J. RITZERFELD - GIDS

Brug over de Boeg bij Oestiloeg 1917

De schriftuur van J. Ritzerfeld heeft op mij altijd de indruk gemaakt van een on-Nederlands gehalte te zijn, als weliswaar in mijn taal geschreven maar tegelijk buiten de grenzen ervan tot stand gekomen, of juist in een culturele enclave ervan, in een vrije zone. Afgezien van de on-Hollandse inhoudelijke aspecten van Ritzerfelds proza, is in elk geval de stilistische preciesheid ervan een zeldzaamheid, helaas. Ik kan me niet voorstellen dat wie dit eenmaal ziet en ervaart, mee-maakt, zoals in de hier volgende tekst, niet meteen verder en zoveel mogelijk van de auteur zou willen lezen. ‘Gids’ is het eerste hoofdstuk van het zonder genreaanduiding in 1983 verschenen kleine werk Grensovergang Oestiloeg. De verteller is op weg in de Oekraïne. Het fascinerende aan dit proza, vind ik, zit onder meer in de volstrekt vanzelfsprekende, natuurlijk aandoende wisselwerking tussen waarnemen en reflectie over die waarneming, zoals ook tussen taal en ervaren. ‘Alleen wat goed gezien is, kan goed gezegd worden,’ merkt de verteller op. De wijze waarop hier verteld wordt toont dat tevens het omgekeerde geldt: alleen wat goed gezegd is kan goed gezien worden. – hb

***

Nu straalt in volle glans de hemel over het grijsgepluisde distelveld, de ingeklonken moerassporen, het mossige houtwerk van een vorige eeuw. Een zwartgebrande haag bolt over de uitgeholde landweg. Daarginds in een geblakerde kom met gebarsten wanden alweer twee groen bevuilde, in de aarde ingevreten hutten. Ver kijken kan men hier niet. Stoi!
            We besluiten de laatste kilometers te gaan lopen. Hoeveel kilometer? Acht – red je dat? Ik wel.
            De handrem kraakt, de motor valt hortend stil. De Oekraïense chauffeur draait zijn gezicht naar de gids, zijn profiel met de ingeklapte kaak naar mij. ‘Dat kost ons twee uur heen en twee uur terug,’ zegt hij, voor het eerst openlijk verontwaardigd. Ik snuif plotseling de oorlogsgeur van auto-interieurs, de tegenstelling vochtig–stoffig in het legercanvas. Muffe lucht, die tot mij komt van lang geleden. En daar overheen, waaiend: de bedwelmende vermenging van zand en olie.
            ‘Blijf dan hier wachten,’ zegt de gids. ‘Leg een kaartje. Speel wat met je radio.’ Ze schudt heftig haar schouders. Op de manier die ik van mezelf ken: om een fysieke walging te verjagen.
            ‘Jij zegt het maar. Mijn tijd komt wel weer.’
            ‘Dat je een knuppel kunt hanteren?’
            Zegt zij dat? Ik zeg niks, ik ben al uitgestapt en aan de eerste meters van de in een netwerk van miniatuurloopgraven opdrogende helling begonnen. Dalend. Vandaar enig uitzicht. Hier, waar ik loop, de door de natuur aangebrachte zwarte modder- en steengleuven verpletterend, is heden nog geen karrewiel, geen koeiehoef gepasseerd. Het is goed tien uur in de ochtend. In de stad, honderdtien kilometer achter ons, ooit de verste oostelijke post van het Oostenrijks-Hongaarse imperium, heeft het de hele nacht geregend. Dat heb ik de hele nacht gehoord, een vertrouwd geratel op de leistenen boven mijn hoofd, ruisend langs de twee ramen voor mijn slapeloze oog. Een constant geschuifel van waggelende beesten door de dakgoot. Gekletter uit wijde paardevagina’s op de dikke, in zwart-wit film glanzende keien van de lege straat met de zwaaiende spaarzame lichtbollen.
            Ben ik wel zo’n loper? Ik ben helemaal niet meer zo’n loper die twee maal acht kilometer aflegt, en daar tussenin nog eens drie uur lang door en rond het dorp van bestemming drentelt om het oog zijn werk te laten doen. Maar als het moet, moet je al met een stok komen om het mij te beletten. En het moet! Dertigjaar geleden liep ik driftig vijftig kilometer met volle bepakking, in een pittig tempo, door de nacht, over heuvelachtig terrein. Wie, die mij ziet, kan zich dat nog voorstellen? Ik wel. Wie kan zich mij rennend, vallend, liggend – in al die standen vurend met een machinegeweer op een onzichtbare gleuf in een vlakte – voorstellen? Moet je mij nu zien!
            De gids – alsof ik dat zo heb mogen uitzoeken: Russische van Poolse afkomst – vervolgt buiten de auto haar bitter klinkende vertoog tegen de oude Oekraïense chauffeur. Met duwende handgebaren, alsof zij de auto wil wegschuiven onder de overhellende haag.
            ‘Zij brengt de historie tegen hem in het geweer,’ zeg ik. Alsof ik niet elke seconde moet uitbuiten: kijken, kijken naar het landschap – alleen wat goed gezien is, kan goed gezegd worden –, in plaats van in mezelf dingen te mompelen die ik ver weg thuis ook voortdurend mompel. De historie? Van deze in de diepte moerassige, in de hoogte droog gescheurde plek? Acht kilometer van de scheidslijn, de rivier de Boeg. Da hat sich doch nichts ereignet. Begin ik nu ook al te spotten? Voor wie van geschiedenis houdt was er in de stad van vertrek meer reden tot opwinding. Maar misschien staan een paar gelaatstrekken, handbewegingen, woordklanken van die chauffeur haar niet aan. Ik ken dat soort details die je achterdocht, je onvrede of je woede wekken. Al naar gelang je temperament.
            De hemel glanst helemaal niet. De hemel broeit. Een egaal lichtgrijs, dat korrelig klontert aan de horizon – vlakbij, bovenop een volgende, de laatste lage heuvelrij –, het blauw verbannen houdt, vanmiddag misschien samentrekt tot donkergrauwe, naar beneden wijzende puntzakken. Maar goed ook. Het vale temperament, het mijne, bloeit onder drukkende luchten. Niet naar de lucht moet je kijken! Naar het licht van de lucht op het land! Hier, op de in aardklomp en moerasplant verpulverende en rottende tekens van deze streek – tegen de in oostelijke richting uitwijkende bocht van de Boeg –, hebben nog nooit, in geen eeuwen, de ogen van een landgenoot gerust. Behalve die ogen van die ene Nederlandse ss’er, in omgekeerde richting.
            Ik ben al zo ver gevorderd in mijn afdaling dat ik, me omdraaiend, tegen de laarzen van mijn gids aankijk. Haar gezicht bevalt me zeer. ‘Zeer,’ zeg ik hardop. Vanaf het allereerste moment al, hedenochtend om 7 uur in de kille ontbijtzaal van het hotel. Terwijl zij toch helemaal niet blond is. Dat ronde boerse blonde met krullende pieken, dat ik hier hoopte aan te treffen. Ze is zwart als een Boedapester zigeunerin. Nog jong genoeg, 1950 schat ik, om getaand te zijn zonder rimpels. Later krijgt ze bollende kaken. Een handdruk die mislukt, ik grijp haar bij de pols; een zwenking in haar linkeroog. Zo, wij gaan elkaar vandaag veel vertellen.
            Heb ik voorgesteld het laatste eind te voet te gaan? Zij riep Stoi! Om met mij te lopen? Zie mij hier staan. De blik op haar voeten gericht. Weliswaar heb ook ik mijn oude slappe sepia laarzen aangetrokken, maar zelfs in mijn verkruimelende, vijftienjarige bruinleren jack kan ik geen authentieke indruk maken. En met dat gezicht dat zich blijft gedragen alsof het door Toscane flaneert, langs de terrassen van Versailles. Alsof je het allemaal al op de televisie hebt beleefd. We zullen aan dat gezicht eens flink gaan rütteln. Straks, in deze zich op een korte, rukkerige wind verplaatsende broedende lucht, als zij die lange witte boerendoek, die ze nu uit de zak van haar regenjas trekt, ombindt.
            Ze heeft met een laatste woord, dat klinkt als een bevel, maar wat weet ik van klanken, de chauffeur verlaten, en nadert. Ik zie dat ook zij geen echte loper is; zij strijdt met een onbedwingbare molligheid. ‘Ik zie,’ zeg ik, ‘dat de volksverhuizingen van de laatste vijftig jaar van haar geen geboren loper hebben gemaakt.’
            Achter haar schuilt de zwarte auto met ver uitgedraaide, bevuilde voorbanden onder het camouflerende spinrag van de haag. De twee ronde koplampen verzinken al in de naderende middagrust.
            ‘Lopen,’ zegt ze. Commandeert ze? ‘Een beetje lijden willen we, nietwaar?’ Ze veegt met de boerendoek over haar slapen, onder haar huivende, dikke zwarte haar. Even licht ze haar haardos totaal van haar voorhoofd. Het is alsof het oppervlak van haar gezicht verdubbelt.
            ‘Al genietend, ja,’ weet ik te antwoorden. En het moet overzichtelijk blijven. Ik wil alles wat ik te zien krijg allang geweten hebben. Denk eraan! Voor verrassingen ben ik te oud. Ik wil ’s morgens weten waar ik ’s avonds kan slapen. Taai als een salamander, als het niet te lang hoeft te duren.
            Haar benen of armen rinkelen zacht. Heb ik dat vandaag al eerder gehoord? De loshangende gespen onderaan haar regenjas? Onzichtbare sporen aan de hakken, belletjes in de schachten, metalen ringen om de polsen? ‘Getinkel,’ zeg ik, ‘door Mahler gebruikt, vertraagd, voor de inzet van de vierde symfonie.’ Die man had pijn! Waarom zou zij, die ik sinds een uur Ida noem, in deze zich verdichtende hitte een doek om haar hoofd binden? Tegen het stof. Namens de code. Mijn aanwezigheid van onnozele man.
            Ik kies de verhoogde, lang geleden door rupsbanden opgewoelde, de met plat bruin gras begroeide rand van de weg. Zelfs een week vervuiling en verhongering in het open veld zou mij niet op een boer doen lijken. Zoals ik ook nooit op een soldaat leek. En het toch deed.
            De smalle, slingerende uitloper van een poel ligt over de weg. We staan al beneden. De poel de drenkplaats voor het bij de twee hutten behorende vee. Waar zijn die dieren dan? Stof zakt over het watervlak. Je ziet het stuifsel niet dalen, toch dikt het op. Vijf seconden staar ik naar de minuscule bewegingen van waterinsekten, kriskras in het stof.
            Waarom moet ik hier zijn? Die dwangneiging. Terwijl ik bij elke stap voorwaarts twee passen terug zou willen hollen. Maar elke richting hier is fout. Wil ik daarom hier op de grond gaan zitten? Altijd dat verlangen, dat geperverteerde woord. Dat zeurende, dat barsten noch helen wil. Ik hoor mezelf kraken van de tegenstrijdige gevoelens.
            ‘Zal ik je jas dragen?’
            Ik leer het nooit af. Mijn god, onder haar jas draagt ze een wollen trui. Van een nachtblauwe kleur die haar haar nog zwarter maakt. Heeft ze koorts? Koorts gehad?
            Nu weer licht de hoogte in naar de kim, waarachter we, in een lange daling naar riet en wilg, op vier kilometer van het doel, de Loega, een zijrivier van de Boeg, oversteken. Als de brug nog intact is. Was het die brug, of een andere? Pas op! Zij is de gids. Ik niet, ik weet niks. Zij hoort hier eerder geweest te zijn. Hoe kan ze me anders gidsen? Haar ouders waren hier eerder – natuurlijk, daarom heb ik haar uitgezocht; toeval bestaat niet, dat heb ik in de oorlog overleefd –, in omgekeerde richting. Nu moet ik het toch even duidelijk zeggen: wij lopen in westelijke richting, met de neus pal op de punt van de bocht van de Boeg. Haar ouders waren hier iets eerder dan die SS’er, die SS’er vooruit. Reken maar. Tussen najaar 1939 en zomer 1941 voldoende ruimte om uit te wijken. In elke richting lag de muil wijdopen te wachten. Ik heb de landkaart in mijn hoofd. De lichtjes springen als speldeknoppen aan bij elk geprogrammeerd woord.
            We lopen, alsof we elk een colonne soldaten aanvoeren, aan weerszijden van de weg, zover mogelijk tegen de rand aan. Het oog registreert getraind de aanwezigheid op korte afstand van kuil, steen, struik – kuil, steen, struik. Zoals ik me in de stad van portiek tot portiek begeef. Ik schud aan haar jas, er weerklinkt niets, en sla hem dichtgevouwen over een schouder.
            Ik moet eens een keertje tegen haar, Ida, glimlachen. Zodanig dat ze het ook opmerkt. Ze hoeft toch niet voortdurend met weggewend hoofd mij iets aan te wijzen aan haar kant van de weg. Er is daar in de uitgedroogde boomstompen, de vervallen hekken die niets dan steenbrokken omheinen, werkelijk niets te zien dat ik ook niet, in miniatuurvorm, tot in de kleinste details identiek, in de grove aarde vlak voor mijn voeten zie.
            ‘Kijk, een abrikozenboomgaard.’
            Behalve een verleden als soldaat heb ik ook nog een verleden als lector. Dat rijmt zoals een rood oog met een blauw oog rijmt, een recht been met een gebroken been. In beide functies, zij het met een ander doel, moet ik iets hebben geweten over abrikozenboomgaarden. Die chauffeur met zijn lelijke facie, die voor die haakachtige, staarogige westerling, niet eens een Duitser, op zondagochtend door al die bemodderde dorpen tussen Lwow en hier moest ploeteren, en zijn verontwaardiging tot het laatste moment wist te bedwingen, die smeerlap heb ik toch maar mooi die vrouw ontfutseld, die mij zomaar het woord ‘abrikozenboomgaard’ aanwijst. Ze worstelt met de warmte, werpt haar beide armen zijwaarts omhoog, geeft lucht aan haar wollen oksels. Ze heeft lege handen, geen ringen en armbanden te bekennen. Waar kwam toch dat getinkel vandaan?
            De loden lucht boven de plek waar de weg de kim overgaat, nu vlak voor ons, laat iets van rode vlekken door, tegelijk met een uit de onzichtbare diepte daarachter naderend karregeratel. Je hoort het paard hoofdschudden en snuiven van inspanning. Ja, ik heb bovendien een verleden als boerenzoon. Dat is ook niets geworden. Let op nu: op het moment dat het hoofd van het paard boven de hemellijn verschijnt, tot en met de hals zichtbaar is, zet je het beeld stil. Dat wil zeggen: je laat het hoofd schudden en snuiven, maar houdt het paardelijf, de boer, de kar verborgen achter de heuvelrug. Je hoort al de muziek die bij dat ritme past. Ben je niet in de war met deinende koetsen, rinkelende arresleden?
            Nu hoort ook Ida het beroemde landelijke geluid. Ze steekt diagonaal de weg over, komt voor mij lopen, ik regel mijn pas naar de hare. Waarom versnelt ze opeens? Ze zegt iets zonder om te kijken, ik versta haar niet. Of ze nu snel of langzaam loopt: haar lichaam deint niet. Lopen heeft de functie van zich verplaatsen, nooit van behagen. Ze wil niet verrast worden, ze wil de boer voor zijn, bovenop de heuvelrug staan op het moment dat de boer ons, boven zich, ontdekt. Toch een geboren loper, maar alweer in een andere betekenis dan ik me wenste voor te stellen. Je vraagt je af hoe ik, die beweer het toeval overleefd te hebben, straffeloos de ene miscalculatie na de andere mag maken. Na al die doden is het een wonder dat iemand nog met mij wenst te lopen, te liggen, te kruipen naar de volgende kuil, steen, struik. Naar de volgende stam van een abrikozenboom.
            Ida steekt één hand naar achteren, een knippend gebaar met vijf vingers. Bedoeld als teken om vlak achter haar te blijven, haar hand te vatten? Ik schuif aan, maar raak haar niet aan. Alsof ik op haar rug zit, passeren we de heuvelkruin.
            Ai!’ Toch slaag ik erin niet tegen haar op te botsen wanneer ze plotseling blijft staan. Haar rechtervoet glijdt uit over een losse steen. Ze herstelt moeiteloos haar evenwicht.
            Ai!’ roep ik, lang en vertraagd. Het moet klinken naar pijn en verrukking, naar verrassing en herkenning. Vooral niet naar angst. Het paard, want daarin heb ik me niet vergist, vlakbij, stampend, schuddend, dampend omhoogkomend, trekt een kleine, halfhouten vrachtauto uit de jaren dertig, beladen met lege manden. Vanuit een onzichtbare positie strompelt haastig de boer naar voren en stoot het paard met een stok in de ribben. De boer heeft geen tijd om zich met ons te bemoeien. Stapt het paard uit zijn ritme, dan krijgt het de vracht niet meer op gang.
            ‘Helpen duwen.’
            Zegt zij dat? Wie weet wat zij zegt, en god weet wat zij denkt.
            Bovenop de heuvel slaat de boer een pad in dat over de kruin loopt, daarna in een wijde, zacht dalende boog achter de abrikozenboomgaard verdwijnt. Nog even heeft hij gelegenheid om ons op te nemen. Hij doet dat achteromkijkend, de klep van zijn pet omhoog wrijvend, hij kent elk obstakel op zijn weg dat hem zou kunnen doen struikelen. Hij strompelt van nature. Ik hoor Ida ademen, ze roept de boer een klank achterna die welgezindheid en beste wensen voor een goede oogst tot uitdrukking moet brengen.
            Nu kijkt ze mij aan, ik sta nog steeds half achter haar, ze kijkt me voor het eerst met beide ogen aan, zonder dat haar blik meteen weer wegvliedt. Ik heb geen ervaring met de donkere ogen van donkere vrouwen. Het kan van alles betekenen. Ik zie dat de transpiratie langs haar kaakbeen in haar hals verdwijnt.
            ‘Waar was je bang voor?’ vraag ik. Dat is dom gevraagd, want nu zegt ze het niet. Goed, we wachten wel.
            ‘Laten we even uitrusten,’ zeg ik, ik alweer.
            ‘We hebben nauwelijks twee kilometer afgelegd.’
            Ik hoef maar twee flinke stappen terug te doen om het platte dal dat we hebben doorkruist te kunnen overzien. Het wonder gebeurt, Ida komt me achterna en zakt neer op een grote steen. Ik doe alsof ik alles van de aarde weet, en ga plompverloren vlak voor haar op de grond zitten.
            ‘Over vijf minuten moeten we weg zijn. Dan komt die boer terug om te kijken of we hier liggen,’ zegt Ida.
            Het is altijd hetzelfde dat mij het meest verrast.
            ‘Een sigaret lang mag het toch wel duren?’ vraag ik.
            Geeft in de verte de auto, onze auto, schuilend onder de haag, lichtsignalen? Onzin. De hele streek blikkert en glinstert in het vadsige licht. ‘Stravinskiaans objectivisme.’ ‘Wat zegje?’ Wat voor camera, welke lens gebruik je om iets te filmen dat zich in een wijde, brede diepte afspeelt, en, reusachtig vergroot, wijd en breed en plat dichtbij getrokken wordt?
            Ida zegt dat ze niet rookt.
            Omdat ze een lange broek draagt, van een onmodieuze lakense stof, durf ik lange tijd naar haar handen op haar knieën te kijken.
            ‘Die vrachtauto dateert minstens uit de jaren twintig,’ zeg ik.
            ‘Die auto heeft, toen hij nog reed, zijn waarde honderdvoudig, duizendvoudig opgebracht. Die vervoerde vee en mensen. Je vindt er hier nog heel wat van dat soort. En veel grotere ook.’
            ‘Een geluk dat het paard een scharminkel was.’
            ‘Een geluk dat ik een hoofddoek om heb.’ Ze trekt haar doek met één ruk los, waait ermee langs haar gezicht. ‘Kom, we gaan.’
            Ik steek mijn hand uit, ze grijpt mijn pols en trekt me overeind. Nu hoor ik ook het getinkel weer.
            Plotseling tast ze aan de borstzakken van mijn jack. ‘Je zou geen camera meenemen,’ zegt ze. ‘Er mag niet gefotografeerd worden!’
            ‘Dat is geen camera,’ zeg ik.
            Nu we de laatste opwaartse helling definitief de rug hebben toegekeerd, ligt voor ons de oneindige groenzwarte vlakte waarin alles riet en wilg en moeras, waterdier en watervogel lijkt.
            ‘Heb je die knecht niet gezien,’ zegt Ida, ‘in de cabine, achter het stuur!’
            Ik sta stokstijf. Het ‘nee’ krijg ik er niet uit. Een duimgrote plek in mijn nek wordt ijskoud.
            ‘Jij let niet goed op! Jij hebt geen ervaring!’
            Ze slaat met haar doek in de richting van mijn gezicht, en zet er stevig de pas in.
            ‘Ja,’ zeg ik, luider dan ik gewend ben. ‘Ik ben alles vergeten.’
__________________________
Onder de naam J. Ritzerfeld schreef Oscar Timmers (Heerlen 1931 - Amsterdam 2018) onder meer De amazone (1977), De paardendief (1979) en De poolse vlecht (1982).

‘Gids’ is het eerste hoofdstuk van Grensovergang Oestiloeg (1984); de spelling in die uitgave is hier gehandhaafd. Publicatie met dank aan © de rechthebbenden.

Oscar Timmers was lange tijd werkzaam als redacteur bij een literaire uitgeverij, publiceerde onder zijn eigen naam o.a. Nelson’s oog (1968) en Oogappel (1969), en vertaalde werk van o.m. James Baldwin, Jakov Lind en Jerzy Kosinski.

MARTIN REINTS - LELA ZEČKOVIĆ (1936-2018)


ʻWat is een aristocraat anders / dan iemand die valt zonder strijd.ʼ Goed zinnetje uit ʻVoor een verre vriendʼ, een gedicht van Lela Zečković. ʻEerst kijkt hij, dan ziet hij, / dan draait hij zich om.ʼ
         Zečković was sterk in het gebruik van gewone, heldere zinnen die een sterk beeld oproepen. Ze kon inzoomen alsof ze aan het filmen was: ʻIn het postkantoor, in Florence, / het postkantoor bekend om zijn schoonheid, / op een avond, aan een enorme, lege tafel / zit een beeldschone man / en schrijft een brief.ʼ
         Vierendertig jaar geleden, in 1984, publiceerde Zečković deze regels in De Revisor. Ik heb ze vaak teruggezocht om ze opnieuw te lezen.
         Zečković werd in 1936 geboren in Varaždin (Kroatië). In 1960 kwam ze in Amsterdam wonen, bij de man op wie ze in 1953 verliefd was geworden. Ze hadden elkaar leren kennen op het eiland Krk. In 1975 publiceerde ze vanuit Amsterdam een dichtbundel in Zagreb: Uho vraća vid (Het oor geeft het oor terug). In 1981 volgde bij uitgeverij Querido haar eerste en enige Nederlandse bundel: Belvédère. Een aantal gedichten daarin waren voorgepubliceerd in De Gids. Ze was meteen aanwezig: haar debuut werd bekroond met de Lucy B. en C.W. Van der Hoogt-prijs. Daarna publiceerde ze nog een paar keer in De Revisor, in Raster en in de NRC. Voor zover ik weet heeft ze vanaf 2000 geen poëzie meer laten zien. Ze heeft me jaren geleden eens laten weten dat ze wel weer aan het schrijven was. In februari dit jaar is ze gestorven, in Triëst.
         Een korte rondleiding door een van mijn lievelingsgedichten: ʻMoeder en dochterʼ. Ze valt met de deur in huis:

Zij hangen naast elkaar.
ʻDe gelijkenis is zo grootʼ zegt een man,
ʻdat men vergeet dat het hier
om twee personen gaat.ʼ

Kennelijk een bezoek aan een museum of een oud huis dat is opengesteld voor toeristen. Een weinig opzienbarend, beetje plechtig geformuleerd cliché over de gelijkenis van een moeder en een dochter. De man die zo praat, lijkt me een gids. Daarna is Zečković zelf weer aan het woord:

De moeder is nog jong.
Haar mond is eerder paars dan rose.
Haar grijze jurk is van dofglanzende zijde.

Haar man die de opdracht gaf
aan de schilder is een magistraat.

Korte zinnetjes. Ze brengen veel in beeld. Niet alleen de moeder en de dochter, maar ook het hoofd van dit gezin. Bestond dat prachtige woord ʻdofglanzendʼ al? Je ziet de lichtval op de plooien in de stof.

Zij houdt niet van hem.
Zijn huid stinkt naar gezag en angst.
Nog nooit heeft ze hem mogen aanschouwen
in een kamerjas met een glas wijn
in zijn hand.

ʻGezag en angstʼ! En dan het portret van de dochter:

Het meisje is nog klein
en baadt in een zacht licht.
Om haar middel heeft ze een groen ceintuurtje
versierd met een gesp met ingelegd smaragd.
Het buikje is vreemd rond.

Haar crêpe de Chine jurkje
kan haar niet vertellen
dat ze ooit een kind zal krijgen
van een belangrijk man.

Wat een vernietigend gebruik van het woord ʻbelangrijkʼ. Een muur met twee portretten, meer niet. Maar in deze opsomming van rake zinnen word je ingelicht over het weinig gelukkige huwelijk, over het verband tussen gezag en angst en over de onvermijdelijke toekomst van de dochter. En zo eindigt de bezichtiging:

Hun salon was groot genoeg
voor deze twee treurige schilderijen.

Zečković is als dichteres niet bekend meer. Voor de meeste mensen die haar naam nog kennen, is ze vooral de weduwe van de man op wie ze in 1953 verliefd werd: Hans Faverey. En voor anderen is ze in de eerste plaats vertaalster, van Vasko Popa, Danilo Kiš en Miroslav Krleža bij voorbeeld.
         Onder de mensen die haar poëzie kennen, zijn er die er weinig mee op hebben. Maar ik maak ook vaak mee dat er mensen enthousiast worden als ik ze deze gedichten laat zien. Om het sterke gebruik van de gewone taal, om de rake beelden, om de ongewone inhoud.
         Wat me aan deze gedichten vooral bevalt, is de rustige, zorgvuldige opbouw. Het gedicht ontvouwt zich geleidelijk terwijl je het leest, iedere keer dat je dat doet opnieuw. De waarneming ontstaat terwijl hij onder woorden wordt gebracht.
         Het uitgangspunt van deze gedichten lijkt niet de behoefte te zijn om iets anders of meer uit te drukken dan wat de woorden oproepen. De formuleringen van Zečković doen nooit geforceerd aan, ze zijn vanzelf trefzeker. Ze gebruikt spreektaal, maar het is niet wat je noemt ʻparlandoʼ. Ze kan iets op een verrassende manier zeggen, maar ʻspitsvondigʼ is het nooit. Geen taalspelletjes of -grapjes, geen nuances: je krijgt als lezer de volle laag. Ik denk dat haar manier van schrijven, net als die van sommige andere dichters uit de jaren zeventig en tachtig, ongemerkt en vanzelfsprekend ergens doorklinkt in sommige poëzie van dit moment.
         Nog een voorbeeld van een onvergetelijk beeld, in een van de andere gedichten uit 1984: ʻBriefʼ. De eerste zin heb ik al aangehaald, de zin waarin Zečković inzoomt op iemand die een brief schrijft. Eerst het postkantoor van Florence. Door de plaatsnaam sta je nog buiten, het is een totaalbeeld. Dan het woord tafel: de camera rijdt naar binnen. Een enorme, lege tafel. En dan, het staat er niet zo maar het is hoe ik het zie: helemaal aan het eind van de tafel: de beeldschone man die een brief zit te schrijven. ʻVerlicht door melkachtig schijnsel / uit een tafellamp.ʼ
         In zijn concentratie op wat hij schrijft, is de man zo afgezonderd van de wereld dat hij er eigenlijk geen deel van uitmaakt. Zečković zegt dat zo:

Tussen hem en de wereld staan:
de rand van de tafel,
wijdopenstaande deuren,
in schaduw verzonken ruimte
onbegaanbaar als een rivier
vol draaikolken.

Dit is zoʼn strofe van haar die ik een paar keer per jaar even opzoek. Zoals er schilderijen in musea hangen die je niet vaak genoeg kunt zien.

______________________
Van Martin Reints verscheen recent Wildcamera, een bundel met gedichten en beschouwingen. Zie ook Martin Reints hier op Het Moment.


WIEL KUSTERS - WINDCERTIFICAAT



In memoriam  Oscar Timmers (J. Ritzerfeld)

Zijn kleur is van vallend blad,
zijn nerf rimpeling van water.

Aan zijn vlagen verhangt zich je vlag,
aan zijn woede heelt zich je rots.

Hij glijdt over daken, valt van torens,
sluipt over de drempel, nestelt zich
in nissen van je huis waarvan je het bestaan
niet kent.

Ik kan je niet beloven dat het went
noch dat hij weer weggaat
omdat uit je laatste adem hij
zich telkens weer verwekt.

__________
Oscar Timmers (13.09.1931-01.03.2018) publiceerde onder de naam J. Ritzerfeld.

BENNO BARNARD - DE OMGEKEERDE WERELD of ORPHEUS MIDDELBAAR



Onderstaand toneelstuk vond ik terug in de onderwereld van mijn computer: het had tien jaar geen daglicht gezien.
                De omgekeerde wereld is een tragikomedie, meer komedie dan tragedie, nogal luchthartig bedoeld, ondanks de ernst van de oorspronkelijke mythe... hoe dat ook zij, een tekst die ik indertijd in opdracht van Het Toneel Speelt heb geschreven. De intendant wilde er van alles in veranderen en daar had ik geen zin in – uiteindelijk is het stuk nooit opgevoerd en ben ik maar half betaald. Sans rancune. Ik denk dat hij en ik gewoon om andere dingen lachten.
                In elk geval vond ik het jammer er nu weer niets mee te doen. Wie weet amuseert het gewrocht u wel, lezer, en de lectuur neemt niet meer dan een uurtje in beslag.

                – Benno Barnard


Orpheus
Eurydice
Eva
Thomas
Meneer Engerling
Koor (bandopname)
Eros (gespeeld door Thomas)
Furiën (gespeeld door Eurydice en Eva)
Hades (gespeeld door meneer Engerling)


EERSTE NACHT


KOOR
In deze verlaten bossen, Eurydice, zweeft je schaduw nog boven je graf.

ORPHEUS
Eurydice!

KOOR
Aanhoor zijn klacht, aanschouw de tranen die hij om jou vergiet.

ORPHEUS
Eurydice!

KOOR
Zie, o zie je wederhelft. Verdriet verscheurt hem.

ORPHEUS
Eurydice!

KOOR
Ontvloden vrouwe, keer terug naar je gade! Zijn smart jaagt op hem, hij is als buit, als een beest.

ORPHEUS
Ach, zwijg toch, metgezellen. Want jullie weeklacht maakt mijn hart nog droever. Breng jullie offer aan de beminde schaduw, bestrooi haar graf met bloemen, en trek jullie dan terug. Hier wil ik blijven, bij de bleke schaduw van de dood en klagen, klagen…

KOOR
O Orpheus…

EURYDICE
Orpheus? Hé! Je snurkt als een everzwijn!

ORPHEUS
Um… sorry…

EURYDICE
Hoeveel heb je nog gezopen toen ik er al in lag?

ORPHEUS
Ik was aan het dromen. Sorry. Het was raar. Een soort nachtmerrie. Er liepen allemaal mensen rond die ik kende en die zeiden dat je dood was. Maar op een ouderwetse manier.

EURYDICE
Ik was dood op een ouderwetse manier?

ORPHEUS
Nee, ze praatten ouderwets. Een soort zingen. Grote woorden over de bleke schaduw van de dood en zo.

EURYDICE
Maar ik was dus dood?

ORPHEUS
Blijkbaar wel. Het speelde zich allemaal af in een soort schemering, tussen bomen. En er was een graf. En daar scheen jij in te liggen.

EURYDICE
Weet je zeker dat het geen wensdroom was?

ORPHEUS
Ik was behoorlijk overstuur. Ik vroeg al die mensen bloemen op je graf te strooien. En iets met een offer. Jezus. Waar haal ik het.

EURYDICE
Schrijf er maar een gedichtje over. Ik ga wel naar de logeerkamer. Ik moet vroeg op.

ORPHEUS (alleen)
Wat een rotdroom. Wat een pathos. Wat een slechte smaak. Je zou je eigen dromen moeten kunnen herschrijven.

KOOR
Het grote woud van deze straten
is door Eurydice verlaten.

ORPHEUS
Dat klinkt al beter… eens zien… We vrijden nooit meer. En toch mis ik haar.

KOOR
De ziel van Orpheus viel in scherven
omdat Eurydice moest sterven;
hij sliep liefst in een vuilniszak
omdat zijn fles in stukken brak. 

ORPHEUS
Hum. Helemaal je dat is het toch niet.

KOOR
Zie, o zie je wederhelft. Verdriet verscheurt hem.

ORPHEUS
Ho, wacht! Die sentimentele onzin hebben we al gehad.

KOOR
Ontvloden vrouwe, keer terug naar je gade! Zijn smart jaagt op hem, hij is als buit, als een beest.

ORPHEUS
Zwijg!

KOOR
Kom, stil dit dodelijk verdriet!

ORPHEUS
Koppen dicht! Zwijgen!

Stilte

Zwijg alsjeblieft.

Stilte

Wat nu gezongen?


HUUB BEURSKENS - SALON LOTUS


De Nederlandse dichter Leo Vroman heeft een grote neus. Hij heeft daar meer dan eens zelf op gewezen. Ik meen dat hij het in verband met zijn neus ook wel eens heeft gehad over zijn ‘vogelkopje’ of iets soortgelijks.
            Menselijke neuzen, althans bepaalde menselijke neuzen, hebben iets gemeen met vogelsnavels. De hele familie Duck heeft een snavel bij wijze van neus. Neuzen hebben ook iets gemeen met namen. Nikolai Gogol had het herhaaldelijk over zijn ‘vogelnaam’, het Russische woord gogol staat immers voor wat wij hier een scheleend (bucephala clangula) noemen en er bestaat een Russische zegswijze: ‘er als een scheleend aan komen’, wat zoiets betekent als: zich fratserig kleden en gedragen.



Het is dan ook allerminst verwonderlijk dat Gogol een verhaal schreef met als titel ‘De neus’.
            ‘De neus’ van Gogol is veelvuldig bestudeerd. In 1854, twee jaar na Gogols dood, bleek ook de Russische censor goed te kunnen lezen: ‘De bedoeling van de schrijver is duister en ze kan op allerlei manieren worden uitgelegd.’ In de meer dan honderd jaar die volgden is ‘De neus’ op freudiaanse, op formalistische, meta linguïstische, semiotische, chirurgische, materialistische, semantische wijze geanalyseerd en geïnterpreteerd, en daarnaast werd er vanuit nog drieënzeventig andere invalshoeken over geschreven.
            Zelf heb ik meer dan een decennium lang gespeurd naar teksten die zich, al was het slechts zijdelings, bezighielden met ‘De neus’. Ik bladerde door Nils Åke Nilsson Gogol et Pétersbourg, Donald Fanger, The Creation of Nikolai Gogol, Vladimir Nabokov, Nikolai Gogol, F.C. Driessen, Gogol as a Short Story Writer, Simon Karlinsky, The Sexual Labyrinth of Nikolai Gogol, Hugh McLean, Gogol and the Whirling Telescope, H.E. Bowman, The Nose, enzovoort. Ik liet vrienden pluizen in Russische boeken en tijdschriften.
            Ik ben het Russisch niet meester; ik heb zo’n dertien jaar geleden wel serieus overwogen Russisch te gaan studeren, ik heb zelfs op de treden voor de ingang van het universiteitsgebouw gestaan.
            Het was een warme dag in de zomer. Ik had mijn hand al op de deurklink, toen ik een heel klein wit hondje zag, een heel klein, alleraardigst hondje, met lang glanzend wit haar. Het liep zomaar op het trottoir. Ik keek er vol vertedering en bewondering naar. Eerst zag ik het hondje en toen pas keek ik naar de eigenaar...
            Maar, wat vreemd, zo’n mooi klein, goed verzorgd hondje en helemaal geen eigenaar! Niemand die naar het hondje omkeek, niemand behalve ik.
            De mensen liepen in grote haast over de trottoirs. Het verkeer raasde langs. En toen stak dat kleine ding zomaar de weg over, tussen de snerpende trams, de toeterende bussen en gierende auto’s door!
            Wonderwel kwam het heelhuids aan de overkant. Maar hoe moest dit nu verder? Ik wist dat de stad uit nog honderden straten zou bestaan en door al die straten raasde en denderde het verkeer. Er zat niets anders op, ik moest het kleine witte hondje achterna.
            En zo repte ik me, met gevaar voor eigen leven, door de drukte. Soms was ik het hondje kwijt, dan zag ik weer hoe het verderop wat snuffelde en vlug verder liep. Ik haastte me over bruggen, door parken, langs statige gebouwen van verzekeringsmaatschappijen, over een stampvol kermisterrein, stak talrijke straten, lanen en boulevards over. Steeds wanneer ik zo dicht genaderd was dat ik het beestje zou kunnen pakken om het voor eens en altijd te redden, ontglipte het me weer. Maar toen we de beroemde straat met de modehuizen, juweliers, cosmeticazaken en schoonheidsinstituten ingeslagen waren, liep het witte hondje plotseling niet meer door.
            Was het moe? Het leek te aarzelen. Om wat, dat deed er niet toe, ik kon nu onopgemerkt van achteren naderen.
            Ik had al een hand naar het precieuze dingetje uitgestoken... toen sprong het keffend in de armen van een beeldschone dame in een strakke witte jurk met een split en op het zwart krullend haar droeg ze een brede rode baret, en omdat ze ‘Zo deugniet, ben je daar!’ zei en daarbij een smalle filtersigaret tussen haar volle rode lippen rookte, zat er voor mijn verloren hand niets anders op dan zich een houding te geven aan de eerste de beste deurknop en de deur die daaraan vastzat voor mij open te drukken en me al op de drempel de woorden te laten zeggen die ik had ingestudeerd voor mijn bezoek aan de Russische faculteit: ‘Goedemiddag, ik wilde me graag laten inschrijven bij uw onvolprezen instituut.’

Zo kwam het dat ik vrienden voor mij moest laten neuzen in V. Veresaev, Kak rabotal Gogol, Andrei Bjelyj, Masterstvo Gogolja, Z. Gippius, Ot Puškina do Bloka, Abram Terts V teni Gogolja, et cetera. En ik kwam zeer, zeer veel behartenswaardige, verstandige, opmerkelijke zaken over ‘Nos’ aan de weet. Over de vertelstructuur, over castratieangst en vrijgezellendom. Maar zelfs in de meest verregaande vergelijkingen tussen ‘De neus’ van Gogol en andere verhalen over neuzen, wordt geen melding gemaakt van het verhaal van Teo.
            Het verhaal van Teo werd mij toevallig, en volledig buiten het kader van mijn dilettantische speurtocht door de wereld van Gogol in 1973 verteld. Sterker, dit verhaal van Teo waar ik het over heb, wekte in feite pas mijn interesse voor ‘De neus’! Niemand, niemand van de heren geleerden en professoren in de