te schommelen. Al gauw schommelde ik harder, terwijl de lucht al koeler waaide en er in plaats van de vliegende vogels trillende sterren verschenen.
Bij kaarslicht kreeg ik mijn avondeten. Vaak lagen allebei mijn armen op de houten plank en, al moe, hapte ik in mijn boterham. De ver uit elkaar hangende gordijnen bolden in de warme wind, en soms werden ze vastgepakt door iemand die buiten langsliep, als die me beter wilde zien en met me wilde praten. Meestal doofde de kaars al gauw en in de donkere kaarswalm vlogen alle muggen nog een tijdje rond. Als iemand mij iets door het raam heen vroeg, keek ik hem aan alsof ik naar de bergen tuurde of in zomaar lucht, en aan een antwoord was ook hem niet veel gelegen.
Als er dan eentje over het raamstaketsel klauterde om te melden dat de anderen al voor het huis stonden, kwam ik natuurlijk zuchtend overeind.
‘Hé, waarom zucht je zo? Wat is er gebeurd? Is het een bijzonder, nooit meer goed te maken ongeluk? Zullen we daar nooit overheen komen? Is echt alles verloren?’
Er was niets verloren. We liepen naar de voorkant van het huis. ‘Godzijdank, daar zijn jullie eindelijk!’ – ‘Jij komt echt altijd te laat!’ – ‘Hoezo ik?’ – ‘Ja, jij, blijf thuis als je niet mee wilt.’ – ‘Zonder pardon!’ – ‘Wat? Zonder pardon? Wat klets je?’
We staken ons hoofd de avond in. Er bestond geen overdag en geen ’s nachts. Nu eens schoven onze vestknopen over elkaar als tanden, dan weer liepen we op gelijkblijvende afstand, met vuur in de mond, als dieren in de tropen. Als kurassiers in oude oorlogen, stampend en hoog in de lucht, dreven we elkaar de korte steeg door en met deze aanloop in de benen verder de straatweg op. Sommigen stapten in de greppel, amper verdwenen tegen de donkere glooiing, stonden ze al als vreemdelingen boven op de landweg naar beneden te kijken.
‘Kom daar toch vanaf!’ – ‘Komen jullie maar eerst naar boven!’ – ‘Zodat jullie ons eraf gooien, we dachten van niet, hè, zo slim zijn we ook wel.’ – ‘Zo laf zijn jullie, zul je bedoelen. Kom op, kom nou!’ – ‘Dat meen je! Jullie? Jullie die ons eraf zullen gooien? Wie denken jullie wel dat je bent?’
Wij zetten de aanval in, kregen een klap tegen de borst en gingen in het gras van de greppel neer, vallend en vrijwillig. Alles was even warm, we voelden warmte noch kou in het gras, je werd alleen moe.
Als je op je rechterzij ging liggen, je hand onder je oor legde, zou je het liefst in slaap vallen. Je zou nog wel een keer met geheven kin overeind willen komen, maar dat om in een diepere greppel te vallen. En daarna zou je je, met een arm dwars voor je en de benen scheef gewaaid, tegen de lucht willen werpen om opnieuw vast en zeker in een nog diepere greppel te vallen. En daarmee nooit te willen ophouden.
Hoe je je in de laatste greppel echt helemaal zou strekken, vooral de knieën, om te slapen, daaraan dacht je nauwelijks nog en lag, het huilen nabij, alsof je ziek was op je rug. Je knipperde met de ogen wanneer een jongen, met zijn ellebogen bij zijn heupen, met donkere zolen over ons heen sprong van de glooiing op de straat.
Je zag de maan al een beetje hoger staan, er reed een postwagen in zijn licht voorbij. Alom stak een zwakke wind op, die voelde je ook in de greppel, en dichtbij begon het bos te ruisen. Dan was er je niet meer zoveel aan gelegen alleen te zijn.
‘Waar zijn jullie?’ – ‘Kom hier!’ – ‘Iedereen!’ – ‘Waarom verstop je je, stop met die onzin!’ – ‘Weten jullie niet dat de post al langs is?’ – ‘Nee toch! Al langs?’ – ‘Natuurlijk, toen jij lag te slapen is die langsgereden.’ – ‘Heb ik liggen slapen? Nee maar!’ – ‘Hou je mond, het is gewoon aan je te zien.’ – ‘Alsjeblieft, zeg.’ – ‘Komen!’
We liepen dichter bij elkaar, sommigen gaven elkaar een hand, je kon je hoofd niet hoog genoeg houden, omdat het zo naar beneden liep. Eentje slaakte een indianenstrijdkreet, we kregen een galop als nooit tevoren in de benen, bij de sprongen pakte de wind ons in de heupen op. Niets had ons kunnen tegenhouden; we hadden er zo de vaart in dat we zelfs bij het inhalen de armen over elkaar hielden en rustig om ons heen konden kijken.
We hielden halt op de brug over de stortbeek; wie was doorgerend keerde terug. Het water beneden sloeg tegen stenen en wortels alsof het niet al laat in de avond was. Er was geen reden waarom er niet eentje op de brugleuning sprong.
Achter struikgewas in de verte kwam een spoortrein tevoorschijn, alle coupés waren verlicht, de ramen vast naar beneden gedaan. Een van ons begon een straatliedje te zingen, maar wij wilden allemaal zingen. We zongen veel sneller dan de trein reed, we zwaaiden met onze armen omdat onze stem niet toereikend was, we raakten met onze stemmen in een gedrang waar we ons lekker in voelden. Als je je stem onder andere stemmen mengt, ben je als met een vishaak gevangen.
Zo zongen we, met het bos in de rug, de gindse reizigers in hun oren. De volwassenen waren nog op in het dorp, de moeders maakten de bedden klaar voor de nacht.
Het was al tijd. Ik kuste die naast me stond, gaf de drie daarnaast gauw een hand, begon de weg terug te hollen, niemand die me riep. Bij de eerste kruising, waar ze me niet meer konden zien, sloeg ik af en liep over landwegen weer het bos in. Ik wilde naar de stad in het zuiden, waarover in ons dorp werd gezegd:
‘Daar heb je mensen! Stel je voor, die slapen niet!’
‘En waarom dat dan niet?’
‘Omdat ze niet moe worden.’
‘En waarom dat dan niet?’
‘Omdat het dwazen zijn.’
‘Worden dwazen dan niet moe?’
‘Hoe kunnen dwazen nu moe worden!’


Ontmaskering van een boerenbedrieger

Eindelijk tegen 10 uur ’s avonds kwam ik met een man, die ik slechts vluchtig van vroeger kende en die zich nu onverwachts weer bij me had aangesloten en me twee uur lang door de straten op sjouw had genomen, aan bij het herenhuis waar ik was uitgenodigd voor een feest.
‘Zo!’ zei ik en klapte in mijn handen ten teken van de absolute onvermijdelijkheid van ons afscheid. Ik had al enkele minder doortastende pogingen gedaan. Ik was al behoorlijk moe.
‘Gaat u meteen naar boven?’ vroeg hij. Ik hoorde een geluid uit zijn mond als van tanden die op elkaar klapperden.
‘Ja.’
Ik was immers uitgenodigd, dat had ik hem meteen verteld. Maar ik was uitgenodigd om naar boven te komen waar ik heel graag al zou zijn, en niet om hier onder aan de poort langs de oren van de man tegenover mij te staan kijken. En nu ook nog samen te gaan staan zwijgen, alsof we hadden besloten een hele tijd op deze plek te blijven. Bovendien namen de omliggende huizen meteen deel aan dit zwijgen, samen met de duisternis erboven tot aan de sterren.
En de voetstappen van onzichtbare wandelaars, naar wier wegen je geen zin had te raden, de wind die zich telkens tegen de overkant van de straat drukte, een grammofoon die tegen de gesloten ramen van een of andere kamer zong – ze lieten zich uit dit zwijgen horen alsof het voor eens en altijd hun eigendom was.
En mijn begeleider voegde zich erin in zijn en – na een glimlach – ook in mijn naam, stak zijn rechterarm tegen de muur omhoog en legde, terwijl hij de ogen sloot, zijn gezicht ertegenaan.
Maar ik wachtte het einde van zijn glimlachen niet meer af, want schaamte draaide me opeens om. Pas in dat glimlachen dus had ik gezien dat dit een boerenbedrieger was, niets meer. Hoewel ik toch al maanden in deze stad was en had gemeend deze boerenbedriegers door en door te kennen, hoe ze ons ’s nachts uit zijstraten, met uitgestoken handen als herbergiers tegemoet treden, hoe ze rondhangen bij de aanplakzuil waar we naast staan, alsof ze verstoppertje spelen en vanachter de ronding van de zuil met minstens een oog spioneren, hoe ze op kruispunten, wanneer we bangig worden, plotseling voor ons zweven op onze stoeprand! Ik begreep ze toch zo goed, zij waren immers mijn eerste bekenden in de kleine stadse herbergen geweest en aan hen had ik mijn eerste kijk te danken op een meedogenloosheid die ik inmiddels zo slecht van de wereld kon wegdenken dat ik haar al in mezelf begon te voelen.
Zoals ze nog voor je stonden, zelfs als je je al lang van ze had losgemaakt, als er dus al lang niets meer te bedriegen viel! Zoals ze niet gingen zitten, zoals ze niet omvielen, maar je aankeken met blikken die nog altijd, zelfs van verre, overreedden! En hun methodes waren steeds dezelfde: ze gingen voor ons staan, zo breed mogelijk; probeerden ons af te leiden van wat we wilden; maakten in plaats daarvan een woning voor ons op orde in hun eigen borst, en wanneer uiteindelijk al het in ons samengebalde gevoel begon op te spelen, aanvaardden ze dat als omarming waar ze zich in stortten, met hun gezicht naar voren.
En die oude grappen had ik dit keer pas na zo’n lang samenzijn herkend. Ik wreef mijn vingertoppen tegen elkaar stuk om de schande ongedaan te maken.
Maar mijn man stond hier nog gewoon als voorheen te hangen, hield zich nog steeds voor een boerenbedrieger, en de tevredenheid over zijn lotsbestemming kleurde zijn vrije wang rood.
‘Herkend!’ zei ik en gaf hem nog een zacht schouderklopje. Toen haastte ik me de trap op en de zo afgrondelijk trouwe gezichten van de bedienden boven in de voorkamer deden me plezier als een mooie verrassing. Ik keek hen allen een voor een aan terwijl mijn jas werd aangenomen en mijn schoeisel werd afgestoft. Verlicht ademhalend en hoog opgericht betrad ik toen de zaal.


De plotselinge wandeling

Wanneer je ’s avonds vast lijkt te hebben besloten thuis te blijven, je kamerjas hebt aangetrokken, na het avondeten aan de verlichte tafel zit en bent begonnen aan dit werkje of dat spel, na afloop waarvan je gewoontegetrouw gaat slapen, als het buiten onaangenaam weer is dat het thuisblijven vanzelfsprekend maakt, wanneer je intussen ook al zo lang aan tafel bent gebleven dat het weggaan algemene verbazing zou wekken, wanneer nu ook al het trappenhuis donker is en de voordeur gesloten, en wanneer je dan ondanks dat alles in een plotseling onbehagen opstaat, een andere jas aantrekt, je onverwijld voor op straat gekleed vertoont, verklaart eruit te moeten, het na een vluchtig afscheid ook doet, naar gelang de snelheid waarmee je de huisdeur dichtslaat, meer of minder ergernis denkt achter te laten, wanneer je je op straat bevindt met ledematen die deze nogal onverwachte vrijheid die je ze hebt verschaft, met bijzondere beweeglijkheid beantwoorden, wanneer je door dit ene besluit alle besluitvaardigheid in je vereend voelt, wanneer je met een groter dan gebruikelijk belang inziet dat je gewoon meer kracht dan behoefte hebt de snelste verandering makkelijk teweeg te brengen en aan te kunnen, en wanneer je zo door de lange straten loopt – dan ben je voor deze avond volledig buiten je familie getreden die in het onwezenlijke wegglijdt, terwijl jij je zelf, uit één stuk, zwart van afgetekendheid, achter op je dijen slaand, tot je ware gedaante verheft.
Versterkt wordt alles nog wanneer je op dit late avondlijke uur een vriend opzoekt om te zien hoe het met hem gaat.


Besluiten

Je uit een ellendige toestand omhoog werken, moet zelfs met geforceerde energie niet makkelijk zijn. Ik ruk me los uit mijn fauteuil, loop om de tafel, maak hoofd en hals los, geef mijn ogen vuur, span de spieren eromheen. Werk tegen elk gevoel in, begroet A stormachtig als hij nu zal komen, duld B vriendelijk in mijn kamer, neem bij C alles wat er wordt gezegd, ondanks pijn en moeite, met lange teugen in me op.
Maar zelfs als het zo gaat, zal met elke fout, die niet kan uitblijven, het geheel, het lichte en het zware, stokken, en ik zal me in een kringetje terug rond moeten draaien.
Daarom blijft toch de beste raad alles voor lief te nemen, je als zware massa te gedragen en wanneer je jezelf weggeblazen voelt, je tot geen onnodige stap te laten verleiden, de anderen met de blik van een dier aan te kijken, geen wroeging te voelen, kortom, dat wat nog van het leven als spook over is eigenhandig neer te drukken, d.w.z. de laatste grafstemmige rust nog te verhevigen en daarbuiten niets meer te laten bestaan.
Een karakteristieke beweging van een dergelijke toestand is het over de wenkbrauwen strijken van de pink.


Het uitstapje de bergen in

‘Ik weet het niet,’ riep ik toonloos, ‘ik weet het gewoon niet. Als niemand komt, dan komt er maar niemand. Ik heb niemand kwaad gedaan, niemand heeft mij kwaad gedaan, maar niemand wil me helpen. Louter niemand. Maar zo is het ook weer niet. Alleen dat niemand me helpt – anders zou louter niemand prettig zijn. Ik zou heel graag – waarom ook niet – een uitstapje maken met een gezelschap van louter Niemand. De bergen in natuurlijk, waar anders heen? Wat een gedrang van deze Niemand, die vele zijwaarts uitgestoken en in elkaar gehaakte armen, die vele voeten, van elkaar gescheiden door nietige passen! Vanzelfsprekend dat ze allemaal in rokkostuum zijn. We lopen van tralala, de wind trekt door de ruimtes die wij en onze ledematen open laten. De kelen worden in de bergen vrij! Het is een wonder dat we niet zingen.’


Het leed van de vrijgezel

Het lijkt zo erg vrijgezel te blijven, als oude man met behoud van waardigheid te vragen om te worden onthaald als je een avond met mensen wilt doorbrengen, ziek te zijn en vanuit de hoek van je bed wekenlang naar de lege kamer te kijken, altijd voor de poort van het huis afscheid te nemen, je nooit naast een vrouw de trap omhoog te wurmen, in je kamer alleen zijdeuren te hebben die naar vreemde woningen leiden, je avondeten in je hand naar huis te dragen, onbekende kinderen te moeten aanstaren en niet almaar te mogen herhalen: ‘Ik heb er geen’, je qua uiterlijk en gedrag te vormen naar een of twee vrijgezellen uit je jeugdherinneringen.
Zo zal het zijn, behalve dat je er ook in werkelijkheid nu en later bij zult staan met een lichaam en een echt hoofd, dus ook een voorhoofd om er met je hand tegenaan te slaan.


De handelaar

Het is mogelijk dat sommige mensen medelijden met mij hebben, maar daar merk ik niets van. Mijn kleine zaak vervult me met zorgen die me achter mijn voorhoofd en slapen pijn doen, maar zonder me tevredenheid in het vooruitzicht te stellen, want mijn zaak is klein.
Uren van tevoren moet ik beramingen maken, het geheugen van de knecht wakker houden, waarschuwen voor te vrezen fouten en in het ene seizoen de trends van het volgende calculeren, niet zoals die door lieden van mijn kring gevolgd worden, maar door de ontoeschietelijke standen van het land.
Mijn geld is in handen van vreemden; in hun omstandigheden kan ik geen inzicht hebben; het ongeluk dat hen zou kunnen treffen, bevroed ik niet; hoe zou ik het tegen kunnen houden! Misschien zijn ze verkwistend geworden en geven ze een feest in een of andere herbergtuin en zijn er anderen die zich, op de vlucht naar Amerika, een tijdje bij dat feest ophouden.
Als nu op de avond van een werkdag de zaak wordt gesloten en ik opeens uren voor me zie waarin ik voor de niet aflatende behoeften van mijn zaak niets verder uit kan voeren, dan stort mijn ’s ochtends ver vooruitgestuurde opgewondenheid zich in me, als een terugkerende vloed, maar ze houdt het niet in mij uit en doelloos sleurt ze me mee.
En toch kan ik helemaal niet profiteren van deze stemming en kan ik alleen maar naar huis gaan, want mijn gezicht en handen zijn vies en bezweet, de stofjas is vlekkerig en vuil, de muts van de zaak op mijn kop en mijn werkschoenen bekrast door spijkers van kisten. Ik loop dan als op golven, flabber met de vingers van allebei mijn handen en aai kinderen die me tegenkomen over hun haar.
Maar de weg is te kort. Ik ben direct bij mijn huis, open de liftdeur en stap in.
Ik zie dat ik nu en opeens alleen ben. Anderen die trappen moeten klimmen, worden daar een beetje moe van, moeten met gejaagd ademende longen wachten tot ze de deur van de woning open komen doen, hebben dan een reden voor ergernis en ongeduld, komen vervolgens in de vestibule waar ze hun hoed ophangen, en pas wanneer ze door de gang, langs een paar glazen deuren, in hun eigen kamer komen, zijn zij alleen.
Maar ik ben meteen alleen in de lift, en kijk, met mijn handen op de knieën, in de smalle spiegel. Wanneer de lift begint te stijgen, zeg ik:
‘Wees stil, ga achteruit, willen jullie in de schaduw van de bomen, achter de draperieën van de ramen, onder het gewelf van de gaanderijen?’
Ik spreek door mijn tanden en de trapleuningen glijden langs de melkglasruitjes omlaag als vallend water.
‘Vlieg weg; mogen jullie vleugels, die ik nooit heb gezien, je naar het landelijke dal dragen of naar Parijs, als jullie dat trekt.
Maar geniet van het uitzicht uit je raam als de processies uit alle drie de straten komen, niet voor elkaar opzij gaan, door elkaar heen trekken en tussen hun laatste rijen het open plein weer laten ontstaan. Wuif met jullie doeken, wees ontdaan, wees ontroerd, prijs de mooie dame die langsrijdt.
Ga over de beek op de houten brug, knik de badderende kinderen toe en sta verbaasd over het hoera van de duizend matrozen op het pantserschip in de verte.
Achtervolg maar de onbeduidende man en als jullie hem een inrijpoort in hebben geduwd, beroof hem dan en kijk, ieder met de handen in de zakken, hem vervolgens na, hoe hij droefgeestig door de straat links zijns weegs gaat.
De verspreid galopperende bereden politie houdt de paarden in en dringt jullie terug. Laat hen, de lege straten zullen hen ongelukkig maken, dat weet ik. Daar rijden ze al, zie je wel, in tweetallen weg, langzaam straathoeken om, vliegend over de pleinen!’
Dan moet ik uitstappen, de lift naar beneden laten gaan, aan de deur bellen, en het meisje doet de deur open terwijl ik groet.


Verstrooid naar buiten kijken

Wat zullen we doen in deze voorjaarsdagen die nu gauw komen? Vanochtend was de hemel grijs, maar als je naar het raam loopt, ben je verrast en vlei je je wang tegen de raamklink.
Beneden zie je het licht van de natuurlijk al zakkende zon op het gezicht van het argeloze meisje dat daar om zich heen loopt te kijken, en tegelijk zie je er de schaduw op van de man die er vlugger achteraan komt.
Dan is de man al gepasseerd en het gezicht van het kind is heel licht.


De weg naar huis

Kijk maar naar de overtuigingskracht van de lucht na het onweer! Mijn verdiensten verschijnen voor me en overweldigen mij als ik me ook niet verzet.
Ik marcheer en mijn tempo is het tempo van deze kant van de straat, van deze straat, deze wijk. Ik ben terecht verantwoordelijk voor al het slaan tegen deuren, op de tafelbladen, voor alle heildronken, voor de liefdesparen  in hun bedden, tussen de nieuwbouwsteigers, in donkere straten tegen de huismuren gedrukt, op de ottomanen van de bordelen.
Ik weeg mijn verleden af tegen mijn toekomst, maar vind ze allebei voortreffelijk, kan aan geen van tweeën de voorkeur geven, en slechts de onrechtvaardigheid van de voorzienigheid die me zo begunstigt, moet ik laken.
Alleen als ik in mijn kamer kom, ben ik ietwat nadenkend, maar zonder bij het trappenlopen iets te hebben gevonden wat het nadenken waard zou zijn. Het helpt me niet veel dat ik het raam helemaal openzet en dat in een tuin de muziek nog speelt.


De voorbijgangers

Als je ’s nachts door een straat gaat wandelen en een man, al van ver zichtbaar – want de straat voor ons loopt omhoog en het is volle maan – ons tegemoetkomt, dan zullen we hem niet vastgrijpen, zelfs als hij zwak en haveloos is, zelfs als iemand schreeuwend achter hem aan komt, maar we zullen hem door laten lopen.
Want het is nacht, en we kunnen het niet helpen dat de straat in de volle maan voor ons omhoogloopt, en trouwens, misschien hebben die twee de achtervolging voor hun eigen vermaak op touw gezet, misschien achtervolgen ze samen een derde, misschien wordt de eerste onschuldig achternagezeten, misschien wil de tweede moorden en zouden wij medeplichtigen aan de moord worden, misschien kennen de twee elkaar helemaal niet en is slechts ieder voor eigen rekening op weg naar zijn bed, misschien zijn het slaapwandelaars, misschien heeft de eerste een wapen.
En ten slotte, mogen wij niet moe zijn, hebben we niet te veel wijn gedronken? We zijn blij dat we ook de tweede niet meer zien.


De passagier

Ik sta op het balkon van de elektrische tram en ben volkomen onzeker inzake mijn plaats in deze wereld, in deze stad, in mijn familie. Ik zou zelfs niet ongeveer kunnen aangeven welke aanspraken ik in een of andere richting met recht zou kunnen doen gelden. Ik kan helemaal niet rechtvaardigen dat ik op dit balkon sta, me aan deze lus vasthoud, me door deze tram laat vervoeren, dat mensen opzij gaan voor de tram of gewoon lopen of voor de etalages stilstaan. Niemand verlangt het ook van me, maar dat doet er niet toe.
De tram nadert een halte, een meisje gaat bij de treden staan, gereed om uit te stappen. Ze komt me zo duidelijk voor alsof ik haar heb betast. Ze is in het zwart gekleed, de plooien van haar rok bewegen nauwelijks, haar blouse zit strak en heeft een kraag van wit fijnmazig kant, haar linkerhand houdt ze vlak tegen de wand, de paraplu in haar rechter staat op de tweede tree van boven. Haar gezicht is bruin, haar neus, aan de zijkanten licht geknepen, eindigt rond en breed. Ze heeft veel bruin haar en verwaaide haartjes aan haar rechterslaap. Haar kleine oor ligt dicht tegen haar hoofd, maar doordat ik dichtbij sta, zie ik de hele buitenrand van de rechter oorschelp en de schaduw bij de gehooringang.
Ik vroeg me toen af: hoe komt het dat ze niet over zichzelf verwonderd is, dat ze haar mond dichthoudt en niets van dien aard zegt?


Kleren

Vaak als ik kleren zie met allerhande plooien, ruches en franjes, die mooi vallen over mooie lichamen, dan denk ik dat ze niet lang zo blijven, maar kreukels krijgen die niet meer glad te strijken zijn, stof vergaren dat, diep in de versiersels, niet meer te verwijderen is, en dat niemand zich zo triest en belachelijk zal maken om elke dag hetzelfde dure kledingstuk aan te trekken en ’s avonds uit te doen.
Nochtans zie ik meisjes die beslist mooi zijn en allerhande bekoorlijke spieren en botjes en strakke huid en massa’s fijne haren laten zien, en toch dagdagelijks in dit ene natuurlijke maskeradepak verschijnen, altijd hetzelfde gezicht in dezelfde handpalmen leggen en door hun spiegel laten weerkaatsen.
Alleen soms ’s avonds, wanneer ze laat van een feest komen, lijkt het hun in de spiegel afgedragen, slobberig, stoffig, door iedereen ooit gezien en nauwelijks nog draagbaar.


De afwijzing

Wanneer ik een mooi meisje tegenkom en haar vraag: ‘Eilieve, ga met me mee’ en het zonder iets te zeggen doorloopt, dan bedoelt het daarmee:
‘Je bent geen hertog met een klinkende naam, geen brede Amerikaan met indiaans postuur, met evenwichtig staande ogen, met een door de lucht van de grasvlakten en de erdoorheen stromende rivieren gemasseerde huid, je hebt geen reizen gemaakt naar en op de grote zeeën, die ik weet niet waar te vinden zijn. Stel je voor zeg, waarom zou ik, een mooi meisje, met jou meegaan?’
‘Je vergeet dat jij door geen automobiel met lange schokken wiegend door de straat wordt gevoerd; ik zie niet de in hun kledij geperste heren van jouw gevolg, die heilspreuken voor je prevelend in een keurige halve cirkel achter je lopen; je borsten zijn goed verpakt in je keurslijfje, maar je dijen en heupen doen die ingetogenheid weer vergeten; je draagt zo’n geplisseerde jurk van taftzijde die ons allemaal vorig herfst kon bekoren, en toch lach je – met dit levensgevaar aan je lijf – af en toe.’
‘Ja, we hebben allebei gelijk, en om ons daarvan niet onweerlegbaar bewust te worden, kunnen we, nietwaar, beter ieder voor zich naar huis gaan.’


Ter overdenking voor heerrijders

Niets kan, als je erover nadenkt, ertoe verleiden in een wedren de eerste te willen zijn.
De roem als de beste ruiter van het land te worden erkend, verblijdt je wanneer het orkest inzet te veel om de volgende morgen de wroeging tegen te kunnen houden.
De afgunst van de tegenstanders, van listige en invloedrijke lieden, moet ons pijn doen in de nauwe erehaag waar we nu doorheen rijden naar het veld dat al gauw leeg voor ons lag, op een paar gedubbelde ruiters na, die klein tegen de rand van de horizon aanreden.
Veel van onze vrienden haasten zich om om hun winst te incasseren en alleen over hun schouders roepen ze ons van de loketten verderop hun hoera toe; maar de beste vrienden hebben helemaal niet op ons paard gewed, omdat ze bang waren om, wanneer er zou worden verloren, kwaad op ons te moeten zijn, maar nu, omdat ons paard het eerste was en ze niet hebben gewonnen, draaien ze zich om als we langskomen en kijken liever uit over de tribunes.
De concurrenten achter ons, stevig in het zadel, proberen het ongeluk dat hen getroffen heeft te overzien, en het onrecht dat hen in een bepaald opzicht wordt aangedaan; ze nemen een fris uiterlijk aan, alsof er een nieuwe ren moet beginnen en wel een serieuze, na dit kinderspel.
Veel dames komt de winnaar belachelijk voor, omdat hij prijkt en zich toch geen raad weet met het eeuwig handenschudden, salueren, buigingen maken en naar de verte groeten, terwijl de overwonnenen hun mond dichthouden en zachtjes op de hals van hun meestal hinnikende paard kloppen.
Uiteindelijk begint het ook nog uit de betrokken hemel te regenen.


Het raam aan de straatkant

Wie alleen woont en toch hier en daar ergens bij zou willen horen, wie, de veranderingen van de tijd van de dag, van de weersgesteldheid, van de arbeidsomstandigheden en dergelijke in acht nemend, subiet een of andere willekeurige arm wil zien waar hij zich aan zou kunnen vasthouden – die zal het zonder een raam aan de straatkant niet lang volhouden. En als het met hem zo gesteld is dat hij helemaal niets zoekt en maar als vermoeide man, met zijn ogen op en af tussen de mensen en de hemel, voor zijn vensterbalustrade gaat staan, en hij wil niet en houdt zijn hoofd een beetje terug, dan slepen hem toch beneden de paarden mee in hun gevolg van wagens en lawaai en daarmee uiteindelijk naar de menselijke eendracht toe.


Wens indiaan te worden

Als je toch een indiaan was, meteen paraat en op je dravend paard, schuin in de lucht, steeds weer even doortrild boven de trillende aarde, tot je niet meer de sporen gaf, want er waren geen sporen, tot je de teugels afgooide, want er waren geen teugels, en je het land voor je nauwelijks als vlak gemaaide heide zag, al zonder paardenhals en paardenhoofd.


De bomen

Want wij zijn als boomstammen in de sneeuw. Schijnbaar liggen ze er gewoon op en met een kleine duw zou je ze moeten kunnen verschuiven. Nee, dat kun je niet, want ze zijn vast verbonden met de grond. Maar kijk, zelfs dat is slechts schijnbaar.


Ongelukkig zijn

Toen het al ondraaglijk was geworden – op een keer tegen de avond in november – en ik over de smalle loper in mijn kamer als op een renbaan draafde, geschrokken van de aanblik van de verlichte straat, weer keerde, en in de diepte van de kamer, in het verschiet van de spiegel toch weer een nieuw doel kreeg, en luid schreeuwde, om alleen de schreeuw te horen waar niets op antwoordt en waar ook niets de kracht van het schreeuwen aan ontneemt, die dus opstijgt, zonder tegenwicht, en niet kan ophouden, zelfs als hij verstomt, toen opende zich de deur uit de muur, zo haastig, omdat immers haast geboden was en zelfs de koetspaarden beneden op het plaveisel, als wild geworden paarden in de veldslag, met hun keel blootgegeven, steigerden.
Als een klein spook sprong een kind vanuit de volkomen donkere overloop, waar de lamp nog niet brandde, en bleef op zijn tenen staan, op een onmerkbaar wiebelende vloerbalk. Door het schemerlicht van de kamer meteen verblind, wilde het gauw met zijn gezicht tussen zijn handen, maar het kalmeerde zonder erg met een blik naar het raam, waar voor het kruiskozijn de naar boven gedreven nevel van de straatverlichting ten laatste onder het duister bleef liggen. Met zijn rechter elleboog tegen de muur van de kamer hield het zich voor de deuropening overeind en liet het de luchtstroom van buiten om zijn voetgewrichten strijken, ook langs zijn hals, ook langs zijn slapen.
Ik keek er even naar, zei toen ‘Goedendag’ en pakte mijn jasje van het haardscherm, omdat ik er niet zo halfnaakt bij wilde staan. Een tijdje hield ik mijn mond open, opdat de opwinding me door de mond zou verlaten. Mijn speeksel was onfris, in mijn gezicht trilden de oogwimpers, kortom, mij mankeerde niets behalve juist dit nochtans verwachte bezoek.
Het kind stond nog op dezelfde plaats tegen de muur, het hield zijn rechterhand tegen de muur gedrukt en kon er, met volrode wangen, niet genoeg van krijgen dat de witgekalkte muur korrelig ruw was en zijn vingertoppen schuurde. Ik zei: ‘Moet u echt bij mij zijn? Is het geen vergissing? Niets zo gemakkelijk als een vergissing in dit grote huis. Ik heet zus en zo, woon op de derde verdieping. Ben ik dus degene die u wilt bezoeken?’
‘Kalm, kalm!’ zei het kind over zijn schouder. ‘Het is allemaal zoals het hoort.’
‘Komt u dan maar verder de kamer in, ik wil de deur dichtdoen.’
‘De deur heb ik net dichtgedaan. Doet u geen moeite. Doet u hoe dan ook wat rustiger.’
‘Heb het niet over moeite. Maar op deze gang wonen een heleboel mensen, allemaal bekenden van me uiteraard; de meesten komen nu van hun werk; als ze horen praten in een kamer, menen ze gewoon het recht te hebben hun deur open te doen en te kijken wat er aan de hand is. Dat is nu eenmaal zo. Deze mensen hebben hun dagelijks werk achter de rug; naar wie zouden ze zich in hun tijdelijke avondvrijheid schikken! Dat is u trouwens ook bekend. Laat u me de deur dichtdoen.’
‘Wat is dat nou? Wat hebt u? Van mijn part komt het hele huis binnen. En dan nog eens: ik heb de deur al dichtgedaan, denkt u soms dat alleen u de deur dicht kunt doen? Ik heb hem zelfs met de sleutel op slot gedaan.’
‘Dan is het goed. Meer wil ik ook niet. U had hem helemaal niet met de sleutel op slot hoeven doen. En maakt u het zich nu maar behaaglijk, nu u er toch bent. U bent mijn gast. Vertrouwt u me maar volledig. Installeert u zich maar onbezorgd. Ik zal u dwingen te blijven noch om te gaan. Moet ik dat nog zeggen? Kent u me zo slecht?’
‘Nee. U had dat echt niet hoeven zeggen. Sterker, u had het zelfs niet moeten zeggen. Ik ben een kind, waarom zoveel drukte om mij gemaakt?’
‘Zo erg is dat niet. Natuurlijk, een kind. Maar zo heel klein bent u niet. U bent best al volwassen. Als u een meisje zou zijn, zou u zich niet zomaar met me in een kamer mogen opsluiten.’
‘Daar hoeven we ons geen zorgen over te maken. Ik wilde alleen zeggen: dat ik u zo goed ken, beschermt mij amper, het ontslaat u alleen van de inspanning me wat voor te liegen. En toch maakt u me complimenten. Laat dat, ik verzoek u, laat dat. Daar komt bij dat ik u niet overal en aldoor ken, zeker bij deze duisternis. Het zou veel beter zijn als u het licht aan liet doen. Nee, liever niet. In ieder geval zal ik onthouden dat u me al gedreigd heeft.’
‘Wat? Ik zou u hebben gedreigd? Maar alstublieft, zeg. Ik ben toch zo blij dat u eindelijk hier bent. Ik zeg “eindelijk” omdat het al zo laat is. Ik vind het onbegrijpelijk waarom u zo laat gekomen bent. Daardoor is het mogelijk dat ik in mijn blijdschap zo verward heb gesproken en dat u het juist zo hebt opgevat. Dat ik zo heb gepraat, beken ik tienvoudig, ja, ik heb u met alles gedreigd wat u wil. – Maar geen ruzie, in hemelsnaam! – Maar hoe kon u dat geloven? Hoe kon u me zo krenken? Waarom wilt u met alle geweld dit kleine poosje van uw hier-zijn voor me verpesten? Een vreemde zou tegemoetkomender zijn dan u.’
‘Dat geloof ik, dat is nogal wiedes. Zo nabij als een vreemde u tegemoet kan komen, ben ik u al van nature. Dat weet u ook, waarom dus de weemoed? Vertel me dat u komedie wilt spelen, en ik vertrek ogenblikkelijk.’
‘O? Ook dat durft u tegen me te zeggen? U bent een tikkeltje te bijdehand. Tenslotte bent u wel in mijn kamer. U schuurt uw vingers als een gek over mijn muur. Mijn kamer, mijn muur! Bovendien is wat u zegt belachelijk, niet alleen brutaal. U zegt dat uw natuur u dwingt met mij op deze manier te praten. Echt waar? Uw natuur dwingt u? Dat is aardig van uw natuur. Uw natuur is de mijne, en als ik me van nature vriendelijk tegenover u opstel, dan mag ook u niets anders doen.’
‘Is dat vriendelijk?’
‘Ik heb het over vroeger.’
‘Weet u hoe ik later zal zijn?’
‘Niets weet ik.’
En ik liep naar het nachtkastje, stak de kaars die erop stond aan. Ik had in die tijd gas noch elektrisch licht in mijn kamer. Ik zat daarna nog een tijdje aan tafel, tot ik ook daar genoeg van had, mijn overjas aantrok, de hoed van de canapé pakte en de kaars uitblies. Toen ik de kamer uit ging, bleef ik haken achter een stoelpoot.
Op de trap kwam ik een huurder van op mijn verdieping tegen.
‘Gaat u er alweer uit, schooier?’ vroeg hij, terwijl hij uitrustte op zijn over twee treden gespreide benen.
‘Wat moet ik anders?’ zei ik. ‘Ik heb net een spook in mijn kamer gehad.’
‘U zegt dat met dezelfde ontevredenheid als wanneer u een haar in uw soep had gevonden.’
‘Grappig bent u. Maar denkt u eraan, een spook is een spook.’
‘Zeer zeker. Maar wat als je eigenlijk helemaal niet in spoken gelooft?’
‘Nou, denkt u soms dat ik in spoken geloof? Maar wat heb ik aan dat niet geloven?’
‘Heel simpel. U hoeft gewoon niet meer bang te zijn als er echt een spook bij u komt.’
‘Ja, maar dat is toch de bijkomstige angst. De eigenlijke angst is de angst voor de oorzaak van de verschijning. En die angst blijft. Die heb ik ronduit grandioos in me.’
Ik begon van de zenuwen al mijn zakken te doorzoeken.
‘Maar aangezien u voor de verschijning zelf niet bang was, had u toch gerust naar haar oorzaak kunnen vragen?’
‘U hebt blijkbaar nog nooit met spoken gesproken. Want van die kun je nooit een helder antwoord krijgen. Dat is gezwam. De spoken lijken over hun bestaan meer in onzekerheid te verkeren dan wij, wat overigens gezien hun dunheid geen wonder is.’
‘Maar ik heb gehoord dat je ze kunt laten aansterken.’
‘Dan bent u goed geïnformeerd. Dat kun je. Maar wie doet er zoiets?’
‘Waarom niet? Als het een vrouwelijk spook is bijv.,’ zei hij en hees zich de bovenste trede op.
‘Aha,’ zei ik, ‘maar zelfs dan schiet het er niets mee op.’
Ik dacht na. Mijn kennis was al zo hoog, dat hij, om mij te zien, voorover moest buigen onder een welving van het trappenhuis. ‘Maar hoe dan ook,’ riep ik, ‘als u me daar boven mijn spook afpakt, dan is het uit tussen ons, voor altijd.’
‘Maar het was toch maar gekkigheid,’ zei hij en trok zijn hoofd terug.
‘Dan is het goed,’ zei ik en had nu eigenlijk rustig kunnen gaan wandelen. Maar omdat ik me zo echt verlaten voelde, ging ik liever naar boven en naar bed.

___________________
deze vertaling © Huub Beurskens