KOENRAAD GOUDESEUNE - TWEE GEDICHTEN

 



IN MEDIA VITAE

 

Hier vaart iedere dag een boot voorbij met op het dek

een uitgelaten menigte van jonge mensen. Het is zomer,

van ver reeds hoor je dansmuziek, gelach. Het zwelt aan

en nog voor ik de boot kan zien, open ik het venster.

 

Steeds andere jongelui, maar wat zij doen verandert niet.

Ze wuiven, joelen en heel even sta ik in het middelpunt

als ik hen mijn biertje toon, als ik met hen toost — op wat?

Wat verder maakt de boot een U-bocht en keert terug.

 

En ik sta daar nog. Wat zich eerder voordeed, gebeurt opnieuw.

Zij die aan stuurboord stonden, staan daar nog en zien mij niet.

Zij die aan bakboord staan, zien me voor het eerst. Ook ik


ben blijven staan waar 'k stond, drie hoog, aan 't open raam.

De boot vaart traag voorbij, de muziek, het gejoel neemt af.

Totdat ik hem niet meer zie, alleen nog hoor, verrassend lang.

 

***

 

AVOND

 

Soms bevangt mij in een bos het idee dat jij het bent

die mij omringt met struikgewas en hoge bomen.

Dat jij het bent daarboven die haar licht op mij

laat schijnen. Je bent het geritsel in het bladerdek.

 

Ja, zelfs de weg naar het bos ben jij. En als ik nog

vertrekken moet, ben jij het die me vertrekken doet.

De open velden waarlangs ik ga, de koeien in de weide.

Niets vermag te klein, te groot te zijn — jij bent het.

 

Kortom, ook al loop ik daar volstrekt verloren

en heb ik geen idee van de toekomst die mij wacht,

jij bent het, zelfs de late avondzon ben jij als meisje.

 

Waarom? Ik weet het niet. Ook de weg terug lijkt

alleen maar naar jou te leiden. Ik kan alleen maar gaan

naar waar jij bent, je bent de lange schaduw die ik werp.



 

____________________

Van dichter en prozaïst Koenraad Goudeseune (Ieper 23.2.1965) verscheen recentelijk de roman De nuttige last van tragiek.


DRIE CHILEENSE DICHTERS VAN NU

 


Rodrigo Hernández Piceros, Enrique de Santiago, Rodrigo Verdugo

 

notitie vooraf

 

Vorig jaar overleed onverwacht de de door velen bewonderde Chileense dichter Rodrigo Hernández Piceros (1974-2019) aan de gevolgen van een hartaanval. Zijn oude bentgenoot Rodrigo Verdugo (*1977) schreef onlangs een indrukwekkende litanie over het verlies van zijn dierbare vriend en geestverwant; dit gedicht werd nog niet gepubliceerd, ook niet in Chili. Omdat ik sinds vele jaren geregeld contact heb gehad met zowel Hernández Piceros als met Verdugo, vroeg de laatste mij zijn gedicht te vertalen en te publiceren. Ik laat zijn schrijnende hommage, waarin hij zinspeelt op vele thema's uit het werk van Hernández Piceros, voorafgaan door een typerend gedicht van de betreurde dichter zelf, en ook door een gedicht van Enrique de Santiago (*1961) die samen met beide anderen de vele activiteiten van de groep Derrame heeft georganiseerd.

            Derrame (wat 'stortvloed' betekent) veroorzaakte rond de eeuwwisseling een kleine revolutie in het heersende klimaat van nogal barokke getuigenispoëzie die het stempel droeg van Pablo Neruda's zwaarwichtige epische scheppingen. De Derrame-groep introduceerde opnieuw het taalexperiment, de humor, de satire en het vrije spel van de verbeelding -- de grote Chileense avant-gardist Vicente Huidobro indachtig, die in de jaren twintig van de vorige eeuw het dichterlijk experiment in Chili (en ver daarbuiten) had laten klinken, mar ook uit waardering voor de belangrijke dichters van de eerste Chileense surrealistische groep Mandrágora: Enrique Gómez Correa, Jorge Cáceres en Braulio Arenas die vanaf 1939 hun verbeelding de vrije loop lieten.

            De Derrame-groep bestaat niet alleen uit dichters maar ook uit beeldende kunstenaars. Door heel Chili organiseerden zij groepsexposities en lezingen, en werden herdenkingsmanifestaties georganiseerd ter ere van de schilder Roberto Matta, van de lang miskende dichters van Mandrágora, en van de surrealistische dichter en kunstenaar Ludwig Zeller, die in gekozen ballingschap leefde. Het Chileense literaire en artistieke publiek werd door Derrame wakker geschud met een 'stortvloed' van nieuwe kunstzinnige uitingen die door hen gekoppeld werden aan de lang weggedrukte onderstroom van het Chileense avant-gardisme.

            Omdat Rodrigo Hernández Piceros daarin een grote rol heeft gespeeld heb ik de hommage die Verdugo aan hem bracht in vriendschap en met bewondering vertaaald.        

           

Laurens Vancrevel

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                             

 

Rodrigo Hernández Piceros

Dromen zijn vasthoudend

 

De bijzonderheden van een willekeurige zondag voeren rond

De belevenissen van het dichtersleven voeren daar ook

Want een beetje meer gezond verstand is hard nodig in deze tijd

Het is een tijd van geschminkte harten

Zo is het, het zou beter zijn een lange middagslaap te houden

en niet meer te ontwaken

Beter zou het zijn om al die rotzakken mores te leren

zonder dat ze kunnen terugslaan

De wolf beschikt over de kracht om golven te breken

Het mooiste lijk is dat van de nacht

Toen ik onder een acacia zat ging het ene visioen na het andere

 van de oude klokkenluider voorbij

Londen is veel te ver weg om er overdag te kunnen zijn

De deugdzaamheid van sommige lieden en hoge heren van het recht

verdient het schavot

Uiteindelijk is de leegte van een spiegel een gebroken traan

Toen ik de gefilterde signalen hoorde in de geheime gewelven

Zou de komst van de equinox eigenlijk wel beter zijn

Alle moeders komen dan bijeen bij het vallen van de bloedrode dag

Ze vegen alle as bij elkaar om hemelse lichamen te vormen

Lege graven delvend en wachtend, eindeloos wachtend

Een eeuwige angst in de vissenbuik

Zoveel hindernissen in een zo eenvoudig leven

Even eenvoudig als de meest gekoesterde herinnering

In deze nacht waarin de droom vasthoudend

Al zijn schepen groepeert om met meer kracht binnen te varen.

 

 

 

Enrique de Santiago

Enkele vragen uit Zotland

 

Waarom moeten wij de fraaie dans van een spore gaan volgen

zonder zijn diepste wezen te kennen?

Waar begint de kiem van het licht dat neerdaalt uit extase?

Wellicht zijn de antwoorden te vinden in de leemte

die een los geraakte steen heeft achtergelaten

of zijn het onze eigen drijfveren die tot ons spreken

met hun stilzwijgen in enkelvoud en meervoud

En wie weet of het nodig zou zijn om de glimlach

van je beminde wat eerder op te wekken?

Misschien moeten we wachten in het midden

van de stroom

al wordt er wel veel verwacht

van de daarbij georganiseerde manifestaties

nu die meer vleugelloze libellen trekken

dan schaduwen die naast hun schoenen lopen

omdat ze verwachten

de uitverkorenen te zijn.

Zo was ik bezig in de braakliggende velden

kleine stukjes lokaas te begraven die je nooit zult ontdekken,

tenminste als je de streken opzoekt van de plaatjes

die onduidelijk zijn geworden in de offsetdruk

daarbij was ook een landkaart afgebeeld en een code

die ik had opgetekend toen ik nog gelovig was

in die verre tijd toen ik nog de diepste

stelling van de rechthoek bewoonde

terwijl ik bang was dat de dag van verdoemenis zou aanbreken

die zijn geurloze en onzichtbare muil zou opensperren

zo verstreek de tijd zonder zijn steeds blekere weefsel te veranderen

in de onderaardse bloeitijd

in het uur dat de pijnlijkste en gevoeligste strelingen wegsnijdt

dat tenslotte zijn eigen verminkte schim is

met zijn uitvaart-altaar dat nadert

en  een spoor van as achterlaat en een benauwde krachteloze hoestbui

zoals wanneer er geen sporen achterblijven  van geur

noch voorvallen die je wilt onthouden.

 

 

 

Rodrigo Verdugo

Pro memorie

 

ter nagedachtenis aan

Rodrigo Hernández Piceros

 

De zot snuift lijm

op zoek naar de gekloosterde acrobaat,

de wapens van de werkelijkheid zijn van ons,

de doorschijnende missionaris toont het water,

de wolf herschrijft de geschiedenis van het bloed,

de doorschijnende missionaris toont het stof,

de vogel verdwijnt in zijn eigen kooi.

 

Ooit waren wij water,

een paard dat in de put viel,

ooit worden wij tot stof

op een avond van vlees onder een onzichtbare zon,

of waren wij al stof, of waren wij al water

en gaan wij nu naar een sublieme verbranding,

en de wateren overwinnen een betovering van de navel,

en de kinderen verbergen zich onder de divan,

wachtend op het verdwijnen

van de wassen spookbeelden die de middag bedierven,

en de kinderen wilden

dat het duister de kinderlijkheid van het beest zou opslokken,

ze wilden duizend armen hebben,

ze wilden de wierook in de buik van de tijger aansteken,

ze wilden naar een afspraak gaan in het betoverde woud,

ze wilden alle pijlen  bundelen,

ze wilden duizend oogleden hebben,

ze wilden vervliegen als de geur van astraal hout,

ze wilden dronken sleutels hebben

om het geluk van het bloed te ontsluiten,

ze wilden dat de stoffelijke resten

verliefd zouden worden op een dier van voorheen,

ze wilden wonen op een boot midden in een woestijn

om daar te zorgen voor hun voorouders en ouders,

en voor hun moeders en hun broeders,

ze wilden boven op een guillotine het glas heffen,

ze wilden dat de lichtstraal het bloed zou bereiken

in de stilte van de droom,

ze wilden dat er een kerkklok het bloed zou bereiken

met de stilte van de eb.

 

In een plechtigheid van schaduwen

wilden zij dat een meisje het schuim zou hypnotiseren,

wilden zij duizend navelstrengen hebben

om in onschuld ten onder te gaan,

wilden zij hun tanden zetten in de ruggen van vrouwen,

wilden zij enorme wortels hebben

en wegkruipen onder de divan,

want de kinderlijkheid van het beest gaf hun een rots

waarop ze konden vrijen met een geliefde die slechts zeewier was

en ze de betovering van de navel te boven kwamen,

waardoor zij duizend armen kregen,

waardoor zij duizend oogleden kregen,

waardoor zij geen stof werden, noch water,

en ze verbroederden de wervelwind met de draaikolk

totdat de engel al haar balsem gaf

en het heilige zaad liet vloeien,

en de standbeelden wilden niet dat de dageraad zou gaan bederven,

en het gebed van de bijlen

stond niet toe dat de dagen de hemels kort knipten

en onze afscheidswoorden werden gegrift in de ogen van de vogels,

de ontkieming zette haar missie voort,

en de schemering volgde op het bloed

als bij de herinnering aan een straftijd,

en de noordelijke krachten braken los uit de slakkenhuizen

en vielen neer in de vorm van gouden munten

alsof een gek zich erop had gestort in een klein straatje,

en de kuilen verheugden zich op het vallen van een paard,

en de mannen dienden zich aan

met hun tanden, hun pitjes en zaden

en de vervloekte wijnranken krulden zich om vrouwen heen,

en duizenden wimpers en armen en pijlen

overdekten de vervloekte lampen,

dekens en beddenspreien

bedekten de gaten die geslagen waren door de botsing van planeten,

en de ontevreden zielen lieten

molenraderen en het rad van fortuin draaien,

en de bomen dachten dat het daglicht een spel was

en elke taal een leugen van vogels,

en alles wat wij opnoemden was in bewaring gegeven

van een betoverd woud dat astraal hout bezat

bij één boom, en daarna ook bij een andere boom,

en bij nog een andere, en weer een andere,

en het lot van het bloed maakte dat de glazen begonnen te dagen,

en het toeval van het bloed wilde niet

dat wassen spookbeelden de avond zouden bederven.

 

                                   ***

 


 Enrique de Santiago, De opstand van het woud. Acrylverf, 2013