ZUCA SARDAN - VIERLUIK

  


Universum

 

De kosmos draait eindeloos rond

aan een schroef, een wilde werveling

van planeten, sloppen en krotten

kometen en sterrenbeelden

 

 

Schim

 

In de grote paleiszaal

komt de mysterieuze hand

achter het gordijn uit en knijpt

in de roze

bats

van Salomé

die Aaauuuu!!! roept

en de schaal laat vallen...

het hoofd rolt...

De schim van koning

Balthazar

opent zijn muil

schatert het uit

hijgt en hikt

en huilt...

huilt tranen met tuiten

 

 

Chaos

 

O hoe wrang

het krassen van de kraai

boven het gipsen

borstbeeld van Ishtar...!

O tijd, wat is dat!

Wacht...!

eventjes maar...

heel even... Toe...

uit de chaos plots

een bliksemflits...

uit de gescheurde hemel

ontsnapt een...

...komeet...!

die vliegt als een razende

en razend vliegt

en valt en valt

uitdooft

borrelt

en wegzakt

in het moeras

weg is hij

...

 

 

Gat

 

Wat opduikt uit het gat

van de tijd, verdwijnt ook

weer door hetzelfde gat

(en komt nooit meer terug).

 

 

 

            Vertaling Harrie Lemmens

________________________________

Zuca Sardan is het pseudoniem van Carlos (Felipe Alves) Saldanha (Rio de Janeiro 1933). Sardan is dichter, schrijver en cartoonist. Ook is hij architect maar hij heeft nog nooit een huis ontworpen. Na een lange carrière bij de diplomatieke dienst, met onder andere Den Haag als standplaats, woont hij nu in Hamburg. Hij debuteerde als dichter in 1976. Zijn werk wordt vaak gekenmerkt door een absurdistische humor. Hij noemt zichzelf metafysisch anarchist. In Nederland verscheen – behalve de bundel De hyena, niet de hond (Koppernik 2019), waaruit deze vier gedichten – werk van hem in de Europalia-bundel Vijfentwintig keer Brazilië (Poëziecentrum Gent 2011). En zijn cartoons zijn regelmatig te bewonderen in het naar hem genoemde digitale tijdschrift voor Portugeestalige literatuur www.zuca-magazine.

 

JAN LAUWEREYNS - uit: GEHUWDE ROTSEN

 


DE STEM VAN DE STROOM

 

 

De Japanse filosoof Keiji Nishitani heeft een prachtige naam. We kunnen het vertalen als de stem van de stroom in de westelijke vallei.

 

Zijn stem van de stroom kabbelde, dreef, luisterde en sprak met echo’s. Hij legde zich toe op de logica van de leegte, hoe de leegte iets anders was dan het niets.

 

Nishitani vergeleek de methode van Descartes, het systematisch twijfelen om tot Cogito ergo sum te komen, met religieuze twijfel.

 

Twijfel en onzekerheid verschenen onvermijdelijk in de vragen over het leven en de dood van het zelf en de vluchtigheid van alle dingen, zoals ze zich aandienen en weldra weer verdwijnen.

 

Hij schreef: ‘Vervat in de pijn bij het definitief verliezen van een geliefde is een fundamentele onzekerheid over het bestaan van zichzelf en van anderen.’

 

 

 

 

DE GROTE TWIJFEL

 

 

Wat rest er van mij zonder haar? Waartoe de wereld als zij er niet meer is?

 

Zen-boeddhisme sprak van ‘de verschijning aan zichzelf van de grote twijfel’. Maar de cogito van Descartes was iets anders, die ging niet door het louterend vuur waarin het ego wordt getransformeerd, samen met alle dingen, tot één grote twijfel.

 

Nishitani had gelijk, denk ik. Descartes bleef steken in iets onwerkelijks, zijn twijfel was te slap, te beperkt, en van de weeromstuit trok zijn gevolgtrekking zich krom, tot een steriel godsbewijs.

 

Opmerkelijk is dat Nishitani vertrekt bij religie en beweegt naar objectieve werkelijkheid; Descartes wil objectieve werkelijkheid en komt, ondanks enkele geniale denkbewegingen, uit bij een irrationele religieuze capitulatie.

 

 

 

 

HET LOUTEREND VUUR

 

 

Er moest wel degelijk door het louterend vuur gegaan worden, er moest radicaal gebroken en gescheurd worden, wanhopig, helemaal overgeleverd, dwars door het niets dat aan de basis van het ego ligt.

 

Alleen zo konden de cogito en het sum samen met alle dingen werkelijk tevoorschijn treden.

 

De waanzin van Hamlet, de crisis die het begin is voor het denken van Camus, de razende vraag naar zijn of niet: Descartes scheen die niet te hebben gekend.

 

Zijn sum leek wel een gegeven, een conclusie die van in den beginne veilig stond, een quod erat demonstrandum, iets dat slechts een invulling in de open ruimte voor de ergo nodig had.

 

 

 

 

RATIONELE WAANZIN

 

 

Bestaat er zoiets als rationele waanzin?

 

Descartes was te gemakzuchtig, te voorzichtig, te gecontroleerd, zijn gedachten roeiden veilig links of rechts van de storm.

 

Maar de fundamentele waarheid over het bestaan van zichzelf zat diep in de orkaan. 

 


 

 

DUBBELE SHIFTS

 

 

Een vrouw van een jaar of vijfendertig draagt een bril met dikke glazen. Ze is een moeder, heeft een zoon van twaalf, dertien jaar, een jongen die ook een bril draagt, en net als zijn moeder bezig is blind te worden. Er is geen vader.

 

Het gebeurt ergens in het midden van Amerika, Ohio of Arkansas misschien; er zijn bomen, er is groen, maar de moeder en haar zoon zien het niet of nauwelijks. Ze wonen in een caravan, in de tuin van het huis van een politieagent. De moeder werkt waanzinnig hard, in een fabriek waar allerlei machines staan te puffen en pompen.

 

(Cathérine Deneuve werkt er ook; dat had zelfs de grote Buñuel niet kunnen bedenken.)

 

Tijdens haar vrije tijd doet de moeder extra naaiwerk. Ze wil ook dubbele shifts doen, al weet iedereen dat dit niet slim is. Er moeten ongelukken van komen. Ze houdt zielsveel van haar zoon, maar het is nogal een lummelachtig kind, zonder pit. Het enige lichtpuntje in haar leven is de musical, in elkaar gestoken door een amateurgezelschap. Ze mag de hoofdrol spelen, en om te zingen en dansen heeft ze haar ogen niet nodig. Ze hoeft enkel te onthouden hoeveel passen ze in welke richting moet zetten.


 

 

 

DE MAGISCHE OPERATIE

 

 

De politieagent is verliefd op zijn vrouw, een sjieke blondine, die denkt dat hij rijk is en alles kan kopen wat zij verlangt: delicate truitjes en stijlvolle handtassen. Maar de politieagent heeft slechts een klein salaris. Hij moet bij de vrouw van een jaar of vijfendertig gaan bedelen, proberen wat geld te lenen.

 

Laten we haar bij haar naam noemen: Björk (van wie we onmogelijk kunnen vergeten dat ze in een ander leven een fantastische zangeres is, die behoorlijk kan dansen ook, maar hier observeren we haar zonder schmink, in afgedankte kleren en met vettige slierten haar).

 

Björk legt aan de politieagent uit dat ze hem niet kan helpen want ze is haar geld aan het sparen voor een operatie. Ze wil ervoor zorgen dat haar zoon met ziende ogen door het leven kan.

 

Er is ergens een dokter die de magische operatie kan uitvoeren, maar daarvoor veel geld vraagt. De politieagent ziet het geld dat Björk gespaard heeft, en ziet ook waar ze het verstopt, in een tinnen doosje, ergens achter het een of het ander.


 

 

 

EEN BOONTJE VOOR HAAR

 

 

Er is een episode met een fiets, een nieuwe fiets voor haar zoon, voor zijn verjaardag wellicht. Björk vindt het eerst niet goed, ze kan het niet betalen, denkt ze, en misschien is de fiets ook wat te gevaarlijk voor haar zoon, met zijn slechte ogen. Maar hij is zo blij.

 

Het is een stralende dag.

 

Er is zelfs iemand die een boontje voor haar heeft; liefde en geluk zomaar voor het grijpen, maar zij ketst hem af (de rol van de vragende partij wordt gespeeld door de onvolprezen Peter Stormare; ook Björk onderschat hem dus).


 

 

 

DE DUISTERNIS WENKT

 

 

De duisternis wenkt, de ongelukken komen.

 

In de fabriek doet Björk alles in het honderd lopen.

 

De regisseur van de musical overtuigt Björk dat de hoofdrol toch beter door iemand anders wordt uitgevoerd.

 

En de politieagent probeert haar geld te stelen.

 

Ze betrapt hem, ze vechten, zijn pistool lost een schot, eerst per ongeluk, de politieagent geraakt gewond, maar daar gaat hij niet van sterven. Hij ziet zijn bloed, hij is gechoqueerd. Maar dan begint hij te denken en glimlacht; eigenlijk is het een briljante oplossing.

 

Hij smeekt haar om hem af te maken. Ze gehoorzaamt en schiet een paar keren, klungelig, met ogen dicht.

 

 

 

 

DE POTBOILER

 

 

De rechter begrijpt dat ze nogal veel fantasie heeft.

 

In de gevangenis hoort Björk de muziek van haar voeten op het beton, op het bed, het kraken en piepen en zachtjes ploffen van domme voorwerpen, vlakken, wanden. Overal ontdekt ze ritmes, redenen om te zingen, zelfs met het koord rond haar nek. In het midden van haar lied gaat het luik open en valt ze onherroepelijk in de leegte.

 

Soms ontglipt er pure lyriek uit de potboiler.

 

Wanneer Björk zingt, begint de banale werkelijkheid buitenaards te gloeien.

 

 

 

 

VERSCHROEIENDE FLAMENCO

 

 

Wij dansen maar in het donker, bengelend aan een koord, met adembenemend verdriet, verstikkende pijn, dansen dronken verschroeiende flamenco, met wilde, ingewikkelde, krachtige handbewegingen, onze voeten in de lucht, de pijp zo dicht als maar dicht kan zijn, totdat het spartelen eindelijk stopt.

 

Dansen maar in het donker, bengelend aan een koord.

 

Wilde, ingewikkelde handbewegingen, voeten in de lucht.

 

Totdat het eindelijk stopt.

 

 

_________________________

Gehuwde rotsen van Jan Lauwereyns verschijnt in het voorjaar van 2021 bij uitgeverij Koppernik, Amsterdam.

JAIMY GAIL - KLEIN PORTFOLIO

 

Foto’s uit de reeksen

Schoolportrait en Normaal doen

(klik op de foto's voor een groter beeld)

 

















 

© Jaimy Gail

_________________

Jaimy Gail (1992) studeerde in 2017 af aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. 

EUGENIO CASTRO - DE WELSPREKENDHEID VAN WAT BEGRAVEN IS

  


                                                                                                              Fotomontage van Eugenio Castro


 (een selectie)

  

Honderd jaren nadat de mond van schaduw

de wraak van de woorden in gevangenschap

heeft bekrachtigd en steeds handhaaft.



Ik druk leegte de kop in. De nacht staat in vuur en vlam tussen je tanden. Ik bepleit geen genade maar scherm met de stem van het gedroomde.

 

                                      *

 

Troostrijke woorden hebben eenstemmig betrekking op de grondslagen van de overgave.

 

                                      *

 

Niets vlucht voor de deugd. Alleen de wind naait de naden. Verwonding is een afdwaling.

 

                                      *

 

Deze samenloop, tussen de legers, van de ene ramp met de andere, ging vooraf aan de driestheid van de angst.

 

                                      *

 

Ik voel hoe de hemel wordt gevild en bied geen weerstand tegen de aardschokken onder mijn voeten. In de afgrond trekt tederheid samen.

 

                                      *

 

Bij het zien van je ruggenwervels werd ik door hoop verteerd. Ik viel niet omlaag in het Al door de schuld van de lelie. Maar toen gleed er een boa tegen mijn verhemelte. Er werd as op mijn gezicht gesmeerd die was vrij gekomen uit het ruggenschild van de lach.

 

                                      *

 

Op de rand van uitputting wordt het sofisme van de schemering geformuleerd. In een dode hoek spant een waterdrager zijn pezen als een lang verwachte vrucht van tegenspoed.

 

                                      *

 

Op mijn schouder verrijst een berg. De dag waarin een ader zich in rouw hult heelt alle vooroordelen. Eenoog voorspelt de geschiedenis van het mos. Bij zoveel sluwheid komt het droombeeld aan zijn eind.

 

                                      *

 

Hoe onbevlekt is sneeuw die neerdwarrelt uit de nacht vlakbij een muurhagedis op een havenhoofd. Ze trokken de naden los bij de afgrond. Niemand hoorde de stem van de zelfmoordenaar. De wil verwondde zich aan de punt van een lans, veroorzaakt door een gebrek aan belofte. De betovering die de wind had gelegd op het binnenste van een blind oog werd verbroken.

 

 

                                      *

 

Een hevig lawaai begroef de lampionnen van de honger. Alles werd gered door de ontroostbare stoutmoedigheid van een kleine kidnapper. Als wij nog meer zouden wensen moesten wij naar de rand van het moeras gaan. En als wij de bek van het beest zouden willen opentrekken, zouden wij ook de hemelen moeten openbreken. Zo kunnen er vlinders komen die ons gaan verblinden met hun  broze berichten. De spleten zouden de onuitgesproken deugden in zich opnemen. Wat trilt die iep onder de stortvloed van weldaden!

 

                                      *

 

Er zitten cipressen in mijn keel die mijn kwalen van weleer genezen.

 

                                      *

 

Dit leven heb ik niet in mijn buik geduwd om de opdringerigheid van volwassenen te elimineren. Betreurenswaardige kringloop die verhindert om een gele kracht te ontwikkelen. Moleculen vergiftigen de velden. Ik leg de ouwel van welwillendheid op mijn tong.

 

                                      *

 

Tussen de wolken en de zwijnen is er een verborgen god die ernaar streeft de zware laatste levensdagen te verzachten. De wet van de zwaartekracht behoudt zijn besluiteloosheid.

 

                                      *

 

Ik heb de kristal achter dit vel nog niet ontwaard of er wortelen eikenbomen in mijn aderen. Ik verslind het lijf van een engel om te controleren of de nevels in de tuin wel loyaal zijn aan mijn ontsnapping. Elke dag smoren verwaande kikvorsen het vurige verlangen van de kleine kikkertje. En het opvliegen van een nachtegaal dient tot niets anders dan om voedsel te verschaffen aan de beulen. Maar een zeis is niet opgewassen tegen desolaatheid.

                                     

                                      *

 

De stok van een vogelverschrikker is gebaseerd op de wetten van wat er niet toe doet. En beierende klokken van wat niet is opgeschreven klinken ver.

 

                                      *

 

Sereen is de jaloezie van tulpen. Op grote afstand van zijn trotse aanwezigheid kan de zee je ogen al breken. Laten we vooral letten op kinderen die spelen op de straathoek, dan zullen wij iets snappen van wat een opstopping is. Ze besloten in een ravijn te springen om zich te onderwerpen aan het risico van een getuigenverklaring. Een kraai vloog over het geneuren heen, en de kinderen gaven hun ogen weg aan de noorderwind. Het was mooi om zoveel veren te zien in de ruimte. Alweer een kind tussen al die kruizen. Maar wel eentje om de postbode voor te straffen.

 

                                      *

 

In je binnenste vreet een vleermuis de laatste restjes van het overlijden op. Dat verlicht de smart van de rouwenden. In de schemering is het geschreeuw van de mensheid te horen.

 

                                      *

                           

Tussen de klippen rijpten de vruchten van de equinox. Pal in de wind  staat daar het beminde onkruid. Ga niet weg zolang de blinden niet zijn weggegaan in hun passie om het hoogtepunt te bereiken. Geef steeds Als je een kruis plant in je buik, geef dan steeds uiting aan de zoete verlossing van het orgasme. Ervan uitgaand dat je geen kwaad in je schild voert kan je tot slot de weg wijzen door het gebergte van de geschiedenis.

 

                                      *

 

Waarom ween je nog, gevaarlijke aartsengel, als je tot in alle eeuwigheid over alle mogelijkheden  beschikt? Blinde, meedogenloze aartsengel, je zult de stoffelijke resten van je broeders over de mensheid uitstorten om de zoete wellevendheid te verstikken. Je blaast de mensheid slechte tijden toe, je legt zwarte ouwels op de tong van de armen, je castreert het leven. En als een slappeling sla je op de vlucht in het korenveld, dat je dan in brand steekt om te bewijzen dat de bijbelse plagen echt hebben bestaan. Met gebroken slagordes ruk je flarden  los uit de waarheid, hol je de goedheid uit. Op die manier krijg je je loon van je bazen.

 

                                      *

 

© 2019 Eugenio Castro, Madrid

Selectie en vertaling uit het Spaans door Laurens Vancrevel

 

______________

Eugenio Castro (*1959, Toledo-Las-Herencias) is dichter, essayist en beeldend kunstenaar in Madrid. Hij is redacteur van het tijdschrift Salamandra en oprichter  van de kleine uitgeverij La Torre Magnética in Madrid. Hij publiceerde onder andere de dichtbundels Mal de Confin (2005) en El Gran Boscoso (2007). In Het Moment zijn reeds enkele vroegere teksten van hem geplaatst.

De hier vertaalde 'automatische' teksten zijn gekozen uit zijn bundel Elocuencia de lo sepulto (Editorial La Estética del Fracaso, Madrid, 2019). Daarmee brengt de dichter een hommage aan het eeuwfeest van het automatisch schrijven ('l'écriture automatique'), dat in 1919 door André Breton en Philippe Soupault werd ontwikkeld in hun gezamenlijke boek Les Champs magnétiques ('De magnetische velden'). Dat boek wordt beschouwd als het begin van het surrealisme.

In het motto van Castro's bundel is sprake van 'de mond van schaduw'. Dat beeld is een verwijzing naar Bretons aanduiding van het automatisch schrijven, die hij op zijn beurt ontleende aan de titel van het beroemde spiritistische gedicht van de grote Franse romanticus Victor Hugo, Ce que dit la bouche d'ombre (1856).

De teksten van De welsprekendheid van wat begraven is laten zich lezen als mysterieuze orakeltaal waarvan de woorden erop gericht zijn a-logische associaties en beelden bij de lezer op te roepen. (L.V.)