KOENRAAD GOUDESEUNE - TWEE GEDICHTEN

 



IN MEDIA VITAE

 

Hier vaart iedere dag een boot voorbij met op het dek

een uitgelaten menigte van jonge mensen. Het is zomer,

van ver reeds hoor je dansmuziek, gelach. Het zwelt aan

en nog voor ik de boot kan zien, open ik het venster.

 

Steeds andere jongelui, maar wat zij doen verandert niet.

Ze wuiven, joelen en heel even sta ik in het middelpunt

als ik hen mijn biertje toon, als ik met hen toost — op wat?

Wat verder maakt de boot een U-bocht en keert terug.

 

En ik sta daar nog. Wat zich eerder voordeed, gebeurt opnieuw.

Zij die aan stuurboord stonden, staan daar nog en zien mij niet.

Zij die aan bakboord staan, zien me voor het eerst. Ook ik


ben blijven staan waar 'k stond, drie hoog, aan 't open raam.

De boot vaart traag voorbij, de muziek, het gejoel neemt af.

Totdat ik hem niet meer zie, alleen nog hoor, verrassend lang.

 

***

 

AVOND

 

Soms bevangt mij in een bos het idee dat jij het bent

die mij omringt met struikgewas en hoge bomen.

Dat jij het bent daarboven die haar licht op mij

laat schijnen. Je bent het geritsel in het bladerdek.

 

Ja, zelfs de weg naar het bos ben jij. En als ik nog

vertrekken moet, ben jij het die me vertrekken doet.

De open velden waarlangs ik ga, de koeien in de weide.

Niets vermag te klein, te groot te zijn — jij bent het.

 

Kortom, ook al loop ik daar volstrekt verloren

en heb ik geen idee van de toekomst die mij wacht,

jij bent het, zelfs de late avondzon ben jij als meisje.

 

Waarom? Ik weet het niet. Ook de weg terug lijkt

alleen maar naar jou te leiden. Ik kan alleen maar gaan

naar waar jij bent, je bent de lange schaduw die ik werp.



 

____________________

Van dichter en prozaïst Koenraad Goudeseune (Ieper 23.2.1965) verscheen recentelijk de roman De nuttige last van tragiek.


DRIE CHILEENSE DICHTERS VAN NU

 


Rodrigo Hernández Piceros, Enrique de Santiago, Rodrigo Verdugo

 

notitie vooraf

 

Vorig jaar overleed onverwacht de de door velen bewonderde Chileense dichter Rodrigo Hernández Piceros (1974-2019) aan de gevolgen van een hartaanval. Zijn oude bentgenoot Rodrigo Verdugo (*1977) schreef onlangs een indrukwekkende litanie over het verlies van zijn dierbare vriend en geestverwant; dit gedicht werd nog niet gepubliceerd, ook niet in Chili. Omdat ik sinds vele jaren geregeld contact heb gehad met zowel Hernández Piceros als met Verdugo, vroeg de laatste mij zijn gedicht te vertalen en te publiceren. Ik laat zijn schrijnende hommage, waarin hij zinspeelt op vele thema's uit het werk van Hernández Piceros, voorafgaan door een typerend gedicht van de betreurde dichter zelf, en ook door een gedicht van Enrique de Santiago (*1961) die samen met beide anderen de vele activiteiten van de groep Derrame heeft georganiseerd.

            Derrame (wat 'stortvloed' betekent) veroorzaakte rond de eeuwwisseling een kleine revolutie in het heersende klimaat van nogal barokke getuigenispoëzie die het stempel droeg van Pablo Neruda's zwaarwichtige epische scheppingen. De Derrame-groep introduceerde opnieuw het taalexperiment, de humor, de satire en het vrije spel van de verbeelding -- de grote Chileense avant-gardist Vicente Huidobro indachtig, die in de jaren twintig van de vorige eeuw het dichterlijk experiment in Chili (en ver daarbuiten) had laten klinken, mar ook uit waardering voor de belangrijke dichters van de eerste Chileense surrealistische groep Mandrágora: Enrique Gómez Correa, Jorge Cáceres en Braulio Arenas die vanaf 1939 hun verbeelding de vrije loop lieten.

            De Derrame-groep bestaat niet alleen uit dichters maar ook uit beeldende kunstenaars. Door heel Chili organiseerden zij groepsexposities en lezingen, en werden herdenkingsmanifestaties georganiseerd ter ere van de schilder Roberto Matta, van de lang miskende dichters van Mandrágora, en van de surrealistische dichter en kunstenaar Ludwig Zeller, die in gekozen ballingschap leefde. Het Chileense literaire en artistieke publiek werd door Derrame wakker geschud met een 'stortvloed' van nieuwe kunstzinnige uitingen die door hen gekoppeld werden aan de lang weggedrukte onderstroom van het Chileense avant-gardisme.

            Omdat Rodrigo Hernández Piceros daarin een grote rol heeft gespeeld heb ik de hommage die Verdugo aan hem bracht in vriendschap en met bewondering vertaaald.        

           

Laurens Vancrevel

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                             

 

Rodrigo Hernández Piceros

Dromen zijn vasthoudend

 

De bijzonderheden van een willekeurige zondag voeren rond

De belevenissen van het dichtersleven voeren daar ook

Want een beetje meer gezond verstand is hard nodig in deze tijd

Het is een tijd van geschminkte harten

Zo is het, het zou beter zijn een lange middagslaap te houden

en niet meer te ontwaken

Beter zou het zijn om al die rotzakken mores te leren

zonder dat ze kunnen terugslaan

De wolf beschikt over de kracht om golven te breken

Het mooiste lijk is dat van de nacht

Toen ik onder een acacia zat ging het ene visioen na het andere

 van de oude klokkenluider voorbij

Londen is veel te ver weg om er overdag te kunnen zijn

De deugdzaamheid van sommige lieden en hoge heren van het recht

verdient het schavot

Uiteindelijk is de leegte van een spiegel een gebroken traan

Toen ik de gefilterde signalen hoorde in de geheime gewelven

Zou de komst van de equinox eigenlijk wel beter zijn

Alle moeders komen dan bijeen bij het vallen van de bloedrode dag

Ze vegen alle as bij elkaar om hemelse lichamen te vormen

Lege graven delvend en wachtend, eindeloos wachtend

Een eeuwige angst in de vissenbuik

Zoveel hindernissen in een zo eenvoudig leven

Even eenvoudig als de meest gekoesterde herinnering

In deze nacht waarin de droom vasthoudend

Al zijn schepen groepeert om met meer kracht binnen te varen.

 

 

 

Enrique de Santiago

Enkele vragen uit Zotland

 

Waarom moeten wij de fraaie dans van een spore gaan volgen

zonder zijn diepste wezen te kennen?

Waar begint de kiem van het licht dat neerdaalt uit extase?

Wellicht zijn de antwoorden te vinden in de leemte

die een los geraakte steen heeft achtergelaten

of zijn het onze eigen drijfveren die tot ons spreken

met hun stilzwijgen in enkelvoud en meervoud

En wie weet of het nodig zou zijn om de glimlach

van je beminde wat eerder op te wekken?

Misschien moeten we wachten in het midden

van de stroom

al wordt er wel veel verwacht

van de daarbij georganiseerde manifestaties

nu die meer vleugelloze libellen trekken

dan schaduwen die naast hun schoenen lopen

omdat ze verwachten

de uitverkorenen te zijn.

Zo was ik bezig in de braakliggende velden

kleine stukjes lokaas te begraven die je nooit zult ontdekken,

tenminste als je de streken opzoekt van de plaatjes

die onduidelijk zijn geworden in de offsetdruk

daarbij was ook een landkaart afgebeeld en een code

die ik had opgetekend toen ik nog gelovig was

in die verre tijd toen ik nog de diepste

stelling van de rechthoek bewoonde

terwijl ik bang was dat de dag van verdoemenis zou aanbreken

die zijn geurloze en onzichtbare muil zou opensperren

zo verstreek de tijd zonder zijn steeds blekere weefsel te veranderen

in de onderaardse bloeitijd

in het uur dat de pijnlijkste en gevoeligste strelingen wegsnijdt

dat tenslotte zijn eigen verminkte schim is

met zijn uitvaart-altaar dat nadert

en  een spoor van as achterlaat en een benauwde krachteloze hoestbui

zoals wanneer er geen sporen achterblijven  van geur

noch voorvallen die je wilt onthouden.

 

 

 

Rodrigo Verdugo

Pro memorie

 

ter nagedachtenis aan

Rodrigo Hernández Piceros

 

De zot snuift lijm

op zoek naar de gekloosterde acrobaat,

de wapens van de werkelijkheid zijn van ons,

de doorschijnende missionaris toont het water,

de wolf herschrijft de geschiedenis van het bloed,

de doorschijnende missionaris toont het stof,

de vogel verdwijnt in zijn eigen kooi.

 

Ooit waren wij water,

een paard dat in de put viel,

ooit worden wij tot stof

op een avond van vlees onder een onzichtbare zon,

of waren wij al stof, of waren wij al water

en gaan wij nu naar een sublieme verbranding,

en de wateren overwinnen een betovering van de navel,

en de kinderen verbergen zich onder de divan,

wachtend op het verdwijnen

van de wassen spookbeelden die de middag bedierven,

en de kinderen wilden

dat het duister de kinderlijkheid van het beest zou opslokken,

ze wilden duizend armen hebben,

ze wilden de wierook in de buik van de tijger aansteken,

ze wilden naar een afspraak gaan in het betoverde woud,

ze wilden alle pijlen  bundelen,

ze wilden duizend oogleden hebben,

ze wilden vervliegen als de geur van astraal hout,

ze wilden dronken sleutels hebben

om het geluk van het bloed te ontsluiten,

ze wilden dat de stoffelijke resten

verliefd zouden worden op een dier van voorheen,

ze wilden wonen op een boot midden in een woestijn

om daar te zorgen voor hun voorouders en ouders,

en voor hun moeders en hun broeders,

ze wilden boven op een guillotine het glas heffen,

ze wilden dat de lichtstraal het bloed zou bereiken

in de stilte van de droom,

ze wilden dat er een kerkklok het bloed zou bereiken

met de stilte van de eb.

 

In een plechtigheid van schaduwen

wilden zij dat een meisje het schuim zou hypnotiseren,

wilden zij duizend navelstrengen hebben

om in onschuld ten onder te gaan,

wilden zij hun tanden zetten in de ruggen van vrouwen,

wilden zij enorme wortels hebben

en wegkruipen onder de divan,

want de kinderlijkheid van het beest gaf hun een rots

waarop ze konden vrijen met een geliefde die slechts zeewier was

en ze de betovering van de navel te boven kwamen,

waardoor zij duizend armen kregen,

waardoor zij duizend oogleden kregen,

waardoor zij geen stof werden, noch water,

en ze verbroederden de wervelwind met de draaikolk

totdat de engel al haar balsem gaf

en het heilige zaad liet vloeien,

en de standbeelden wilden niet dat de dageraad zou gaan bederven,

en het gebed van de bijlen

stond niet toe dat de dagen de hemels kort knipten

en onze afscheidswoorden werden gegrift in de ogen van de vogels,

de ontkieming zette haar missie voort,

en de schemering volgde op het bloed

als bij de herinnering aan een straftijd,

en de noordelijke krachten braken los uit de slakkenhuizen

en vielen neer in de vorm van gouden munten

alsof een gek zich erop had gestort in een klein straatje,

en de kuilen verheugden zich op het vallen van een paard,

en de mannen dienden zich aan

met hun tanden, hun pitjes en zaden

en de vervloekte wijnranken krulden zich om vrouwen heen,

en duizenden wimpers en armen en pijlen

overdekten de vervloekte lampen,

dekens en beddenspreien

bedekten de gaten die geslagen waren door de botsing van planeten,

en de ontevreden zielen lieten

molenraderen en het rad van fortuin draaien,

en de bomen dachten dat het daglicht een spel was

en elke taal een leugen van vogels,

en alles wat wij opnoemden was in bewaring gegeven

van een betoverd woud dat astraal hout bezat

bij één boom, en daarna ook bij een andere boom,

en bij nog een andere, en weer een andere,

en het lot van het bloed maakte dat de glazen begonnen te dagen,

en het toeval van het bloed wilde niet

dat wassen spookbeelden de avond zouden bederven.

 

                                   ***

 


 Enrique de Santiago, De opstand van het woud. Acrylverf, 2013

 

ALLAN GRAUBARD - NOCTURNE 14

 



tekening van Gregg Simpson


Als jongen vond ik mijn oom N, een broer van mijn vader, al een heel bijzonder iemand. Hij had gewoon iets speciaals. Misschien kwam het door de manier waarop hij van alles voor zich hield, of als hij iets zei en dit of dat naar voren bracht met gekke indirecte reacties op het onderwerp van  gesprek. Als hij ten slotte aan de eettafel van de hele familie zijn mening gaf over een slepende discussie over politiek, hielden wij allemaal op met wat we aan het doen waren en luisterden. Hij had dat zeldzame talent niet alleen als hij duidelijk ging maken wat mijn vader of mijn tante eigenlijk bedoelden, en dat op een niet zo zachtzinnige manier, maar ook om het onderwerp in een bredere context te plaatsen. Het ging er dan niet zozeer om of een president of senator of afgevaardigde of rechter of politiechef of schoolhoofd of leraar of dokter of een buurman gelijk had of niet; het ging erom wat juist was voor hem of voor haar, en hoe dat 'juiste' misschien niet zo juist was als het N of ons zou betreffen. Daarna klaarde de lucht. Er was plotseling geen enkele reden meer om zich kwaad te maken. We zaten samen aan tafel en er was genoeg te drinken en te eten voor ons allenmaal, en dat was het belangrijkste. Verschillen van mening waren belangrijk, ongetwijfeld, maar ze hadden geen grotere betekenis dan dat wij bij elkaar waren, vooral als wij gezellig samen zaten te eten.

         Enfin, zo was N. Als hij eenmaal zijn mond open deed wist je dat hij iets ging zeggen dat ons ruimte zou geven. Op een jongen van negen, tien jaar, zo oud was ik toen, maakte dat grote indruk.

         N woonde alleen, hij was nooit getrouwd geweest en had geen kinderen; hij werkte bij een winkel in kleding en textiel, het enige in de wijde omgeving; het was een geweldig gebouw waarin ik graag rondstruinde, vooral in de bergruimten achterin, als N die voor mij open deed. Daar, tussen die grote dozen waar  de buit al was uitgehaald – ik gebruikte dat woord vaak als ik het over die plek had, 'grote kartonnen dozen vol buit' – kroop ik daar soms in en installeerde mij. De ene doos was een tank maar de andere was een kasteel waar een onzichtbare prinses woonde, die daar aan haar lot was overgeleverd door degenen die haar gevangen hadden genomen; zij verlangde naar gezelschap, misschien zelfs naar liefde. Niet dat ik toen wist was liefde precies was, toch had ik wel zo'n idee. Een keer, toen ik dat aan N vertelde, barstte hij in lachen uit. 'Dat komt van de boeken die je leest,' zei hij. 'Zo is het leven  niet, en de liefde evenmin.'

         Ik zal nooit vergeten met hoeveel plezier hij mij dat zei. Of hoe zijn lach mij jaren later nog een hart onder de riem stak als ik wanhopig naar liefde zocht en die niet kon vinden.

         N was daar altijd in die verre periode, hij verdiende net genoeg om zich te redden en zonder mankeren een- of tweemaal per week bij ons te eten. Al was hij er niet de man om een gezin te stichten, hij vond het beslist prettig om bij een gezin te zijn. In één opzicht was N, ondanks het feit van mijn vaders succes als verkoper die was opgeklommen tot commercieel manager in zijn bedrijf, toch degene die met ons allemaal het beste kon opschieten. En ook al dreef mijn vader vaak de spot met hem, en dat deed hij als hij daar zin in had, toch wisten wij dat N het middelpunt, de spil was zonder wie wij stuurloos zouden zijn, alsof wij ons kompas kwijt waren.

         Er is nog veel meer over N te zeggen, wat ik pas jaren later ontdekte, nadat mijn vader was overleden. In die tijd kreeg N, die toen met pensioen was, een zwakke gezondheid, hij werd ziekelijk; zonder de aanwezigheid van zijn broer gleed hij van ons weg. We deden voor hem wat we konden; er kwam een thuishulp die ook voor hem kookte, eenmaal per week een hulp in de huishouding, boodschappen aan etenswaar en drank werden bij hem thuis bezorgd – hij had altijd gedronken en was niet van plan die gewoonte op te geven wat de dokter hem ook zei. We zorgden ervoor hem eenmaal per week een bezoekje te brengen en dan met een glas verdunde whisky samen buiten te gaan zitten als het weer het toeliet, en te praten over van alles.

         N was een artiest, moet je weten. Hij maakte collages van alle briefkaarten, kranten, tijdschriften, stripblaadjes en boeken die hij maar te pakken kon krijgen. Oude telefoongidsen met ezelsoren die niemand meer gebruikte waren ook welkom. Hij was gek op van die rondborstige boekomslagen van goedkope liefdesromannetjes die destijds te koop waren in drugstores. Er was ook The National Geographic (wij hielden zijn abonnement aan tot zijn beroerte, die hem gedeeltelijk blind maakte) en technische vakbladen met hun merkwaardige schematische figuren, die hij als een tovenaar ergens wist op te scharrelen; niets was uitgesloten. Nu en dan voegde hij er een touwtje, wat gevallen blaadjes, kauwgum, peuken, soms wat modder aan toe – alles wat er maar bij paste kon hij gebruiken.

         Het ging zo: op een middag toen ik bij hem kwam vroeg N me of ik wilde zien wat hij deed als hij alleen was. Natuurlijk, zei ik, al had ik geen idee wat hij ging pakken diep uit zijn bergkast.

         Hij hees zich langzaam op uit zijn leunstoel en zei me dat ik even moest wachten. Hij kwam terug met een groot en dik handgebonden boek dat hij zelf moest hebben gemaakt; het telde zeker een paar honderd dikke bladen. Toen hij mij het boek aanreikte legde ik het op mijn schoot. Als contrast met het gewicht, dacht ik op dat moment, had hij in de lederen band een behoorlijk gelijkende afbeelding gesneden van een groot zeilschip met volle zeilen, schuin in de wind, alsof het over de golven vloog.

         ‘Ga je gang,' zei hij me, 'sla het maar open.’

         Op elke bladzij was een kleurige collage gemaakt, die vaak heel geestig en soms erotisch was en dan weer sadistisch, als daarmee de een of andere bekende persoon of gebeurtenis onderuit werd gehaald, en nu en dan  een beetje schunnig, zelfs voor iemand van wie ik wist dat hij ruimdenkend was en allerlei vormen van uitbeelding van actuele of historische gebeurtenissen wel kon accepteren. En dat historische ging duizenden jaren terug.

         Blijkbaar was de gewone tijdrekening voor N niet genoeg. N begaf zich op gebieden waar wij in het voorbijgaan terecht kunnen komen, meestal als toerist, en alleen omdat specialisten daar eerder geweest zijn en ons kunnen verrassen met wat zij met zekerheid of niet ontdekt hebben. Totems met dieren, vogels en vissen, vrouwen zittend op een bezemsteel die baby's baarden uit hun gezwollen vulva's, bliksemflitsen, striemende regens, dansers met geweien en voeten met zwemvliezen, speerwerpende jagers, sjamanistische priesters, sterrenbeelden, dat alles wat honderden of duizenden jaren geleden werd ingekrast in een rotswand; de hele Neolithische wapenschouw in volle glorie uitgebeeld met afdrukken van handpalmen. Dat kwam ook allemaal langs op zijn werktafel.

         Zijn collages omvatten een groot scala aan registers en denkbeeldige theaters, die hij in de war bracht of anders instelde met een intrinsieke schertsende lichtheid, een wonderbaarlijke luchtige sensatie, gericht op alles wat voldoende indruk op hem maakte om te reageren met een schaar, een mes, en wat lijm.

         Ik had het gevoel dat hij zijn collectie niet aan anderen had laten zien, dat hij in het geheim eraan had gewerkt, dat het werk hem helemaal vervulde als hij eraan bezig was, en dat hij wilde dat ik, zijn neef, het zou zien. Ik wist ook dat hij op de hoogte was van het feit dat ik te maken had met de kunstwereld als een incidentele criticus en samensteller van exposities. Was het uiteindelijk zijn wens dat ik zijn werk zou laten zien aan anderen als ik de kans kreeg? Was deze kostbare nalatenschap zijn manier om me te zeggen dat hij niet alleen mijn vaders broer en mijn oom was, maar ook dat hij een ander leven had geleefd met zijn eigen curieuze creaties die hij helemaal voor zichzelf had gehouden? Ik dacht dat graag maar ben er toch niet zeker van dat er een eenvoudig antwoord is te geven op dit raadsel.

         Toen zei hij me dat ik het boek moest meenemen, hij was er klaar mee, ik mocht ermee doen wat mij goed leek. Ik had het begrepen. Dit was zijn manier om vaarwel te zeggen. Een paar weken later stierf N in zijn bed, waarschijnlijk tijdens zijn slaap.

         Ik heb hem niet teleurgesteld. Dat had ik ook niet gekund. Zijn collages toonden een zeldzaam creatieve wilskracht; en dat was waarom wij zo op hem gesteld waren; dat was het unieke van hem – zijn kalme, geestige en scherpe vermogen om oplossingen te bieden als wij dat niet konden.

         Een paar jaar later, nadat zijn naam bekend was geworden bij galeries en museums als een 'outsider' kunstenaar die wonderlijke voorstellingen had gemaakt, en ik over hem had geschreven in verschillende tijdschriften voor dat soort kunst, kon ik er nog steeds niet over uit hoe schitterend zijn geheime leven was geweest. Niemand van de familie had het flauwste idee gehad dat hij zijn nachten besteedde aan het maken van collages, en dat hij die maakte voor zijn eigen plezier en uit behoefte om te onderzoeken wat het is om juist dat te doen.

         Ik heb het geluk gehad dat N mijn oom was en dat hij mij die essentiële bron gaf waaruit hij zelf had gedronken toen niemand  dat merkte of in hem geïnteresseerd was.

 

Terwijl ik eraan terugdenk en mij heel goed het moment herinner waarin N mij zijn collageboek gaf en ik dat voor het eerst doorkeek, ben ik nog steeds verwonderd over zijn naïeve en stralende fantasie die daardoor werd onthuld, en door de veelvormige uitbeeldingen van zijn innerlijke leven, sommige door de lichte kleurovergangen van waterverf overgaand van geel naar blauw, met daarbij de lichtheid, de bijna-afwezigheid van zwaarte, zoals breed gevleugelde vogels dat hebben als zij moeiteloos en speels omhoog zwieren, wat door zijn collages wordt geëvenaard alsof ze verwekt zijn door dezelfde levenskracht; ik ben verwonderd over hoe ze mij ontroerden – alsof N in zichzelf een liedje neuriede, een liedje met dat warme, verleidelijke wijsje dat ik kende maar hem nooit had horen zingen.

         Op een soort wezenlijke manier had N in zijn collages de ritmes en melodieën gevonden van een collectief visioen, waar ik op een bepaalde wijze deel aan had, en waarvan ik denk dat ieder ander er ook deel van kan zijn. Een oorsprong, ja, zijn eigen oorsprong, maar niet enkel die van hemzelf; een oorsprong waarvan de klankkleur en resonantie een geheel leken te zijn; elk blad van het boek voegde iets toe aan een nieuwe en toch vertrouwde plek die zichtbaar werd.

         Sommige van zijn collages gingen nog verder, ze waren als het ware bezield door de geest die N erin had gebracht terwijl hij knipte en plakte; een spirituele geest die mij liet zien hetgeen ik aanvankelijk niet kon accepteren, maar die nu, ja, wat kan ik er verder over zeggen? Veranderden de collages terwijl ik ze bekeek, eerst onmerkbaar en daarna met meer nadruk? Of brachten ze plotseling herinneringen van gebeurtenissen tot leven, gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden en gebeurtenissen die ik had gedroomd of gewenst met alle emoties die ze opriepen, emoties die zij versterkten en scherper maakten? En lieten ze mij de collages op een nieuwe manier zien, niet als animaties met de betekenis zoals we dat woord gewoonlijk opvatten, geen louter technische projecties, maar alsof de collages de kracht en bedoeling die ze mij brachten een nieuw kloppend leven kregen? Ik geloof dat het zo zit, maar ik ben dan ook verzot op veranderingen en hoe die ontstaan, en wat ze zo persoonlijk maken... en dus...

 

*

© 2020 Allan Graubard, New York City

Vertaald uit het Engels door Laurens Vancrevel

 

___________________

Allan Graubard is dichter, essayist en toneelschrijver. Zijn dramatekst Hippocampus werd in 2010 in het Nederlands uitgegeven. Recent verscheen van hem het boek Ira Cohen: Into the Mylar Chamber, een rijk geïllustreerd overzicht van de legendarische experimentele foto's die de dichter Cohen tussen 1968 en 1970 maakte. Op Het Moment werden in de afgelopen jaren verschillende prozateksten van hem geplaatst. Het verhaal "Nocturne 14" verscheen voor het eerst in 2020 in de bundel Western Terrace, verlucht met tekeningen en collages van de Canadese kunstenaar Gregg Simpson, uitgegeven door Ekstasis Editions Canada te Victoria.

 

JAN H. MYSJKIN - IN MEMORIAM PIERRE GALLISSAIRES

 


met gedichten van Pierre Gallissaires

 

 

Pierre Gallissaires, op 4 december 1932 geboren te Talence (Gironde), overleed op 10 augustus 2020 in een ziekenhuis te Toulouse. Gallissaires is vooral bekend als vertaler uit het Duits in het Frans en omgekeerd. In duo met Jan H. Mysjkin vertaalde hij eveneens talloze Nederlandse en Vlaamse dichters uit het Nederlands in het Frans.

Hij was in 1967 als dichter gedebuteerd met Vingt-deux poèmes, tweeëntwintig gedichten die hij tussen 1960 en 1966 had geschreven, toen hij in Marokko en Algerije woonde. Een jaar later verschenen opnieuw tweeëntwintig gedichten, maar ditmaal om ermee te lachen: Vingt-deux poèmes pour en rire. De groteske ‘een heel vreemd ongeluk’ is zijn bekendste gedicht geworden, nadat het werd opgenomen in een leerboek voor het onderwijs, waar hij als ‘poète comique’ een plaats vond naast Raymond Queneau, Jacques Roubaud en Boris Vian.

In het militante jaar 1968 volgden nog Onze poèmes et quelques autres militants (Elf gedichten en enkele militante gedichten) en La rue. Les murs. La commune (De straat. De muren. De commune). Gedichten uit de laatste bundel verschenen eerst in Les Temps Modernes, het maandelijks tijdschrift van Jean-Paul Sartre. De bundel zelf zou pas in 1975 in een Frans-Duitse uitgave verschijnen bij de anarchistische uitgeverij Nautilus, die hij mede oprichtte toen hij begin jaren zeventig in Hamburg woonde. La rue. Les murs. La commune bestaat uit ‘22 dits uit mei-juni 1968’, waarbij ‘dit’ staat voor een genre uit de Franse middeleeuwse letterkunde, te weten: ‘korte, niet-verhalende teksten, meestal satirische en/of moraliserende stukjes, vaak humoristisch van toon’. Het gedicht ‘Genoeg geweld’ is een voorbeeld daarvan. ‘Assez de violence’ was een sticker die de gaullisten op het eind van mei 68 overal opplakten tegen de Parijse revolte. Gallissaires neemt de slogan over, maar keert de oorspronkelijke betekenis om en klaagt het alledaagse geweld aan, dat de gaullisten nu juist verdedigden. Met de bundel Suite benjamine, een reeks gedichten die aan Benjamin Péret is opgedragen, sluit hij in 1971 zijn eerste dichtperiode af.

In 1972 verscheen zijn eerste vertaling uit het Duits in het Frans. Sindsdien vertaalde hij voor Nautilus verschillende auteurs uit de Franse avant-garde naar het Duits (Arthur Cravan, Lautréamont, Benjamin Péret, Francis Picabia, Tristan Tzara, Jacques Vaché). Uit het Duits naar het Frans vertaalde hij onder anderen Hugo Ball, Alfred Döblin, Hans Magnus Enzensberger, Franz Jung en Oskar Panizza. Voor zijn indrukwekkende vertaaloeuvre werd hij in 1995 onderscheiden met de Prix Gérard de Nerval, uitgereikt door de Société des Gens de Lettres. In juni 2009 volgde de door het Nederlands Letterenfonds uitgereikte Brockway Prize voor zijn poëzievertalingen in samenwerking met Mysjkin. Het juryrapport prees meer bepaald hun vertalingen van Paul van Ostaijen (Le dada pour cochon) en Gerrit Kouwenaar (Une odeur de plumes brûlées). Later verschenen nog bundels van Armando, Inge Braeckman, Hans Favery, Rutger Kopland, Cees Nooteboom, Lans Stroeve, Michaël Vandebril en Menno Wigman.

Het vertalen slorpte echter al zijn creativiteit op, zodat pas in 2010 een nieuwe bundel verscheen: Le dit du poème parmi d’autres (De ‘getuigenis’ van het gedicht onder andere ‘getuigenissen’), in 2015 gevolgd door Je tu il ou d’aucuns (Ik jij hij of die of gene). Onderstaande gedichten zijn ontleend aan zijn eerste periode en verschenen in een vertaling van Jan H. Mysjkin in Poëziekrant, 34ste jg. nr. 6, september-oktober 2010


 

 

een heel vreemd ongeluk

 

 

om een onbepaalde nogonop

gehelderde reden

verliet vannacht op de RW 108 tussen terdam en sint-boemelen

in het gehucht blinksteen

een boom plotseling

de wegberm en viel plat te pletter

op een ontredderde vrachtauto

 

naar de eerste voor geloofwaardig gehouden berichten

is de materiële schade hoewel licht

niet te ontkennen

en verdomd veel er vallen in gelijk getal slachtoffers

te betreuren als de cijfers juist zijn

of zelfs hoger in het kwa

draat van de hypotenusa en op beide andere zijden

 

de politie het parket de familie en de oogst

ottoriteiten de gestelde staats

lichamen burgers militairen werden ter plekke meteen

op de hoogte gebracht en leiden voor de feiten geplaatst het onderzoek

met de steun van de geestelijke stand

de dekens en degenrechters

zodat de zaak vol en ledig en van alle kanten inclusief

het fijne zou worden opgehelderd

en zo snel mogelijk voltooid

het optrekken van een grafmonument ter gedachte

nis van een daad die getuigt

van een onweerlegbaar sadisme

dat we alleen schaamteloos kunnen noemen ja zelfs

 

we wegen onze woorden weerzinwekkend

 

 

 

***

 

 

natuurlijk

het kan geen kwaad

om te spreken over de zee de vruchten en de heuvels

de geuren van de nacht de steden en hun geluiden

 

natuurlijk het kan geen kwaad

om te spreken over de wind en de vrouw die komt

de wolk en zijn kleuren de tijd en zijn weeën

in de lakens van het verlangen de vrouw die alweer

 

natuurlijk het kan geen kwaad

van nu af aan

kan ik spreken over

de eeuwig stomme schoonheid en de verdoofde man

 

natuurlijk

het kan overigens geen kwaad

 

daar gaat het niet over

 

 

 

L B J

 

‘Uit Wilson komt een raar geluid – zijn ziekten en plagen zijn verslagen, en hij stuurt zijn laatste leger…’

Majakovski 1919-1920

 

 

toen hij al zijn vliegtuigen zonder piloot op ze

had afgestuurd          zijn legers

vliegdekschepen en instructeurs

zijn vredes- en gelukswensen

zijn soldaten mariniers

en zijn piloten zonder vliegtuig

zijn aalmoezeniers en vlammenwerpers

inclusief hun zegeningen

zijn vredeswensen zijn hele arsenaal aan bommen

en laatste uitvindingen

zijn generaals neurologen

reuzenbreinen en bulldozers

zijn vliegtuigbrekers diplomaten

versterkte prefab

legerkampen en hergroepeerders

zijn vredeswensen en al zijn zakken tarwe

zijn automaten en grote boys

zijn politiemannen en kazematten

zijn jachthonden en twintig vloten

het beste van het beste zijn elitemoordenaars

vredeswensen          en voorwaarden

en toen ze dat alles van de hand hadden gewezen

 

kwam uit johnson een geluid een raar geluid

dat de wereld voor het eerst vernam

en eindelijk in het volle daglicht van de waarheid

als zonneklare klontjes tevoorschijn trad

 

uit johnson kwam wind

 

 

 

***

 

De natuur is geschreven in de taal van de wiskunde.

Galilei 1623

 

52 330 06165 registratienummer Poitiers

44 208 Mont

lhéry 91

33 jaar compagnie

4 lichting 2

CIT 151

15 11 66 ik

ponskaart

mijn lieveling kent mijn naam ik

ponskaart

ken maar één cijfer één enkel

het valt me zwaar ja loodzwaar want het is vijf

tig kilo

 

 

 

genoeg geweld

 

 

dag aan dag alom tafel

kazerne bank

procrustesschool werkplaats

fabriek tuchthuis universiteit

geweld aan het lachen

het woord de tranen het geluk

en de schreeuw

de ongekunsteldheid en het verlangen

de droom zuiverheid

verlangen wanorde

scherpziende lichtzinnigheid

 

eindeloos onduldbaar

geweld aan het leven

 

 

 

want de jeugd moet eraan geloven – nachtmerrie

 

 

er was de staatsraad

zoals dat heet

een hoop ouwe zakken die op geregelde tijdstippen

en aan het begin van de maand

kramakkig in grote zetels scheefzakten

om er in koor te boeren en er van ganser harte

demopraktisch

noties van vertrouwen te stemmen

 

wandelgangmisbruiken en benoemingen

bevoordelingslijsten of een paar dotaties

en dergelijke wetstraatspelletjes

hervormingstreinen en vreugdevuren ze zijn druk in de weer

ze feliciteren elkaar

strelen hun officierslintje en falsificeren de publieke opinie

slaan bij het afroepen van hun naam hun hielen

en penningen tezamen

 

versterken hun niemendal vestigen hun grondslag

hun miezerigheid en heerschappij

ik

 

ik was zeventien jaar en ik liep er

dagelijks

al te vaak voorbij

 

ik was een loopjongen en ik verdiende

per maand mijn 625 francs

 

 

 

tot de order van de nacht

 

 

lachen schrijven spreken

voor het plezier

en de schoonheid

 

lachen schrijven schreeuwen

tegen ingesleten gewoonten vooroordelen

we dachten dat we altijd zouden lachen

 

schrijven vechten

voor het plezier en voor het nut alles is

heel duidelijk de straten spiegels

 

deze stad van plezier de vraag

van de macht alles is overduidelijk aarzelen

om het artesische woord uit te leggen

 

waarom zouden we erover spreken de eis

je gelooft je ogen niet

doeltreffender dan de wetenschap het woord

 

vuursteen zwart schaap laat de vrije loop

in de mate

de moot

 

in de hele moot van het mogelijke