TH. VAN SCHOONHOVEN - OMVER

Schilderij (c) Hedwig van der Heiden


1

of afstand afneemt
bij tekort aan diepte

of omtrek zonder
kijkpunt einder mist

of in overzicht
geen ruimte is

voor veraf herkennen
wordt belet

is landschap schier
een lei in verwering


2

oogmerk kwijt. sleets
van weeromstuit. omver

wil wat zich verhief
allerwegen terneer

klapt wat afstand bewaarde
om op regelrecht

wit dat ruimte ontkent
niet bekend wil zijn


3

landschap gaat schuil
achter krassen en gestreep

of het onder gaasdoek
wordt gespannen

waarop mist stuk
slaat als op kort gras-

linnen


4

breed. breder dan het doorzicht toe
laat ligt landschap achterover

neer. aanblik van bovenaf
/ je slaat in scheervlucht gade

rest

_____________________
Uit Th. van Schoonhoven, Omver, Meulenhoff Amsterdam 1980, de enige boekpublicatie van Th. van Schoonhoven, pseudoniem van John de Vos (Gouda 1956 - Amsterdam 2018).

H.C. TEN BERGE - SCHIMMEN IN DE KLOOSTERTUIN


‘Goed dat u gekomen bent,’ zei Sir Philip, terwijl hij zijn gebrekkig gecamoufleerde schuilplaats onder een afdak achter enkele fietsen verliet. ‘Zoals u weet ben ik in Zutphen ongewenst, dus onbemind. Het natte weer lijkt dat te onderstrepen. Is het waar dat de Spanjolen zijn verdreven?’
            De jeugdig uitziende dichter en krijgsman keek om zich heen, zette een gepluimde breedgerande hoed weer op en liep een paar passen de doodstille kloostertuin in. Hij trok nog altijd met zijn been. ‘Een dag voor ik stierf, geloofde iedereen dat ik genezen zou. Mijn zuster Mary, mijn broers, mijn vrouw Frances, de vereerde Lady Rich voor wie ik mijn gedichten schreef, ja ook oom Robert, graaf van Leicester – allen keken ze uit naar het moment waarop ik de terugreis naar Engeland zou kunnen aanvaarden. Ik was koortsvrij en helder. Toch schreef ik aan Jan Wyer – een Hollandse arts in wie ik vertrouwen stelde – dat zijn overkomst naar Arnhem dringend gewenst was. Juffrouw Gruitthuissens, wier gastvrijheid ik genoot, kan dat desgevraagd bevestigen.’
            ‘Maar het koudvuur had u al geveld,’ zei Transmontanus, die Sidney’s uitgestoken hand had losgelaten. ‘En dat wist u beter dan uw artsen. De toon van uw brief verried hevige verontrusting. U had de merkwaardige geur die uw lichaam omhulde heimelijk ervaren als een inward mortification, zoals uw trouwe vriend Fulke Greville heeft opgemerkt.’
            De herfstregen vlaagde over het dak van het voormalige klooster naar beneden. Paden en banken gaven een matte glans af in het middaglicht. ‘Vandaag is het verzoendag, ook al houdt de wind het niet droog.’ Transmontanus, bijgenaamd de archipoëet, ontvouwde een zwarte paraplu die groot genoeg was om hen beiden te beschermen. Hij stak twee hoofden boven Sidney uit. ‘Handig mechaniekje,’ zei Sir Philip, die de namaak-ivoren knop betastte. ‘Er is hier veel veranderd, behalve het klimaat. Bij vochtig weer voel ik de pijn tot in mijn botten zeuren. Maar vandaag ben ik goedgemutst, bijna uitbundig. Mijn lichaam zegt me dat het straks zal opklaren!’
            Al pratend deden ze een langzame ronde door de onttakelde tuin, die vanuit de Rosmolensteeg – waar af en toe een gehaaste voetganger passeerde – een prettig desolate aanblik bood. Het was zoiets als in de regen op een oud stil kerkhof zitten met een heupfles geestrijk vocht en dan denken aan een grimmig vers van J.J. Slauerhoff. Ze bleven staan bij een gedenkteken. ‘Verboden voor honden,’ las Sir Philip met zijn stok de woorden aanwijzend. Hij had een grappig accent. ‘Je blijft je verbazen,’ zei hij. ‘In mijn tijd konden honden nog niet lezen. Onderwijs en scholing werpen vrucht af in uw land. “To teach and delight” – daar komt het op aan, ook in de poëzie, zoals u weet. Denkt u dat de anderen nog zullen komen?’
            De regen kletterde op de paraplu en spatte uiteen op de stenen van het pad. De wolken regenden zich leeg alsof een dronken god zijn blaas de vrije loop gaf om de zon nog voor de avond doortocht te verschaffen. Transmontanus wilde iets
opmerken over de vreugdeloosheid waardoor het onderwijs al jaren werd geteisterd, maar hield zich wijselijk in. Hij nam Sir Philip bij de arm en leidde hem naar een memoriekruis, dat onder een muurlantaarn tegen het dormitorium was geplaatst. ‘Johan Noordinck, verdronken in de IJssel 1536,’ zei hij.

RAINER MARIA RILKE - DE LEEUWENKOOI


Ze loopt heen en weer als de wachtpost buiten bij de stadswal, waar niets meer is. En net als in de wachtpost is er heimwee in haar, zwaar heimwee in stukken.
            Zoals er in de zee beneden ergens spiegels moeten zijn, spiegels uit de kajuiten van gezonken schepen, stukken van spiegels, die evenwel natuurlijk niets meer bevatten: de gezichten van de passagiers niet, geen van hun gebaren, niet de manier waarop ze zich omdraaiden en er zo typisch onbeholpen uitzagen van achter, niet de wand, niet de hoek waar men sliep, nog minder wat er van de andere kant en van buiten deinend in scheen, niets, nee. Maar hoe misschien toch wat algenspul, wat los neerdalende pulp, het schielijke gezicht van een vis of ook alleen maar het water zelf, het trekkende, gedeelde, weer samenkomende water dat overeenkomsten in zulke spiegels oproept, verre, scheve, valse, meteen weer opgegeven overeenkomsten met dat wat ooit was –:
            zo liggen herinneringen, stukken van herinneringen, als breukvlakken, in het duister op de bodem van haar bloed.
            Ze loopt langs hem heen en weer, langs de leeuw die ziek is. Ziek zijn komt niet in hem op en minder maakt het hem niet, het omsluit hem slechts. Hoe hij zo ligt, met zijn zacht gebogen klauwen zonder bedoeling, met zijn hoogmoedige gezicht bedolven onder de schabberige manen, is hij op zichzelf opgericht ter herinnering aan zijn treurnis, zoals hij eens (aldoor boven zich uit) de overdrijving van zijn kracht was.
            Nu trekt er nog hier en daar iets in zijn spieren om zich te spannen, hier en daar vormen zich, te ver uit elkaar, kleine plekken woede; het bloed breekt beslist kwaad, met een sprong, uit de kamers van zijn hart, en gewis bezit het nog de voorzichtig beproefde wendingen van resolute bruuskheid als het de hersenen ingaat.
            Maar hij laat het gaan, omdat het nog niet ten einde is, en hij grijpt niets meer aan en neemt niet meer deel. Slechts op afstand, als ver van zich afgehouden, met het zachte penseel van zijn staart, schildert hij telkens weer een geste, een kleine, halfronde, van onbeschrijfelijke verachting. En zo veelzeggend vindt dat plaats, dat de leeuwin blijft staan en toekijkt: verontrust, opgewonden, verwachtingsvol.
            Maar daarna neemt ze haar loop weer op, de troosteloze belachelijke loop van de wachtpost die altijd weer in dezelfde voetstappen terugvalt. Ze loopt en loopt, en haar afwezige masker, rond en vol, lijkt bijwijlen door de spijlen doorgestreept.
            Ze loopt zoals klokken lopen. En op haar gezicht staat als op een wijzerplaat waar je s nacht het licht op schijnen laat, een vreemd, merkwaardig kort aangegeven tijdstip: vreselijk, een waarop iemand doodgaat.


© vertaling Huub Beurskens
_____________________________
Rilke schreef de eerste versie van deze prozaschets in november 1902 en de eindversie in de zomer van 1907 in Parijs.

WIEL KUSTERS - TWEE SCHEDELS PRATEN OVER ENSOR


 

'Laten we naar Ensor in Oostende gaan.
Uitbundig lacht de dood  in het verschiet.
Je warmt je nog zo lekker aan de maan,
alsof dat sikkeltje je ongeschoren liet.'

"Ik heb die namen net niet goed verstaan,
maar samen onderweg, ach, geeft dat niet,
zolang we hier en daar maar blijven staan...
De kaart is groter dan je reizend ziet."

'Ensor, James. Dichtbij maar ook veraf.
Als achter maskers verhult hem elk doek.
Hij kon zichzelf niet zijn tenzij als schulp.'

"Gesloten, maar zijn lippen riepen: 'Hulp!'
Misschien is dat waarmee ik jou soms zoek.
Zijn graf... Weet jij, waar legde hij zich af?"

'Eropaf!'

– naar aanleiding van de tentoonstelling 'James Ensor. Dromen van parelmoer', Kunstmuseum aan Zee, Oostende


RAINER MARIA RILKE - EEN ONTMOETING



Een willekeurige weg buiten de stad. (Enige voorwaarde, je mag niemand tegenkomen.) De hond is er opeens, als een ingeving. Hij gedraagt zich opzettelijk honds, ogenschijnlijk helemaal opgaand in zijn futiele bezigheden, waarbij hij echter onopvallend doelgerichte, merkwaardig zekere blikken werpt naar de vreemdeling die zijn weg vervolgt. Geen van die blikken gaat verloren. De hond loopt al gauw voor, al gauw naast de wandelaar, aldoor bezig steels, maar meer en meer te kijken. Opeens, bij het inhalen van de vreemdeling:
            Dus toch! Dus toch!
            Hij toont gejaagde blijken van vreugde waarmee hij zelfs probeert de doorlopende wandelaar op te houden. Die maakt een vlug, vriendelijk, kalmerend en tevens afdoend gebaar en kan met een halve pas naar links gemakkelijk om de hond heen.
            De hond met blije hoop:
            Het gaat nog komen.
            Hij jengelt uit een overmaat aan gevoelens. Om dan, met zijn gezicht omhoog, andermaal voor de lopende man te springen: Nu gaat het komen, denkt hij, en hij houdt zijn gezicht omhooggericht, aandringend, als teken van herkenning. Nu gaat het komen.
            Wat? zegt de vreemdeling die een ogenblik aarzelt.
            De spanning in de ogen van de hond gaat over in verlegenheid, in twijfel, in verbijstering. Ja, als de man helemaal niet weet wat er moet komen, hoe moet het dan komen? – Ze moeten het allebei weten, pas dan komt het.
            De wandelaar zet weer zijn halve pas naar links, dit keer heel mechanisch; hij lijkt verstrooid. De hond blijft voor hem uit en probeert – nu bijna zonder erg behoedzaam te zijn – de vreemdeling in de ogen te kijken. Hij meent ze even te vinden, maar de blikken klikken niet met elkaar.
            Zou het kunnen dat zo’n kleinigheid…, denkt de hond.
            Het is geen kleinigheid, zegt de vreemdeling opeens, alert en ongeduldig.
            De hond schrikt: Hoe kan het (hij kalmeert met moeite), terwijl ik toch voel dat wij… Mijn innerlijk… mijn…
            Spreek het niet uit, zegt de vreemdeling die hem bijna boos onderbreekt. Ze staan tegenover elkaar. Dit keer dringen hun blikken in elkaar door, die van de man in die van de hond, zoals messen hun schede vinden.
            De hond laat als eerste af; hij maakt zich kleiner, springt opzij en met een schuin van rechts komende, laag blijvende blik omhoog bekent hij:
            Ik wil iets voor je doen. Alles wil ik voor je doen. Alles.
            De man loopt alweer verder. Hij doet alsof hij het niet begrepen heeft. Hij lijkt achteloos te lopen, maar toch probeert hij naar de hond te kijken, zo nu en dan. Hij ziet hem sukkelig en typisch desperaat rondstruinen, vooruitlopen, achterblijven. En ineens staat hij enkele passen verderop, in de richting van zijn volger, te scharren, vanuit zijn geconcentreerde achterlijf naar voren gestrekt. Met grote zelfoverwinning maakt hij een paar lichtzinnige en kinderlijke speelbewegingen, als om de indruk te wekken dat zijn voorpoten een levend iets vasthouden. En dan pakt hij zonder een woord de steen die deze rol moest spelen in zijn bek.
            Nu ben ik ongevaarlijk en kan niets meer zeggen: dat spreekt uit het knikken waarmee hij zich afwendt. Er ligt bijna iets vertrouwelijks in dat knikken, een soort overeenstemming, die echter, in hemelsnaam, niet al te serieus genomen moet worden. Het is maar oppervlakkig en lollig gedoe, net zoals het dragen van de steen moet worden opgevat.
            Maar nu, omdat de hond de steen in zijn bek heeft, kan de man het niet laten iets te zeggen:
            Laten we verstandig zijn, zegt hij terwijl hij doorloopt, zonder zich naar de hond te bukken. We hebben er toch niets aan. Wat heeft het voor nut om voor elkaar open te staan? Bepaalde herinneringen kun je beter niet opwekken. Ik had dat ook even, en het scheelde niet veel of ik had je gevraagd wie je bent. Je zou Ik hebben geantwoord, want namen bestaan tussen ons niet. Maar, weet je, dat zou niet hebben geholpen. Het zou ons alleen maar meer in verwarring hebben gebracht. Want ik wil je nu wel bekennen dat ik even nogal beduusd was. Nu ben ik kalmer. Kon ik je maar duidelijk maken dat het voor mij net zo is. In mijn aard liggen misschien nog wel meer belemmeringen voor een weerzien. Je weet niet hoe moeilijk we het hebben.
            Terwijl de vreemdeling aan het woord was had de hond ingezien dat het niets uithaalde door te gaan met de komedie van het oppervlakkige gespeel. Van een kant was hij er blij mee, maar tegelijk leek hij, vervuld door een toenemend bang vermoeden, de spreker te willen onderbreken.
            Dat lukt hem nu pas, op het moment dat de vreemdeling, verbaasd en geschrokken, een moment meent het dier met een vijandige houding tegenover hem te zien staan. Een ogenblik later weet hij allicht dat de hond, verre van dat hij haat of vijandschap laat zien, gepijnigd en bang is; uit de schuwe helderheid van zijn blik en de scheve houding van zijn kop valt dat duidelijk af te lezen, en het blijkt te meer uit de manier waarop hij nu de steen vasthoudt die onder de pathologisch opgetrokken bovenlip in heel zijn hardheid en gewicht te liggen ligt.
            Opeens begrijpt de man het en het lukt hem niet een vluchtige glimlach te onderdrukken:
            Je hebt gelijk, mijn beste, het moet onuitgesproken blijven tussen ons, het woord dat tot zoveel misverstanden aanleiding gaf.
            En de hond legt de steen voorzichtig neer, als iets breekbaars, aan de kant, om de vreemdeling niet langer op te houden.
            Die stapt ook echt door en merkt in zijn bezonkenheid pas na een poosje dat de hond hem begeleidt, onopvallend, aanhankelijk, zonder eigen mening, zoals een hond met zijn baas meegaat. Het doet hem haast pijn.
            Nee, zegt hij, nee, niet zo. Niet na deze ervaring. We zouden allebei vergeten wat we vandaag meegemaakt hebben. Het dagdagelijkse is afstompend en jouw natuur heeft de neiging om zich onder de mijne te schikken. Uiteindelijk groeit daarbij een verantwoordelijkheid die ik niet op me kan nemen. Jij zou helemaal niet in de gaten hebben hoe heel je vertrouwen zich op mij richt; je zou me overschatten en van mij verwachten wat ik niet kan inlossen. Je zou me gadeslaan en goedkeuren, ook als het niet goed is. Als ik je een plezier wil doen, lukt me dat dan ook? En wanneer je op een dag droevig bent en klaagt – zal ik je dan kunnen helpen? – En je moet niet de indruk hebben dat ik het ben die je dood laat gaan. Nee, nee, nee. Ga weg, alsjeblieft, ga weg.
            En de man begon welhaast te rennen en hij leek op iemand die ergens bang voor was. Pas na een tijdje liep hij rustiger, om ten slotte trager te lopen dan voorheen.
            Langzaam dacht hij: Wat zou er anders verder nog tussen ons gezegd zijn. En hoe men elkaar uiteindelijk de hand zou hebben toegestoken –.
            Een onbeschrijflijk verlangen roert zich in hem. Hij blijft staan en kijkt om. Maar het stuk weg buigt meteen achter hem af in de schemering die inmiddels is aangebroken, en er is niemand te zien.


vertaling © Huub Beurskens
______________________________________
Rainer Maria Rilke schreef de prozaschets Eine Begegnung in januari 1907 op Capri; hij verscheen in mei van hetzelfde jaar in de Wiener Abendpost.

WIEL KUSTERS - DONDERROE


Foto: Gemeentearchief Kerkrade
            
            Maar dat is tot daaraantoe.
            M. Nijhoff
           

Zoals die straat daar plotseling
voor mij ligt, heb ik haar niet gekend,
zo uit het zicht als een vermoeden
van wat geweest is, als wat went
terwijl het zich vervreemdt.

Geen noodzaak om wat eerder was
te hoeden. De straat waarin ik me verstopte,
tolde, rende, ligt in het verlengde van waar
ik sta en kijk – in een hitte die de toekomst,
heel dat witte, nu bijna blakert en verzengt.

Ik kwam de hoek om, langs
de oude muur, de school.
Geen kinderen. Geen mens
achter de ramen van de huizen
aan de overkant, als waren die
zojuist gebouwd, nog onbewoond.

Wel hoorde ik geluiden waarvan ik wist
dat die er waren. Ze kwamen
vanonder de grond, waar mannen,
met nummers voor hun namen,
werkten als verbannen.

Er leek er een ontsnapt,
wachtend op wat komen ging:
de voerman van twee paarden.

Zo liep ik hier, zo kwam ik daar,
niemand zag mij gaan.

De straat was nog een straat
in halfverharde staat.

Om de hoek kwamen kinderen,
voorgoed niet te laat.

Ik was ongeboren.

Als er geen reden is voor een oorzaak,
geen aanleiding voor een motief,
ligt de aarde ongenadig braak,
eruptief en abortief.

Nu ik al bijna voorbij ben
klinkt uit de stijgende hitte een stem
die mijn nummer roept.
Ik kijk terug, omhoog, waar misschien
eerder al iets bewoog.

Op het dak van de school,
bij een bol van graniet
die de aarde moet zijn,
staat een man, trekt aan een draad
van de donderroede die hij plant.

Verder nog niets aan de hand.


GIORGIO BASSANI - ROLLS ROYCE



Meteen nadat ik mijn ogen voorgoed heb gesloten
doorkruis ik daar weer wie weet hoe Ferrara per auto –
een grote metallic sedan van een
buitenlands merk met grote
doffe ruiten misschien een
Rolls –
ga ik daar weer van het slot van de Estes de Corso
Giovecca af in de richting van het rozerode
kriskrasverkeer aan het eind van de Prospettiva die intussen
groter en groter wordt binnen de gewelfde
rechthoek van de voorruit
De chauffeur met de hoge, stijve boord recht voorin
wist ongetwijfeld prima waar hij heen moest en ik
peinsde er ook niet over om hem eraan te herinneren
verlangend als ik was om links de San Carlo-kerk te herkennen
en meer verderop rechts
die van de Teatijnen
en daartegenover al vroeg in een groepje op de stoep
voor banketbakkerij
Folchini
de vrienden van mijn vader uit zijn jeugd
de meesten met brede beige vilthoed op het hoofd sommigen met stok en al
met zilveren knop in de hand
hunkerend ja popelend als ik was om de hele Main
Street van mijn stad op een doodgewone dag in mei-juni af te leggen
zo halverwege de jaren twintig om kwart voor negen ’s morgens

Bijna voortgedreven door zijn eigen luxelucht sloeg de Rolls tenslotte
daarginds af naar de Via Madama en kort daarop naar de Via
Cisterna del Follo
en op dat moment was ik nog maar tien jaar oud
met vuurrode wangen uit angst te laat op school te komen
ik was het die op dat exacte moment met zijn boeken onder de arm
huisnummer één
verliet
ik was het, die al doorhollend zich omdraaide
naar moeder die boven uit het raam hing om nog een raadgeving
na te roepen
ik was het dus, die even voordat hij
uit haar meisjesblik om de hoek verdween
zijn linkerhand opstak in een gebaar
van onverschilligheid en tegelijkertijd
afscheid

Ik had stop wil roepen naar de stijve
chauffeur en uit willen stappen maar de Rolls
hobbelde al zachtjes langs
de Montagnone, ja, inmiddels
de Poort uit vloog hij al over brede uitgestorven wegen
die aan weerszijden volstrekt verstoken van daken waren en volstrekt
onbekend

vertaling Jan van der Haar
________________________
Giorgio Bassani (Bologna 1916 - Rome 2000) is bekend van zijn verhalend proza over Ferrara, zoals in De tuin van de familie Finzi-Contini uit 1962 en Binnen de muren (1973). Bovenstaand gedicht is afkomstig uit de bundel Epitaffio (1973-1974); de uitgave van de integrale vertaling van de bundel door Bassanivertaler Jan van der Haar staat gepland voor 2019.


VLADIMIR NABOKOV - L'INCONNUE DE LA SEINE


In dit leven dat zich almaar ten einde spoedt
en niets van deze aarde hebben moet,
staar ik maar naar het witte masker
van jouw gelaat dat niet meer leeft.

In een eindeloos wegstervend trillen van snaren
kan ik de stem van je schoonheid ontwaren.
In de bleke schare van verdronken jonge vrouwen
ben jij de allerbleekste en beminnelijkste van allen.

Blijf in elk geval als muziek bij me hangen!
Met zo weinig geluk bedeelde het lot je verlangen.
En dat je betoverde lippen van gene zijde
een gipsen glimlach aan me mogen wijden!

Je oogleden zijn bewegingloos en bol,
je wimpers dik, vastgeplakt. Zeg me: O,
blijft dit voor altijd, echt voor altijd zo?
Jij, die zo levendig te kijken wist!

Je jonge, frêle schouders,
het zwarte kruis van een wollen sjaal,
de straatlantaarns, het waaien, de nachtwolken
en de donker geplekte akelig kwaaie rivier.

Vertel me alsjeblieft wie hij was,
je mysterieuze amant. De krullenbol,
neef van je buurman, die met de gouden
tand, die met zijn kakelbonte stropdas?

Of een eeuwige gast der sterbezaaide luchten,
liefhebber van de fles en het biljart, een
van die verbitterde nachtbrakers, een
van die berooide dromers – eentje zoals ik?

Iemand die, over heel zijn lijf rillend,
zoals ik, in zijn wereld die duister en
zo lang al leeg is, op zijn bed almaar
          naar je witte masker te staren zit?


*

Dit is een preparatoire voorpublicatie. Copyright © Nederlandse vertaling Huub Beurskens & Uitgeverij Koppernik, Amsterdam. In oktober 2018 zal bij Uitgeverij Koppernik in een tweetalige en uitvoerig geannoteerde editie Vladimir Nabokov – Verzamelde gedichten verschijnen.

WITOLD GOMBROWICZ - IN GESPREK MET ZICHZELF

Zo, m’n waarde Gombrowicz, het schijnt dat u al dertig jaar structuralist meent te zijn?
– Minstens. Vanaf Ferdydurke. Maar vergeet niet dat iemand die kunstenaar wil zijn geen filosoof is, noch socioloog. Hoe vinden we dus een gemeenschappelijk terrein om de grillige en ongewisse exploraties van de kunst te vergelijken met de resultaten van een gedisciplineerd denken? Zou de gemeenschappelijke noemer niet liggen in de manier waarop we de mens zien? De muziek van Beethoven is heel iets anders dan de filosofie van Kant, en toch bestaat er een ‘beethovense mens’ en een ‘kantiaanse mens’ die zelfs tamelijk dicht bij elkaar staan. Men kan de mens van Plato met de mens van Balzac vergelijken, de mens van Dostojevski met die van de positivisten of de mens van Goya met die van Schopenhauer.
Het structuralisme van vandaag is op dezelfde manier: een mens. Laat het me vergund zijn te zeggen dat deze structuralistische mens me al voor de oorlog is verschenen; ik heb hem heel wat sprongen laten maken in mijn romans! En bovendien heb ik enkele magere commentaren aan hem gewijd in mijn Dagboek en in de voorwoorden tot mijn boeken.
– Zo…
– Sceptisch? U hebt gelijk! Maar zie dan wat ik schreef in mijn Dagboek (1957): ‘De mens zoals ik hem zie is 1 geschapen door de vorm, 2 schepper van de vorm, haar onvermoeibare producent.’ Vervangen wij ‘vorm’ door ‘structuur’… En wanneer ik eergisteren lees (Pingaud) dat in het structuralisme ‘men niet meer handelt, maar wordt gehandeld, men niet meer spreekt, maar wordt gesproken,’ dan is het alsof ik de protagonist hoor van mijn drama Het huwelijk (1947): ‘Niet wij zijn het die de woorden spreken, maar de woorden spreken ons.’
Nee, dat is geen onbeduidende coïncidentie: heel mijn werk is, vanaf zijn oorsprong, geworteld in dit drama van de vorm. Het conflict van de mens met zijn vorm, dat is mijn fundamentele thema.
Tjonge!
– Jazeker, jazeker, ik ben op de hoogte. Maar een structuralistische ‘structuur’ is niet wat ik onder ‘vorm’ versta, en u kunt me geloven, ik heb zo links en rechts wat gelezen van Greimas, Bourdieu, Jakobson, Machercy, Ehrmann, Barbut, Althusser, Bopp, Levi-Strauss, Saint-Hilaire, Foucault, Genette, Godelier, Bourbaki, Marx, Doubrowski, Schucking, Lacan, Poulet en ook Goldmann, Starobinski, Barthes. Mauron en Barrera. Geloof me, ik ben op de hoogte, hoewel ik niet weet hoe hoog… het duizelt me!
Toch raad ik u aan: laten we de Fonetiek en de Vergelijkende Anatomie over aan de epistemologie, en laten we aan de filosofie de Formalisering die, langs de weg van de formele ontologie, zo dicht bij de Articulatie ligt, hoewel zij ook nog enige invloed ontvangt van de apofantica.
Nee, daarover wil ik niet spreken. In wezen gaat het, ik herhaal het, om de wijze waarop we de mens zien, en op dit terrein kan mijn ‘formele’ mens enkele geheimen verklappen aan de ‘structuralistische’ mens… Het is toch familie! Beweert u niet dat de mens zich manifesteert door middel van bepaalde, van hem onafhankelijke structuren, zoals die van de taal; dat hij begrensd wordt door iets dat hem doordringt en definieert tegelijkertijd; dat zijn vis movens buiten hem ligt? Welnu, dat is de mens die een plaats heeft gevonden in mijn boeken.
Laten we dus eens zien hoe dezelfde fundamentele tendens naar het Formele zich een weg baant zowel in het wetenschappelijk denken als in de woelige ervaring van een leven dat eerder aan artistieke doeleinden is gewijd. Wilt u dat wij daarover spreken?
Hm!
– In de tijd van mijn artistiek debuut – tegen 1930 – eiste men van de mens dat hij vóór alles authentiek was. En uitgerust met waarheden en idealen waarmee hij zich volledig moest identificeren, waarvoor hij zelfs zijn leven moest offeren… Nu, ik herinner me dat ik als jongen al wist – het was een spontaan weten – dat men noch ‘authentiek’ noch ‘bepaald’ kan zijn. Deze intieme overtuiging vindt men terug in Ferdydurke (1937). Hoe ziet hij eruit, die held van Ferdydurke? Van binnen is hij niets anders dan gisting, chaos, onrijpheid. Alleen om zich in de buitenwereld te manifesteren, en vooral tegenover de andere mensen, heeft hij de vorm nodig (onder ‘vorm’ versta ik alle wijzen waarop wij ons manifesteren, zoals het woord, de ideeën, de gebaren, de beslissingen, handelingen etc.). Maar deze vorm beperkt hem, schendt hem, misvormt hem. Zich uitdrukkend door middel van een al bestaand apparaat, door middel van bepaalde attitudes en wijzen van zijn, wordt hij voortdurend vervalst, hij voelt zich toneelspeler. De vorm is het kostuum dat wij aantrekken om onze beschamende naaktheid te bedekken! … en vooral om tegenover de anderen ‘rijper’ te lijken dan wij zijn.
Onze vorm verwerkelijkt zich dus vooral in het tussenmenselijke… Op deze wijze komt men tot een zekere relativering van de mens. Bij de een ben ik edel, bij de ander laf, bij de een wijs, bij de ander dom (ik hoop niet dat dat nu het geval is, waarde heer). Zodat men kan zeggen dat ik ieder ogenblik word ‘geschapen’ door de anderen.
Bij de structuralisten ligt het heel anders: zij zoeken hun structuren in de cultuur, ik in de onmiddellijke werkelijkheid. Mijn wijze van zien stond in direct verband met de toenmalige gebeurtenissen: nazisme, stalinisme, fascisme… Ik werd gefascineerd door de groteske en angstaanjagende vormen die in de sfeer van het tussenmenselijke opdoken, alles vernietigend wat tot dan toe achtenswaardig was. Het was alsof de mensheid een bepaald stadium van ontwikkeling achter zich liet en een ander binnentrad: dat van een bewuste fabricatie van haar vorm. De mens kon voortaan ‘zichzelf maken’, men fabriceerde naar believen waarheden, ideeën, fanatismen en zelfs de meest intieme sentimenten… De mens kwam me voor als een bij die zonder ophouden bezig was niet met het afscheiden van honing, maar van ‘vorm’. Hij gaf zichzelf gestalte in de leegte.
Ti.
– Wat een structuren! Ik, anoniem en geschrokken structuralist, riep tot deze nieuwe, losgeslagen mens: Voorzichtig! Distantie! Afstand tot de vorm! Wees op je hoede, identificeer je nooit helemaal met wat je van jezelf maakt! Helaas! zelfs na de oorlog leek de mensheid mijn raad niet op te volgen. In Frankrijk begon het marxisme aan de ene kant, het existentialisme aan de andere, de mens te modelleren naar de wereld en de wereld naar de mens. Het enige voordeel dat mijn houding mij heeft opgeleverd was van persoonlijke en artistieke aard. Mijn ‘afstand tot de vorm’ heeft mij in mijn werk een werkelijk opwindende ‘creatieve vrijheid’ verschaft, zoals men dat enigszins pompeus noemt.
Ta.
– En sta mij toe hieraan toe te voegen dat deze opvatting van de vorm, direct toegepast op de menselijke werkelijkheid, interessante perspectieven opent. Het gaat er niet alleen om dat ik bij X niet dezelfde ben als bij Y, of dat ik in een bepaalde menselijke structuur (het leger) met meer gemak een mens dood dan ik in een ander een vlieg zou doden (thuis). Nee, er is veel meer: de inspiraties, de ontdekkingen, de inwijdingen, de combinaties, de spelen die ons wachten op deze weg, zijn, naar mijn mening, opwindend en instructief.
Het lijkt mij dus dat het niet goed zou zijn dat een wetenschappelijk structuralisme deze wijdere, directere, onmiddellijker opvatting van de menselijke vorm zou beperken. Temeer daar het al te treurig zou zijn om op te lossen in het objectivisme.
Ah. Foucault heeft gelijk, van zijn standpunt, wanneer hij de ondergang van de mens aankondigt, diens geleidelijke liquidatie. Ja, de mens verdwijnt, maar alleen voor hem, Foucault, binnen het strikte veld van zijn theorie. Maar kan een formule iets anders zijn dan een formule?
Opgepast, mijne heren, sta niet toe dat dit gat in uw redeneringen u op den duur verzwelgt. In de exacte wetenschappen kan men tegen de dagelijkse, persoonlijke, meest evidente werkelijkheid in denken; dit gaat niet op voor de wetenschappen van de mens. Hier zal deze methode u, naar ik vrees, in een even pijnlijke als kunstmatige situatie doen belanden en u dwingen van de morgen tot de avond uw theorie door uw praktijk tegen te spreken.
Een voorbeeld? Foucault neemt zich voor de mens teniet te doen in de epistèmè.
Maar waarom? Om zijn persoonlijkheid te bevestigen, om zijn strijd met de andere filosofen te winnen, om een eminent man te worden. En daarmee zijn we terug in de ‘simpele’ realiteit.
Ik bewonder de wetenschap, en des te meer omdat ik een onwetende ben (zoals u, mijne heren, en zoals Socrates) maar ik vrees dat dat kleine woordje ‘ik’ zich niet zal laten elimineren, het is ons met te veel brutaliteit opgelegd.
Excuseer me, meester, maar u hebt gezegd dat de mens altijd inauthentiek is en nooit zichzelf kan zijn. Hoe nu?
– Inderdaad. Desondanks heb ik me altijd verplicht gezien mijn ‘ik’ met de grootste energie in mijn literatuur te bevestigen. Zodra ik het wilde afwijzen, kwam het als een boemerang terug. Niets aan te doen! Onmogelijk! Zonder ‘ik’ gaat het niet. Maar wat is dan dit ‘ik’ dat niet bestaat en dat u zo bezighoudt? Ik heb geconcludeerd dat het alleen mijn wil om mezelf te zijn is die mijn ‘ik’ ondersteunt.
Ik weet niet wie ik ben, maar ik lijd wanneer men mij misvormt, dat is alles.
Toch, als u mij toestaat, zou ik u nog iets in het oor willen fluisteren – nog steeds als persoon van ‘de andere kant’, niet die van de theorie maar van de praktijk, daar ligt het terrein van de kunst – iets … vreeswekkends. Er is, ziet u, een enkel element in al het Zijn … anti-menselijk … onmogelijk … waarlijk uniek … ongelooflijk   en reëel, o, reëel … U verbleekt, beste vriend, u hebt het geraden. Ja, dat is het: het is het Lijden. Het zou wel eens kunnen zijn dat de achilleshiel van de menswetenschappen (en ook van het sartriaanse existentialisme) de, ik zou zeggen, al te nuchtere en al te olympische houding tegenover het Lijden is. Men redeneert al te rustig over de mens. U doet met hem wat u wilt. De dag waarop het Lijden zijn intrede zal doen in uw denken, zullen uw structuren moeilijker worden … smartelijker…
Men moet vrees hebben voor de vorm!
Top.
– Goed. Er zijn nog enkele dingen die ik tot de structuralisten zou willen zeggen in mijn kwaliteit van outsider.
Zij die mijn romans en mijn Dagboek gelezen hebben herinneren zich misschien die ‘onrijpheid’ die zich, in de mens, verzet tegen de vorm. ‘Niet rijp’ zijn, wat betekent dat nu precies? Het is onderontwikkeld zijn, onder de volheid van zijn mogelijkheden, zijn ‘maximum’, ‘niet af’ zijn. Alleen wat rijp is leent zich voor manifestatie naar buiten; in onze innerlijke realiteit, privé, zijn wij onrijpheid. Oh! de ideeën in de kunst! Dat is niet veel zaaks, dat is een constructie, niet meer… Als ik toch uw aandacht durf te vragen voor dit idee van de onrijpheid, dan is het omdat zij op een tegenstrijdigheid wijst die voor ons, bewonderende toeschouwers van de grote wedstrijd van het hedendaagse denken, steeds gênanter… ja zelfs aanstootgevend wordt… Men zou deze tegenstrijdigheid als volgt kunnen formuleren:
Hoe intelligenter, hoe dommer.
Ik excuseer me! Voor niets ter wereld zou ik in respect tekort willen schieten tegenover wie dan ook! Maar ik moet me met een zekere spontaneïteit uitdrukken, naïef natuurlijk, ja, naïef, maar noodzakelijk… ‘Intelligent en dom’, dat is het wat ik voel, wat wij voelen, tegenover dit zo geleerde, zo ernstige forum dat zich voor ons uitspreekt.
Wel, ik geloof dat deze ‘domheid’ die de keerzijde van onze ‘wijsheid’ vormt, een van de grote problemen van onze tijd is. Hoe komt het dat Kant zelf (om niet te spreken van het structuralisme) voor ons tegelijk wijsheid en domheid kan zijn? Omdat heel zijn Kritiek een bovenmenselijke poging is om uit te komen op een wijsheid die doel is, geen uitgangspunt. Kant was een ‘niet rijpe’ die rijp wilde zijn. En omdat ieder van ons op dezelfde wijze zijn onvolmaaktheden verbergt en naar buiten treedt met wat hij aan meer volkomens heeft, reikt heel onze cultuur zonder ophouden naar de hemel, terwijl wij beneden blijven, de neus in de lucht. En als zij zich boven ons bevindt staan wij eronder…
Wij drukken ons dus uit in een ‘superieure’ taal die de onze niet is… Is het werkelijk nodig de tragiek van deze situatie te schilderen aan al diegenen die, in het zweet van hun aangezicht, onze literatuur proberen te schrijven of te lezen… die, in wanhoop, de concerten of tentoonstellingen bezoeken? Of aan hen die deelnemen aan de actuele discussies rond de ‘nieuwe kritiek’ of de ‘nouveau roman’? Ik beweer: men begrijpt weinig, men neemt niet voldoende op, het wordt met de dag geslotener, irreëler. De situatie is, ik herhaal het, buitengewoon ernstig. Een alarmkreet, zelfs naïef zoals de mijne, is te verkiezen boven een medeplichtige stilte. Dit quiproquo kan niet voortduren, willen we niet in een speciaal soort onrijpheid worden gestort, bijproduct van een overmaat aan onverteerbaar intellectueel raffinement.
Sjj!
– U schrikt? Ziet u, deze tendens naar de onrijpheid, de minderwaardigheid, wordt bovendien versterkt door een ‘structuur’ die me geenszins te verwaarlozen lijkt: het is de onderlinge afhankelijkheid, in de schoot van de mensheid zelf, van de leeftijden, de seksen, de ontwikkelingsfasen. Mens? Welk mens? Volwassen, oud, jong, vrouw, kind? Er bestaat geen ‘mens’ op zich. En omdat wij elkaar wederzijds scheppen door de vorm, zouden we moeten toegeven dat de volwassene bij het vormen van de jeugd op zijn beurt door haar gevormd wordt. Op welke manier?
Wij zouden allemaal jong willen zijn, niet, Tourroutaire?
De jeugd, dat is de stijgende, bloeiende fase van het leven, terwijl de rijpe leeftijd het begin is van de dood.
Wij zijn dus op een vreemde wijze onderworpen aan twee tegenstrijdige verlangens. Wij verlangen naar de rijpheid, de kracht, de wijsheid van de rijpe leeftijd, en tegelijk worden we onweerstaanbaar getrokken naar de jeugd. Maar de jeugd is de minderwaardigheid. Jong zijn is minder sterk zijn, minder rijp, minder wijs. Ziedaar een verrassende tegenstrijdigheid. Aan de, ene kant wil de mens volmaakt zijn; hij wil God zijn. Aan de andere kant wil hij jong zijn, onvolmaakt.
De volwassen mens bevindt zich dus tussen God en de Jeugd.
De jeugdige wordt gedomineerd door de volwassene, maar de volwassene wordt gefascineerd door de jeugdige.
De schoonheid, de charme, en de gratie staan aan de kant van de jeugd, zij zijn onafscheidelijk verbonden met de minderwaardigheid. Men kan er lang over praten, deze geheime liefde tot het lagere is een onuitputtelijk thema, vol van heftige poëzie. Maar wat ons hier interesseert is dat de mens de onrijpheid niet alleen ondergaat, hij wil haar ook… Wij beminnen elkaar op deze wijze… Ja, het is tijd om een beetje orde te scheppen in deze bekentenissen… Ik, eerder een kunstenaar en dus een dilettant, heb niet de pretentie het domein van de wetenschap noch dat van de filosofie binnen te dringen. Niettemin, de noden van een tijdperk, haar diepe strevingen, kunnen zich op verschillende manieren manifesteren: even goed langs de weg van de rede als langs die van de artistieke visie. Ik geloof dat de structuralisten en ik ons in dezelfde stroom bevinden… mijn ‘mens’ is verwant met die van hen… ik ben dus zo vrij geweest hem voor te stellen. Daar is hij dan. Hij spreekt een andere taal dan u, heren professoren? Inderdaad. Desondanks heeft hij u iets te zeggen:
1               Zoek de keerzijde; vergeet niet, terwijl u praat over het universele, het abstracte, de mensheid of de cultuur, de menselijke Vorm in haar concrete, onmiddellijk aspect, zoals zij verschijnt, voortgebracht door het individu.
2               ‘Ik’ heeft een taai leven.
3               Wees op uw hoede voor het Lijden, het is de tijger die u bedreigt.
4               Wees op uw hoede voor de onrijpheid die, heimelijk, rust in het hart van uw rijpheid.


vertaling Paul Beers
_________________________________
Het hier met dank aan © Rita Gombrowicz en Paul Beers gepubliceerde gesprek verscheen oorspronkelijk in nummer 27 van La Quinzaine littéraire, 1967, en voor het eerst in Nederlandse vertaling in Vrij Nederland van 25 november 1968.
Bij uitgeverij IJzer verkrijgbaar in een dundrukeditie: Witold Gombrowicz, Verhalen / Ferdydurke / Trans-Atlantisch / Pornografie / Kosmos, vertaald door Paul Beers.