RAE ARMANTROUT - TWEE GEDICHTEN



vertaald door Arnoud van Adrichem

Deze dagen


SMAAK

We hebben een voorliefde ontwikkeld voor ‘jaren vijftig-duister’ – dat wil zeggen de voorbije jaren vijftig, niet de snel naderende met die almaar giftiger lucht. We hebben een voorliefde ontwikkeld voor de allerkoudste cold cases waaraan wordt gewerkt door onwaarschijnlijk serieuze kind-detectives of laconieke sheriffs in piepkleine woestijnstadjes. Waardoor kraken de telefoonlijnen? Vind je dit geluid bedreigend klinken?

We hebben een necrofiele smaak ontwikkeld voor het achter ons liggende. Degenen die we ons net niet kunnen heugen, staan het verst van ons af, zijn de vreemdste vreemden.


TAKEN

Elke dag staar ik naar de kloof tussen ‘en’ en ‘dan’ met het gevoel dat er, als ik heel stil ben, iets belangrijks uit zal komen. Ben ik loom, diepzinnig of bezorgd? Elk van deze woorden is een polaroid waarin ik liever niet woon, maar gezamenlijk vormen ze een piramide, de meest stabiele vorm.


SIGNALEN

Het enige wat kinderen doen is het naspelen van iets wat ze half bevatten of waarvan ze slechts een glimp hebben opgevangen. We noemen dit soort voorstellingen ‘spel’, maar ze zijn vergelijkbaar met de wijze waarop buitenaardse wezens trachten te communiceren door signalen van oude tv-uitzendingen te reproduceren, inclusief de atmosferische storing tussen stations.

Dit kind gebruikt een kopstem om aan te geven dat er twee van haar zijn, degene die nu spreekt en degene die we nooit zullen horen.


Wachtwoord


1

Alsof het probleem was
dat ik de lijvige tekst
niet in de rugzak van het kind kon proppen
en dat ik te laat was voor de les
waarvoor ik mij nooit had aangemeld
heel lang geleden!


2

“Het bedrijfsleven loopt op zijn tenen
in een wereld van maskers.”

“Mensen hechten zich”
aan opzichtige nep.

Alsof klasse
geen camouflage was.


3

Vreemd om uitgerust te ontwaken
na deze dromen
over rampen en schandaal
die niet als zodanig geregistreerd staan.




4

Wanneer ik lang genoeg heb gestaard
naar de ruwhuidige,

stompneuzige, of
hard getepelde

citroenen,

richt ik mijn aandacht
op Wereld Wachtwoord Dag.


________________________________
Rae Armantrout (Vallejo, 1947) is dichter. Haar werk staat in de traditie van de zogeheten Language-dichters, al vaart Armantrout van meet af aan haar eigen koers. Zij debuteerde in 1978 met de dichtbundel Extremities en bracht sindsdien meer dan vijftien boeken uit, waaronder Money Shot (2011), Itself (2015) en Wobble (2018). Voor haar dichtbundel Versed (2009) ontving zij in 2010 de Pulitzerprijs voor poëzie.
De hier vertaalde gedichten werden voor het eerst gepubliceerd in Chicago Review, © 2020 Rae Armantrout.

BEATRIZ HAUSNER - ELKE DEUR HEEFT TWEE KANTEN




Paneel van Susana Wald (Mexico), 2020

            I

elke deur heeft twee kanten de ene naar deze kant en de andere

volwassen en toch nog kind dat je hebt niet hebt dat je beet pakt
het vast pakt niet helemaal beet pakt prettig op je knieën

de goden van repliek dienend met sekspraat wat je uiteindelijk
terug krijgt naarmate de dagen moeilijk worden kom en zeg het nieuwe jaar

begint het is het koude jaargetij de droom is niet langer gericht
op visioenen de muze was niet toen maar is nu omdat

er een tekort schuilt in een voortgaande steeds herhaalde ommekeer want
het delen van een woning wordt van binnenuit verlicht jouw kamers zijn mijn kamers

niettegenstaande dat afmetingen wel of niet benauwend of
plezierig zijn als je mij bij mijn nek naar je toe trekt met een kous als band

van voren of van achteren vindt je pik een goede ontvangst bij mij soms
zeg ik als je doorgaat met patronen te volgen structuren die werden afgewezen

door mij die dagelijks begint te leven terwijl jij de strop strakker aantrekt mij vast pakt
tegen je aan onverschillig of de kleuren wisselen die nagels kerven in een hand

maak ze vloeibaar als de rituelen beginnen ga maar door nu mag je stoppen
door afwisseling in te wisselen voor substitutie proberend ons beiden te vervangen

dat doen we dan het mechanisme is inbegrepen de tong krijgt diepe wortels naar binnen
van buiten jeukt de keel de sterren ontploffen in de nacht ze trekken samen overdag

elke deur heeft twee kanten de ene naar deze kant en de andere



            II

afwezigheid aanwezigheid van handen
om je heen voel de aderen neurie
binnensmonds dat is ingehouden genot
stevig nu niet losjes maar kom dan
en raak dan tot komende toppen
van begeerte al zoekend niet alles tegelijk

                                                           volledig
                                                             ben je in je
                                                               mooie lijf
                                                                 je wordt
                                                                   volkomen

ondanks je geslotenheid die blijkt
als de rolluiken neer zijn
voor je eigen licht beweeg je niet
blijf je de baas van je licht het stroomt
uit je geslacht de bevestiging van je genot

                                                                   is een continuüm
                                                                 die slingert en
                                                               verbindt de lange
                                                             keten die zich ontplooit
                                                           tot een nieuwe stem

diep binnenin schaf daarom twijfel af
ontken vernieling  als ritueel
en stel de vraag: waar is
genot? antwoord: het leeft met
de morgenster in een bokaal van kristal
                                                          
                                                           vraag:
                                                             wie zei dat voor het eerst?
                                                               antwoord:
                                                                 César Moro

vraag: kan behoefte worden begrepen?
antwoord: jazeker als de stem
gesnapt wordt tussen twee deuren

                                                                     herhaal de vraag:
                                                                 kan behoefte worden begrepen?
                                                                    daar is geen antwoord op
                                                             laatste vraag: wie was de beste spreker?
                                                           antwoord: Ovidius

dan gaan wij door met de gebeden
terwijl innerlijk en uiterlijk worden
bezield met de wezens getekend
op het oppervlak van aardewerk
wanneer de Grote Profeet wellicht
de gravin van Dia of misschien
een onbekende hardop
de zwart-op-okerkleurige
variaties zingt en plechtig verklaart:

                                                           wat een geluk, ik ben dol op liefde


                        III

hier is mijn begerigheid die zich sindsdien herhaalt

                        met de tong

gericht op de vingers die beelden maken van klei
kommen die het vocht uitschenken de overdreven
inversies van hun dijen zijn het enige dat blijft
van de mannen die strijders waren in gevecht met
hun spookbeelden

                                   welke lingua dan ook
                                   steeds weer de tong
                                   ja alweer de tong

de tong altijd omgeven door lippen rondom
klanken die zich vermenigvuldigen tussen zijn benen
nu daartussen de binnenkant buiten is

                                   elke deur heeft twee kanten
                                   de ene naar deze kant en de andere

bij herhaling op deze dag wortelt de tong
nog dieper in zichzelf om te zeggen
goede morgen waardoor het in haar vida daagt
en de dagen duidelijk worden veranderd gevormd
door de bazige liefde de glinsterende weefsels
glanzen en trillen in nog vreemdere ruimten
gevlochten koorden van metallisch katoen binden de
minnaars samen tot een eenheid genaaid tot stevig
weefsel zodat de beproevingen en de lichtheid
het weefsel vormen dat we delen

                                   onmogelijk
                                   is mogelijk

laten we dus deze twee lijven ontbloten vriend als
je maar een kwart had van de hunkering die mij nu bevangt
zoals je keel kan samentrekken bij plezier
over het geluid van naderende lippen die de
geletterde woorden vormen die jou toeschreeuwen

                                   dat de achter- en voorkant
                                   van de tijd voorbij is
                                   en opnieuw begint

elke deur heeft twee kanten de ene naar deze kant
en de andere de vuren zijn ontstoken ze
verlichten de sneeuw op dagen die
zijn aangegeven door een hand die je niet ziet
maar wel bezielt

                                   elke deur heeft twee kanten
                                   de ene naar deze kant en de andere

nogmaals laten we zeggen er is vuur midden in
het leeuwenhart het sterrenbeeld fonkelt
het stroomt uit de horizontale schemer en de vacht
van de grote kat is de voering van oeroude tempelmuren
van geglazuurde afgebrokkelde baksteen

                                   ze vertellen het verhaal
                                   van mannengedram

vol begeerte die beelden in geelachtig oker
op zwart herhalen de strijders altijd met
zovelen tegelijk toeslaande lichaamsdelen die
heel gelijkend zijn omdat mannen ze tekenden
en geen vrouwen want die spraken zonder stem

                                   hun hongerige
                                   stemmen waren
                                   zelfs zwak
                                  

stilte overweldigde de stemmen een speciale
intonatie klonk door een behoefte aan genot begeerte
om de tong te wekken uit zijn slaap wakker te maken voor
wellust voor verrukking en vooruit dan maar

                                   elke deur heeft twee kanten
                                   de ene naar deze kant en de andere

                                               ***

© 2020, Beatriz Hausner, Toronto
Vertaald uit het Engels (Canada) door Laurens Vancrevel
_________________
Noot van de vartaler: Deze cyclus is ontleend aan de bundel Beloved Revolutionary Sweetheart  van Beatriz Hausner, Verschenen bij Book*Hug Press, Toronto, 2020. In deze gedichten zijn zinsneden opgenomen van de Romeinse dichter Ovidius (uit zijn Fasti en uit de Metamorphoses) en van de Occitaanse troubadours Beatriz de Dia en Guilem IX d'Aquitaine.  


HUUB BEURSKENS - ECHOGRAFIE



Ooit had ik een appendix van 8 cm met een diameter van
0,8 maximaal die op 2 cm van de top slechts 0,3 cm mat.
Hij was erbij toen ik gezoend werd door mijn eerste schat,
ging mee naar Praag, Parijs en Rome. Wat was er beter dan

jaarlijks naar Manolates tussen de bomen waarin die dag
de nachtegalen floten of genieten van de zomerochtendmist
op een Venetiaans terras? Tragisch als een zelfmoordterrorist
stond hij opeens me naar het leven. De serosa bleek hemorragisch

en had fibrinopurulent beslag. Wellicht doordat hij niets opving
van de wereld om me heen, meende hij dat ik me van hem afkeerde,
zelfs in mijn dromen, terwijl ik hem waardeerde juist; nog slechts
dommen vinden zo’n wormvormig aanhangsel een onnut ding.

De wond is goed genezen. Nu loop ik alweer tijden rond met pijn,
men zag echter niets meer dan rechts een levercyste, subcapsulair,
heel klein, geen concrementen in de galblaas, dunwandig, noch
aanwijzingen voor mankementen in de slanke galwegen, het traject

der ureters en in de blaas, een normale milt en pancreas. Maar wie
hier is de baas, wie moet wie hier danken? En het overgrote deel van
waaruit, waardoor, waarmee, waarin ik besta werd niet eens bekeken
en gemeten. Bang maakt het me maar, en alleen, dat almaar geluister

naar mistig gefluister, naar geruis in valleien zonder nachtegaal.
Straks moet ik nog naar de psychiater om me te laten vertellen wat
ik al lang wist: dat ook mijn geest nooit van mezelf geweest is. Niets
ben ik dan echo’s van mijn wegtikkend ik. Ooit had het een appendix.


[eerste staat, 20 juni 2020]

WIEL KUSTERS - TWEE NIEUWE GEDICHTEN


solipsisme

Met beelden die ik mij herinneren wil,
heb ik een leven doorgebracht. Kijk niet.
Als je me schrijvend vindt, vind je me stil,
tot je me lezen gaat en plotseling ziet
dat ik je hoor en daar een beeld van maak.
‘Herinnering, voortijdig vastgelegd.’
Waarmee ik aan de toekomst dus niet raak
en aan ’t verleden niet waar ik aan hecht.

Een houten armpje krabt mijn ene rug,
een woord als kus verrukt mijn andere tong.
Mijn hand schrijft klaar, maar dat komt me te vlug.
Vlees is gewillig, het papier is stug.

‘Jij bent de adem die zich in mij wrong
en zich, de dood getrouw, weer uit mij zong.’



anoniem

En al weet niemand hoe ge heet en wie
ge waart of zelfs maar dat ook gij bestond,
dat neemt niet weg dat ik u voor me zie
en mij in u en u in mij hervond
als gold het een geboorte, want die geldt
tot aan de dood of wat daar nog op volgt,
tot een van ons zich daarvan heeft hersteld
en zonder rijmwoord door het leven gaat.

Want het volledigst leeft ge zonder naam,
in wat nog door geen woord verkaveld is,
dus buiten alle taal, die ons begrenst.

Al zijt gij niet degene die dit wenst
en heb ik mij in namen vaak vergist,
’k zal altijd weten hoe gij niet meer heet.

MARIN SORESCU - GELEGENHEIDSGEDICHT VOOR EEN SYMPOSIUM OVER GRENSKWESTIES

Marin Sorescu - Zelfportret
Wachten tot het kookt


Onder het wachten, tot de bonen koken,
lees ik op mijn gemak de krant. Als het waar is dat
wie kookt langer leeft, zal ik nog heel vaak
de krant kunnen lezen. (Zo niet, dan niet.)

Er zijn dingen die zich herhalen,
er is ook veel twijfelachtig nieuws.
(Betrouwbaar als altijd: de overlijdensberichten.)
Maar intussen zijn de bonen in beweging gekomen, ze pruttelen
zelfs – en begeleid door kwesties die de mensheid
in beweging houden (de toestand in het Midden-Oosten,
de escalatie van de diverse wedlopen) kijk ik door de damp
naar het op en neer van de bonen in de pan,
visjes in een aquarium, rondgedreven door
het vagevuur van interne stromingen. (Gisteren
heb ik het aquarium uit mijn kamer weggedaan;
deze winter vriest alles dicht; het ligt nu ergens achterom.)

Zo meteen moeten de uien erbij, ook de
aardappels wachten erop dat ik ze schil (er zijn mensen
die beweren dat je de schillen moet meeëten),
ieder moment kan de peterselie arriveren,
tja, en de wortelen moeten dit keer héél in de pan –

En zo, in de dampkring van actieve keukenbesognes
leren we de veelheid der dingen
kennen en waarderen; we leren ze accepteren ook;
zelfs deze moeilijk te bedwingen tegenstrijdigheden
worden steeds duidelijker; want per slot van rekening, nietwaar,
moeten de krachten van het goede uiteindelijk winnen...

Ofwel is de vlam te groot, of
ze is te klein – daar zet al een lieflijke
geur aan tot handelen.
Je zet de vlam dus hoger,
doet de drie wortelen erbij,
de uien, de aardappels...

Op de laatste bladzij aangeland
kan ik dus weer opnieuw beginnen.
Alles is vredig, alles fantastisch.
Wel had het water al lang ververst moeten worden,
nou ja, wat geeft het!
Zelfs de oeroude problemen komen in een nieuw licht te staan.
Inderdaad: onder het koken raakt men bij wijze van spreken
                                                                                          in het ritme
van zeer wezenlijke dingen – het wassen van groente,
het afwassen van borden, dat wat er in je denken verandert,
de mogelijkheden van een waterleiding – ‘warm’, ‘koud’–
ja, dat sust en bedaart de zenuwen.
Daarom hebben de Chinezen ook zo’n eindeloos lange lijst
feest- en herdenkingsdagen... om nog maar te zwijgen van
de Italianen... zelfs bij ons is, weet u wel, de levensverwachting
van voormalige legerkoks hardnekkig gestegen; iemand uit
de buurt bijvoorbeeld, die ‘op 3 april 94 werd’;
drie jaar geleden kreeg hij weer tanden – zijn
gebit is weer volledig intact. Mijn vriend
Nae Diaconu evenwel kan nu niet koken
zonder twee liter wijn; en als de bonen wat ouder zijn
ook niet zonder een paar borrels.

De foto’s zijn nogal wazig,
de letters vaak te klein.
Verbazingwekkend is wel, dat de Mexicanen zelfs met hun steeds weer
heviger crisis nog in leven zijn.
Maar als je eenmaal boven de 75 komt, mag je
op een nieuwe lente rekenen; op je tachtigste kun je
niet eens meer huilen, je trekt voor de warmte de kosmos aan
zoals hij is (is, niet is, met God, zonder God)
en bekreunt je plotseling zeer om alles
wat de kranten melden.
Al gauw ben je zo fit,
dat geen nuance je ontgaat.

Toch nog een uitje misschien?
Puur vitamine.
Net als de hele kookkunst: eindelijk begrijp je
het geheim van alle speculaties van Kant;
ook hij heeft zelf gekookt.
Ja, met een stuk ui dek je je  in
tegen de magnetische stormen van de zon, die elkaar zo
afschuwelijk versterken en de aarde met haar heerlijke
verworvenheden dreigen te verslinden.

Twee, drie artikelen bewaar je
voor na het eten.

De deur knarst
terwijl ik de krant dichtvouw.
Mijn vrouw is terug van de markt.
‘Wat doe jij daar nou? Het gas staat
veel te hoog voor bonen,
ze zijn vast en zeker aangebrand.
Laat mij maar doen,
ga jij maar
schrijven.’


vertaald door Wiel Kusters, naar het Duits van Oskar Pastior

_____________
AANTEKENING

Marin Sorescu - Portret van Wiel Kusters

De Roemeense dichter en toneelschrijver Marin Sorescu (1936-1996) schreef dit gedicht voor het internationale poëziefestival en symposium Grenzen aan de taal, dat Hans van de Waarsenburg en ik, in samenwerking met de Stadsschouwburg Heerlen, in november 1988 organiseerden, en waar naast Sorescu optraden Michael Hartnett, Oskar Pastior, Zafer Şenocak, Tom Pickard en Dieter Fringeli, en als Nederlandse deelnemers onder anderen Frans Budé, Leo Herberghs, Bert Schierbeek en Leo Vroman.

Een jaar na Sorescu’s optreden in Heerlen brak in Roemenië de revolutie uit die de communistische dictator Ceaușescu ten val bracht. Enkele jaren later werd de partijloze dichter Sorescu minister van cultuur, een functie die hij anderhalf jaar vervulde, van eind november 1993 tot begin mei 1995. Hij overleed op 8 december 1996, zestig jaar oud.

Marin Sorescu was een van de belangrijkste en populairste dichters van Roemenië, een vindingrijke, geestige en niet zelden ook humoristische meester in het schrijven tussen de regels, waar voor lezers die slimmer waren dan de Securitate en de censuur zeer veel aan kritiek en bemoediging te lezen was.
Ook ‘Wachten tot het kookt’ heeft een verborgen betekenislaag: de groeiende ontevredenheid en revolutionaire onrust in het Roemenië van vlak voor Ceaușescu’s ondergang wordt erin voelbaar gemaakt. Men zou het gedicht een allegorie kunnen noemen, als de erin opgeroepen situatie niet tegelijkertijd ook zo concreet en alledaags was.

Gedichten van Sorescu werden door zijn voormalige landgenoot Oskar Pastior (1927-2006) in het Duits vertaald: Aberglaube (1974), Noah, ich will dir was sagen (1975), Der Fakir als Anfänger (1992). In 1993 was ik dankzij de vriendschappelijke medewerking van Pastior in de gelegenheid een kleine keuze uit Sorescu’s werk in het Nederlands te vertalen: Versteende Hettiet (Uitgeverij Herik). (Eerder, in 1982, publiceerde Liesbeth Ziedses des Plantes bij Manteau haar vertalingen, uit het Roemeens, onder de eenvoudige titel Gedichten.)

W.K.


BREYTEN BREYTENBACH - OPHOKSCHRIJFSELSSCHOONMAAK


Breyten Breytenbach - 'Self as a Goldfish', Parijs, april 2020
Loop- en valbewegingen

(fragmenten)

vertaald uit het Afrikaans door Laurens Vancrevel


'je moet niet zo razen
met stof --
maak schoon!
maak schoon voor de woorden
die misschien nog hier
op deze aarde
willen komen wonen!'


mensen, vat mij toch niet zo ernstig op –
ik wil niet op je oren zitten:
kijk, ik ben een ouwe zeur
allang beschimmeld door al die reizen
door verre vergezochte landen
verlandschapt tot leven –
doorkneed in de kulkunstjes
om te maken dat ik overleef
in de woordpraatjes
van de asjeblieftmond
afgeveegd aan mijn hand


            ***


ik wil een gedicht schrijven
zonder inspiratie
alsof de stengels van sterven
            regel voor regel
met de alternatieven zoals woorden worden gewist

zodat jij, lezer, klankvoets
het slot van oneindigheid
(samen met mij) kunt beleven
            regel voor regel
totdat er niets meer over is om over te schrijven
tot het niets slechts overblijft
om in de oren te kijven

en dat ik met opzet
            regel voor regel verlijf
en niet lijntje voor lijntje
bijgelovig om zo in geen enkele verzegeling
opgesloten te hoeven bungelen
en daar geen gek meer voor jou zal zijn,
Engel, om op of aan te hangen


                        ***


               leven is
            verlostijd

               dood is
            tijdverlossing


                        ***


de voordelen van kennis
            (een koekoeksvers met respect voor Kenneth Rexroth)


ik ben een vent zonder ambities
en met weinig vrienden, volkomen ongeschikt
om mijn brood te verdienen,
            en ik word ook niet jonger –
voortvluchtend
            voor de een of andere pennenstreek verdoemenis
eenzaam, slordig gekleed, wat maakt het uit?
's nachts maak ik voor mezelf
een glas warme witte wijn met zaadjes kardemom,
in een afgedragen grijze kamerjas en een oude pet op mijn kop
zit ik in de kou gedichten te schrijven
en krabbel naaktfiguurtjes in de schuine marge
            en doe fucky-fucky
met de minderjarige nymfomanen van mijn verbeelding
om een-zaam en hol-alleen
                        het geween
van het mens-zijn te vernemen
vervreemd door de nacht

maar ook als de hemel
                        door gewicht
uit het diepniets verschuift
en de ruimte weer zingt
met de klanken van de tijd van leven
om het ene-en-gedeelde gezicht van de eigen andersheid
                         gewaar te worden
keer op keer als flitsbericht
ont-huld in de speling
van dit dit gedicht

in dit gedicht, praatplek voor stenen,
biedt de beker bittere liefde
                        aan de lippen
van liefde, verloren liefde, liefdes
verraad ons voorbij gegaan
                        en wat zou kunnen zijn
en wat er moge zijn valt als ketenen
van ons af in lieflijke plekken
en dropt ons nu hier tussen de virussen
geperst in de onsterflijke
koolwaterstoftekens van  vlees en steen             
                        en papier

            envoi:
lezer, sta mij deze mijmering toe
om een oude dichter te zijn die droomt
dat ik de jonge dichteres ben
bij wie de oude dichter zonder schroom
steeds weer in mag gaan
om zijn woorden ligplaats
te laten krijgen


                        ***


elk een eigen lied:
elk een eigen gebied

elke mier heeft een eigen lied
geheugen is de rituele dans om een gebied
van geur te stelen en te beveiligen

net als ieder hier met kwijldraden
regels voor het onbekende onderzoek
met een tong van strofenzang omschrijft


                        ***


en waarover zal het hart blijven zingen?

zo lang zoek ik al
maar heb ik ooit echt gezocht?

naar de laatste lijnen
waar ik mij aan kan verhangen

waarmee een lus naar de dood mij zal vangen
om mijn ogen dicht te doen

en mijn ogen kan openen
om blind het licht te ontvangen?

dat is dan zo voor de hand liggend
in zijns-kronkels van pijn omlijnd met stilte

want wat is een boom nog
zonder de hond?

en wat is sneeuw
als die er niet was voor een hemel?

en wat zou de hand kunnen zijn
en wegen zonder beweging?


                        ***


nachtmetafoor, een banier

dit is hoe we zijn:
zozeer wij waarvandaan:
in nachtnesten onder de korst van de aarde
om met een aftreksel van bloed en roet
de overtocht naar het heel-al
uit te beelden
en op te tekenen
met droom de boot tegen de rotswand

het is altijd een over-, op- en oogsteek
om verblind te worden door het niets

een paar donkerten geleden is een avondstergodin
gevouwen in haar brandende trouwgewaad
opgehangen boven de stad die we hebben gebouwd --
wat wil het drijvende lijk ons wijs maken?

dat het uitspansel uit kolkende bladzijden vuurvliegjes bestaat
of de opwaaierende rook van de weerkaatsing van nacht
                                                           in het sterfpapier
waarmee wij onze havens van vergaan versieren?


                        ***


hand, jij die zich in herinneringen verkneukelt
om vergeefs te proberen een besef van ijdelwaan
in het verneukspul met je vingertoppen
onder de toegeeflijke mat van de lezer
te vegen
waar gedichten
zich vermeerderen:

maar wat als het virtuele vel papier
de oppervlakte van een sterrenveld beslaat
om door gaatjes als daarin gebrande ogen
licht te werpen op hoe daar gevlucht wordt voor het licht?

en wat als het zwarte roet
in jouw ondergrondse kerker zijn verwerking van sterven
oud en der nachten zat                        precies vertelt
over de  onvergeeflijke metafoor van verdwijnen?

vermetele hand,
ver-veel naar hartenlust
zoveel je kunt
de verbeelding:

ga niet weg ...
wees blij

                        ***


woordvlam
            (voor alle opgehokten)

dit sonnet
wil een flinterdun net spannen
om het vermoeden te vangen
dat Nicolaas Petrus Louw
die naar het stilterijk van de dood
uit moest wijken
stiekem zijn voldoening zal grommen
als hij te weten komt
dat hij nog steeds het handige gummetje is
al lijkt het niet zo
dat onze ouwevrijsters en andere verhaalverlaters
krom laat hurken voor het zingen
om voorzichtig de welles-nietes vurige woorden omcirkeld
aan het beven van het leven te wijden

(19 april 2020)


                        ***


(on)eenheid

in het omgaan van het aangaan van het leven
de schaduwen van staanverstaan verslaan
hier in de ik-plek van sterven


                        ***


de klautergeest

op zijn tachtigste klimt Andries Botha
tegen het steigerwerk op
tot op het dak van zijn huis
om de stormregenschade daar
ongedaan te maken
en de nok weer waterdicht te maken
het leven is een uitdaging
maar de vader weet
zo gaat het niet meer

en dacht:
waarom zou ik nu niet hoger klauteren
omhoog de hemel in
om tenslotte aan de grote baas daarboven
duidelijk uit te leggen
hoe een boer precies een plan kan smeden
om de onstuimigheden op deze aarde
te herstellen?