WIEL KUSTERS - VAN GOIRLE NAAR BREDA



Een hoorspel 
voor K. Schippers

Ik hoop dat dingen samen zullen komen.
– Ja, dat denk ik wel,  maar wat ik er ingewikkeld aan vind, is dat…
Waarom bewaar je ze?
– Nou, dan moet je lid worden van de groep.
Een ongestructureerd zootje ongeregeld, met weinig diepgang.
– Prima, af en toe zo’n kreet, af en toe een fluitconcert.
Dat heeft me zo geraakt.
– En het zou een argument kunnen zijn om het niet te doen.
Er werd ook gezegd dat het mietjes waren.
– Gelukkig. Nee, ja…
Tegenstrijdigheden in één klein gebied.
– Weet je het of weet je het niet?
Totaal weird. Iets wat ons als mensheid tot moleculen reduceert.
– Het haar, het hoofdhaar, het kapsel in de kunst…
Waardoor je een brok in je keel krijgt, waardoor je naar adem hapt, waardoor je
– [zwijgt]
Ik ben echt omringd geweest door liefhebbende sterke Rotterdamse vrouwen.
– Ja, daar is minder ophef over.
Hoe ver is Goirle van Breda?

_______________________
Dit hoorspel is het resultaat van tussen 4 en 22 februari 2016 dagelijks (beter: nachtelijks) gedurende enkele seconden willekeurig beluisterde radiofragmenten (NPO Radio 1).

MARIA DE GROOT - TOLEDO



Al vanaf 1995 herlees ik min of meer jaarlijks de gedichtenbundel Toledo van Maria de Groot (1937), en telkens ervaar ik de lectuur als een soort verademende herontdekking (of als een herontdekking van mijn adem). De gedichten zijn ware Andachtsbilder, in de meervoudige betekenis van dit Duitse woord: religieus-mystieke devotiebeelden alsook beeldende teksten van aandacht voor zowel het aardse bestaan als voor de taal waarin dit vervat kan worden of waardoorheen Andacht kan worden opgewekt.
        De poëzie van Maria de Groot is in mijn ogen bijzonder. Je zou kunnen zeggen dat ze tot de Rilkeaanse traditie behoort. Maar is dat wel een traditie? In Nederland in elk geval niet.
        Eerder zijn van Rainer Maria Rilke en Maria de Groot Les roses / De rozen in Het Moment opgenomen. Nu wordt hier de inhoud van de bundel Toledo, die, zoals dat gaat, al lang niet meer verkrijgbaar is, integraal en uiteraard met toestemming van de dichteres gepubliceerd.
            hb
________________________________________________ 

            voor Christianne Rose Méroz

            toledo

Onweersstad – van de steden enige
die haar ombere flambard met verve draagt,
donker en onweerstaanbaar. Scheherazade
die vertellingen schept uit Taag en regen,

laat mij je Moorse taal horen,
je hese gutturalen,
de alef sonoor die wenkt en waakt,
ploeger op rotsen van je verleden –

Toledo, overlevende. Onderwerelden
omvatten moet je, bekennen
van nacht tot nacht: er is geen vrede.

Zie mijn vinger waarop vlinderlicht
even verwijlen kan de monarch uit je tuinen
die teer is en trots, hand en naam.

***

            reis naar toledo

            1
Het wordt laat licht. Het is hier zuiden.
Zon aarzelt of houdt zich verborgen
geschrokken van de treingeluiden.

Wij razen over woeste gronden
alsof het leven wordt benomen
aan die zich niet verbergen konden.

Ontvang, Atocha, deze doden.


            2
Wanneer wij ons geen tweeling wisten,
dezelfde vrachten om te dragen,
hetzelfde brood en in het mistig

ochtendlicht dezelfde vragen,
waaraan zouden wij moed ontlenen
om ons in deze streek te wagen.

Ons wacht een land van louter stenen.


            3
Plaats van metalen kathedralen,
doorzichtig huis, verzonnen woning,
illusie om zijn tijd te halen –

ook wij reikhalzen naar de bode
die denderend entree komt maken.
Het wordt een metro tot Atocha.

Pluto. Plus tôt? Onder de aarde.


            4
Santa Teresa, bevrijd mijn hart.
Kap dit struikgewas van gedachten
en de nevels, blaas ze af.

Maak mij lichter nu wij verwacht
worden door de stad op de hoogte
waar wij eindelijk overnachten

en van zon zullen zijn: Toledo.


            5
Meisjes zingen in de trein. Feest
is het de bedompte schoollokalen
te mogen verlaten, op reis

door de heuvels waar de olijfgaarden
klimmen naar eenzame hoogten
waar zij niet, waar wij niet gereed om te waken –

Er rijdt naar Toledo een trein vol vogels.


            6
Aarde als zee golvend. Op je baren
dobberen wijnstokken, vloot onbehouwen
vaartuigen, knoestig, van adel.

Leeg zijn ze totdat de landsvrouwe
komt met emmers vol zon en de trossen dompelt
om ze in kolkende warmte te blauwen.

Aan de horizon daagt een leger van lossers.


            7
Metalen halte, zwier en groet
die de smidse zojuist heeft verlaten,
zegel van Toledo, glanzende moeder

die ons allang terugverwachtte in haar straten
en ons tegemoet komt met hoofse gebaren,
antieke sierselen in haar haren,

op uw tegels kan ik aarden.

***

            pelgrims

Wij struikelden tegen de rotsen op,
onze schoenen doordrenkt van vloeibaar ijs.
Op sandalen van een hardnekkige winter
hadden wij niet gedroomd te komen

hier, waar de liederen versteend,
de jachthorens gewreven zijn,
waar de ballingen sterven op hun ontvluchte drempels
en het kwaadschiks is dat wij gaan
om de kou die zich aangordt,
om de bode die ons herkent en kust.

***

            de komst van el greco

Kwam hij dansend of sleepte hij zich
tegen de rotsen op? Regende het?
Was er al donker in licht?
Ging hij alleen
of waren rond hem gedaanten als
nevels zichtbaar?

Fakkels brandden in de kist die hij droeg.
Dat is zeker. En ook
dat zijn vermoeide voeten
soms even loszweefden van de grond.

Om Toledo. Om het adelaarsnest.
Om het bad en gebed van de ogen.

***

FERNANDO PESSOA - ZEVEN GEDICHTEN



Uit het Portugees vertaald en ingeleid door Harrie Lemmens

Behalve zijn heteroniemen was Fernando Pessoa (1888-1935) ook zichzelf, maar net als in de huid van zijn alter ego’s droeg hij ook een masker wanneer hij onder zijn eigen naam schreef. Want Pessoa was, zoals hij Bernardo Soares in het Boek der rusteloosheid laat zeggen, een leeg, levend toneel waarop acteurs rondlopen die allemaal iets opvoeren. Fingir, ‘veinzen’, ‘doen alsof’ is dan ook het kernwoord van Pessoa’s poëzie. Doen alsof duidt op verstandelijkheid, op (zelf)beheersing: het hoofd heerst over het hart. Zelfs in de onstuimige gemoedsuitbarstingen van Àlvaro de Campos. Zelfs wanneer hij hunkering uitdrukt naar korte momenten zonder toekomst of lange uren van een voorgoed voorbij verleden. Wat niet belet dat uit sommige gedichten een ontroering spreekt die meer dan zogenaamd oprecht lijkt, bijvoorbeeld het lange, evocatieve ‘Un soir à Lima’: als de radio dit stuk voor piano van Félix Godefroid uitzendt, hoort hij zijn moeder weer spelen in Durban. Pessoa verloor zijn vader toen hij vijf was, en op zijn zevende hertrouwde zijn moeder en verhuisde het gezin naar Zuid-Afrika. Tien jaar lang, zijn hele schoolgaande leeftijd, zou hij daar blijven en op de klanken van een piano op de radio denkt hij terug aan die tijd.
 ___________
Noot van Het Moment: vanwege de lengte van het gedicht volgt de Portugese tekst van ‘Un soir à Lima’ na de vertaling.
***
Autopsicografia

O poeta é um fingidor.
Finge tão completamente
Que chega a fingir que é dor
A dor que deveras sente.

E os que lêem o que escreve,
Na dor lida sentem bem,
Não as duas que ele teve,
Mas só a que eles não têm.

E assim nas calhas da roda
Gira, a entreter a razão,
Esse comboio de corda
Que se chama o coração


Autopsychografie

De dichter doet alsof.
Hij doet dat zo compleet
Dat zelfs de pijn die hem echt trof
Door hemzelf verzonnen heet.

En zij die zijn gedicht dan lezen,
Zien in de gelezen pijn
Niet de echte en niet deze,
Maar een die nooit van hen zal zijn.

En zo draait op zijn spoor,
Dat ons hoofd ontspannen laat,
Die opwindtrein maar door,
Die als het hart bekendstaat.

***

Em tudo quanto olhei fiquei em parte

Tudo que cessa é morte, e a morte é nossa
Se é para nós que cessa. Aquele arbusto
Fenece, e vai com ele
Parte da minha vida.

Em tudo quanto olhei fiquei em parte.
Com tudo quanto vi, se passa, passo,
Nem distingue a memória
Do que vi do que fui.


In al wat ik bekeek zit ikzelf voor een deel

Al wat eindigt is dood, en ook onze dood
Als het eindigt voor ons. Die struik daar
Verwelkt, en met hem verdwijnt
Een deel van mijn leven.

In al wat ik bekeek zit ikzelf voor een deel.
Als wat ik gezien heb vergaat, verga ik,
En in mijn herinnering is
wat ik zag wat ik was.

***

Foi um Momento

Foi um momento
O em que pousaste
Sobre o meu braço,
Num movimento
Mais de cansaço
Que pensamento,
A tua mão
E a retiraste.
Senti ou não?

Não sei. Mas lembro
E sinto ainda
Qualquer memória
Fixa e corpórea
Onde pousaste
A mão que teve
Qualquer sentido
Incompreendido.
Mas tão de leve!...

Tudo isto é nada,
Mas numa estrada
Como é a vida
Há muita coisa Incompreendida...

Sei eu se quando
A tua mão
Senti pousando
‘Sobre o meu braço,
E um pouco, um pouco,
No coração,
Não houve um ritmo
Novo no espaço?
Como se tu,
Sem o querer,
Em mim tocasses
Para dizer
Qualquer mistério,
Súbito e etéreo,
Que nem soubesses
Que tinha ser.

Assim a brisa
Nos ramos diz
Sem o saber
Uma imprecisa
Coisa feliz.

JACQ VOGELAAR - STRATEGIE VAN DE DUBBELZINNIGHEID



In aansluiting op de herpublicatie van twee prozateksten van René Gysen (‘Verwarringen, regen, een hotelkamer’ en ‘Een Vlaams dorp Hangen’, beide afkomstig uit Processie all stars, 1964) volgt hier een beschouwing van Jacq Vogelaar over het werk van René Gysen.

Een eerste versie van deze beschouwing werd geschreven voor een speciaal Gysennummer van het tijdschrift Heibel (lente 1985). De hier gepubliceerde tekst van ‘Strategie van de dubbelzinnigheid’ is overgenomen uit J.F. Vogelaar, Meer speelruimte – terugschrijven 3 (Amsterdam 1998; p. 118-133).

Terwijl hij veel over het schrijverschap van René Gysen zegt, doet Vogelaar dat impliciet ook over dat van zichzelf. In die zin wil deze herpublicatie ook een kleine bijdrage zijn aan het onder de aandacht houden van het werk van Jacq Vogelaar (1944-2013).

Dank gaat uit naar de erfgenamen die toestemming gaven voor deze publicatie.


- HB
 Bij herlezing van René Gysen

Als ik het werk van René Gysen (1927-1969) nu lees, is dat een hernieuwde kennismaking. De laatste keer dat ik erin las, ligt alweer ettelijke jaren terug. Omdat ik van mening was dat Gysen wel degelijk thuishoorde in de bloemlezing Ander Proza (1978, samenstelling: Sybren Polet), bekeek ik zijn boeken vooral met het oog op zijn manier van schrijven - het was dus meer een peilen dan lezen. Mijn conclusie was dat er in Processie all stars en Op weg naar de literaire receptie teksten stonden die binnen de Nederlandse literatuur een uitzonderlijke plaats innamen; Een mond zonder alibi en Grillige Kathleen vond ik conventioneler, bovendien begon ik het in de Vlaamse literatuur veelvuldig voorkomende thema van het (geraffineerd-onschuldige) jonge meisje een beetje afgezaagd te vinden (zonder dat te kunnen funderen, associeerde ik het met een bedompt soort katholicisme).
         Voor het eerst las ik Gysen in de jaren 1963/64. Als ik me goed herinner kwam ik zijn naam voor het eerst tegen in het gestencilde blad bok, dat op mij - als student Nederlands - vooral indruk maakte door de uitgebreide en gedetailleerde analyses, zoals die van Omtrent Deedee door weverberg, een door zijn enthousiasme en weetgierigheid aanstekelijke manier van lezen die, op een wat wildere manier dan in Merlyn dat in dezelfde periode werd opgericht, bewees dat lezen voor het plezier analyse allerminst hoefde uit te sluiten. Door Gysen werd ik attent gemaakt op schrijvers-filosofen als Klossowski, Bataille, Blanchot. Bovendien werd door toedoen van Gysen de naam Sade voor mij iets anders dan een op onveilig staand signaal. Kortom, Gysen is een van die figuren geweest die mij in aanraking hebben gebracht met vreemde culturen, andere denkwerelden. Tot zover mijn verlate hommage aan Gysen. Maar je moet er wel op het juiste moment gevoelig voor zijn; immers, namen en thema's maken alleen indruk als je ergens op uit bent.

Als ik mij nu afvraag waaraan Gysen bij mij indertijd heeft geappelleerd, kan ik daar alleen bij benadering iets over zeggen. Wat toen de aantrekkingskracht van het nieuwe en onbekende was, kan ik nu zien als een tegelijk literaire en biografische impuls: de kennismaking met het perverse (dat ik in de Nederlandse literatuur nooit was tegengekomen en waarvan ik vroeger hooguit een vaag vermoeden heb gehad, bij het lezen van verboden lectuur, inderdaad meer lectuur dan literatuur). Alles wat met het katholieke geloof en (klein)burgerlijkheid te maken had, wees ik hartstochtelijk af (om vervolgens vast te stellen, hoezeer het zich tot in mijn ingewanden had afgezet). Gysen en de zojuist genoemde door hem bewonderde auteurs bedreven een spel met zaken die ik verafschuwde – wat een vrijheid; aan dezelfde vormen die mij alleen als beknellend en verstikkend voorkwamen, ontleenden zij scènes voor oneerbare en onvertogen gedachtenspelen. Daartoe bood de literatuur dus kennelijk ook (volop) gelegenheid. Dat sloot wonderwel aan bij de ervaring van een aankomend schrijver, voor wie schrijven eerst en vooral een daad van bevrijding en literatuur een vrijplaats was. Zoals vele anderen leerde ik al vroeg het genot van de eigen wereld van de verbeelding kennen, waarin de beperkingen van het alledaagse tijdelijk waren opgeheven; maar dat schrijvers met diezelfde beperkingen een oneerbiedig en genoeglijk spel speelden was nieuw voor me. Dat spel had duidelijk niets te maken met de antiburgerlijkheid van een Hermans of Van het Reve. Later zag ik ook wel de eenzijdigheid van Klossowski en Bataille; in hun hyperkatholicisme bleven ze nauw verbonden met conventie, norm en taboe. De fascinatie door het ritueel vond ik terug bij Robbe-Grillet en Gombrowicz, die esthetisch meer te bieden hadden.
         Over de invloed van een literair werk valt nauwelijks iets zinnigs te zeggen – een meting wordt algauw een reductie tot het meetbare. En wat valt er eigenlijk te meten wanneer je een tekst tot je neemt, je je die toe-eigent (ja, wat eigen je je dan toe? – niet die tekst, maar iets nieuws dat tijdens de lectuur tot stand komt door de verbinding van iets in de tekst en iets in de lezer) en daarna vermengt met andere ervaringen, en daarmee bedoel ik meer dan alleen leeservaringen. Maar van hoeveel (toevallige) factoren is de coïncidentie van tekst en lezer afhankelijk? Het minste wat je kunt zeggen is dat je gedisponeerd bent geweest voor de verleidingskunsten van een roman, een verhaal of gedicht, dat is dan ook alles, al heeft deze ontvankelijkheid evenveel met intellectuele nieuwsgierigheid als met leeservaring en literaire conjunctuur (die onder meer bepaalt wat er aan literair beschikbaar is) te maken. Deze samenloop van omstandigheden in de lectuur geeft trouwens nog iets anders te bedenken. Hoe vaak is een oordeel over een auteur of oeuvre niet gebaseerd op een oordeel dat vele jaren geleden gevormd en nadien nooit meer gecontroleerd, laat staan herzien is? Dat kan de merkwaardige situatie opleveren dat iemand van veertig (positief of negatief) over een auteur oordeelt op grond van een leeservaring die hij als zeventienjarige heeft opgedaan – ik zou wel eens willen weten hoeveel uitspraken over literatuur (zelfs door zogenaamde beroepslezers, en vlak leraren Nederlands niet uit) op vroegere of tweedehands oordelen zijn gebaseerd. Het is dan ook met enige huiver dat ik het werk van Gysen ben gaan lezen voor deze gelegenheid (een nummer van het Vlaamse tijdschrift Heibel, lente 1985, met als thema ‘René Gysen, gelezen niet gelezen herlezen’). Ik vreesde dat mijn leesherinnering leeftijdgebonden zou blijken en dat ik zijn schrijfwijze, die twintig jaar geleden tamelijk onconventioneel was geweest, nu gedateerd zou vinden (al moet ik er onmiddellijk bij zeggen – ook daaruit blijkt een verschil in literair klimaat – dat ik toentertijd noch als lezer noch als schrijver veel met dat verschil tussen conventie en afwijking te stellen had: een ware lezer was geïnteresseerd in nieuwe literatuur, van welke snit dan ook).
         Voordat ik iets over mijn bevindingen meedeel, wil ik eerst nog een verwarrende constatering bij mijn lectuur vermelden. Toen ik destijds Gysen las, ging het om het werk van een betrekkelijk jonge schrijver (Gysen is van 1927); elk boek had een open einde, omdat er nog van alles kon volgen. Nu lees ik het werk van iemand die er al lang niet meer is (hij overleed in 1969). De scheiding tussen dode en levende literatuur was voor mij toen nog een duidelijke zaak, nu de tijd zelf in mijn lectuur is binnengeslopen, is daardoor een verschuivend tussengebied ontslaan. Een verschil is bij voorbeeld dat je het werk van de ene schrijver mondjesmaat tot je neemt, zoals het geschreven is, met tussenpozen (zo heb ik het werk van Thomas Bernhard gevolgd, dat van Beckett vanaf halverwege), en de andere in één keer, in elk geval elk boek als deel van een afgesloten werk (dat geldt voor Kafka, Joyce, Faulkner). Het zou interessant zijn de effecten van dat verschil in mijn globale oordeel over bepaalde auteurs na te gaan.
         Mijn herinnering betrof het werk van een schrijver met toekomst, daaroverheen lees ik anno 1985 een afgesloten (afgebroken want allerminst afgerond) werk. Voor een deel is het werk dat ik vroeger gelezen heb me nu vreemd; tegelijkertijd stel ik vast dat ik het voor een ander deel nu pas kan lezen – en voor dát deel kan ik mij helaas met geen mogelijkheid voor de geest halen wát ik vroeger dan wel gelezen heb (nog een aardig onderwerp voor een lezersbiografie). Zoals ik inmiddels boeken benader, ben ik veel minder bereid me eraan over te geven (iets dat ik tegelijk als winst en als verlies ervaar), en juist deze distantie blijkt goed te passen bij het werk van Gysen. Nee, het is niet gedateerd, zoals ik vreesde; hoe tijdgebonden sommige thema’s, begrippen, inhoudelijke en schriftuurlijke elementen ook zijn (hoe zou het ook anders kunnen, het existentialisme was immers aan de orde van de dag), de teksten bezitten niettemin een intensiteit en gaafheid die mij ook nu (weer) bevallen. Hoeveel van de literatuur die ik toen verslonden heb, is daarentegen verbleekt tot een nauwelijks herkenbare schim. De intensiteit is, naar ik vermoed, het effect van de geraffineerd uitgespeelde spanningsverhouding tussen het hermetische aspect en de openheid van het werk, tussen het herkenbare en eigenzinnig vreemde, tussen het verhalende en fragmentarische, tussen de kitsch en de mystiek – of, om op het vervolg vooruit te lopen, van de intrinsieke dubbelzinnigheid.

In een oud nummer van Gard Sivik maakt Gysen een balans op van het blad en hij wijst enerzijds op de voortzetting van een ontwikkeling, doordat de poëzie in het blad op de weg die door de Vijftigers en enkele dichters van Tijd en Mens was ingeslagen voortging, anderzijds op een breuk met de humanitaire instelling, zoals hij het ietwat misleidend formuleert. ‘Overal in de wereld duiken dezelfde gedachten op. (...) Het temperament van onze generatie is bovendien zo dat het de menselijkheid zelf in twijfel trekt. Ze vermoedt nl. dat deze wezenlijk in strijd met zichzelf is.’ (Gard Sivik nr. 8, 1957) Met ingang van hetzelfde nummer werden de Nederlanders Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager in de redactie opgenomen; later zouden daar Piet Calis en Hans Verhagen bijkomen. Met die gedachte van een (wereldwijde) nieuwe generatie is het in Gard Sivik vervolgens raar gelopen. De eerzucht van de Nederlanders was aanzienlijk groter dan hun talent en productiviteit. In 1964 werd met veel bombarie ‘een nieuwe datum in de poëzie’ afgekondigd in een geforceerde poging de Vijftigers door een nieuwe generatie dichters (‘De Nieuwe Stijl’) af te lossen (wat Piet Calis later in een schoolboek zelfs tot feit wist te verheffen). Gard Sivik werd praktisch door de reclame-dichters overgenomen, driekwart van de nummers bestond uit persstemmen en zelfbevestigende kreten, het resterende gedeelte werd gevuld met versjes van de redacteuren en hun vrienden. Het is volstrekt onduidelijk wat René Gysen in dat gezelschap te zoeken had. Zonder meer gênant is de plaatsing van een groot essay van hem over Pierre Klossowski in nummer 32 te midden van ongein, verbale krachtpatserij en minipoëzie. De gêne wordt er niet minder op wanneer men bedenkt dat er na de dood van Gysen niet één van deze vroegere collega’s de moeite heeft genomen ook maar één regel over hem of zijn werk te schrijven, zo druk hadden ze het kennelijk met hun eigen carrière. Maar dit terzijde.
 
Al had Gysen maar één verhaal geschreven – ik bedoel ‘Een Vlaams Dorp Hangen’ – dan was hij met die geconcentreerde, groteske tekst nog een van de betere prozaschrijvers van die tijd geweest. Het maakte indertijd zoveel indruk op mij dat Gysen daarna in mijn herinnering zowat met dat verhaal samenviel; ook bij herlezing is het voor mij de meest complete tekst (je zou wensen dat alsnog iemand het zou wagen naar analogie van dat verhaal een film over de provincie te maken). Ook andere voorkeuren blijken te beklijven: Processie all stars (I964, met daarin het zojuist genoemde verhaal) en het postume Op weg naar de literaire receptie (I969).
         In Processie all stars lees ik ‘Dagboek voor de waanzin’ nu als een program dat dicht bij het meer filosofisch ingestelde grote essay over Klossowski aansluit en zijn vervolg gevonden heeft in de teksten van de bundel Op weg naar de literaire receptie. Zonder meer knap vind ik in Processie all stars de satire ‘Herinneringen van een jonge kerkvorst’ met zijn ‘protestantse’ beeldenstorm op de katholieke retoriek. In het pandemonium waarop dit vierluik, dat de tweede helft van het boek beslaat, uitloopt, wordt de slagzin ‘de mens verlaat de aarde’ literaire werkelijkheid. Met die astronautische zin eindigt de titeltekst ‘Processie all stars’, waarin drie, typografisch onderscheiden, sequenties elkaar fugatisch afwisselen en onderbreken, een hallucinerende of droomachtige scène; met die zin eindigde ook een gelijknamig verhaal uit de eerste helft van het boek, ‘De wrede wereld’, waar vrij realistisch de ceremoniële uitvaart en teraardebestelling van een oude vrouw beschreven wordt – werkelijk obsceen zoals de Dood het vrouwelijke uit de wereld helpt. Als er één verbinding tussen eerste en tweede deel gezocht moet worden, dan wel in de verhouding tussen het realisme van de verhalen in ‘De wrede wereld’ en het paroxisme in ‘herinneringen van een jonge kerkvorst’. Die verhouding bestaat, denk ik, uit een verheviging van herkenbare elementen uit het eerste deel in associatieve aaneenrijgingen in het tweede deel. Zonder die vergelijking blijven de laatste teksten met hun snelle associatieve wendingen en droomachtige nevenschikkingen betekenisloos, en wel door een teveel aan betekenissen, zoals dat ook met vertelde dromen doorgaans het geval is. Maar binnen de structuur van het boek in z’n geheel, gezien als een explosie van het realisme (‘de mens verlaat de aarde’ d.w.z. de wrede wereld), moet de betekenis ergens anders gezocht worden, niet zozeer op het semantische vlak alswel in de beweging (het ritme) van de tekst.

GUY CABANEL - VOOR DE WOLF IS EEN WOLF EEN MENS


Automatisch gedicht,
met een tekening van Robert Lagarde
 

De polsslag van handappels is rood als een hoen dat juist een driedubbele dooier heeft gelegd, verborgen in de omhulling van een foetus, geringd door het afgeschermde licht van verre werelden.

            De kolos met grijsblauw geblokte kuiten liep over de drempel en leek van plan een heilzame angst voor hem in het bewustzijn van de mensen te zaaien die zelfs zijn naam niet durven te fluisteren.

            Over het zwijgende veld, gladde slang, glijd je voort door het hoge gras, om de samenspraak van nachtvogels af te luisteren, en om in de keerzijde van de paden de wolvensporen op te snuiven.

            Maar de maanvlekken pakken je rug in met onheilspellende schijnsels, waarover de boorzure zeboes als hartkloppingen rondrennen en met grote snelheid worden geboren door het simpele spel van je sombere passies; de weerschijn daarvan laadt je gezicht op met mist die in brand staat, zoals gebeurt in de uitgestrektheid van de lucht.

            Gelukkig komt een zilveren oogwurm je blik bedekken, waardoor die soms de mildheid van een vluchtstrook krijgt.

            Je aarzelt dus niet, jij meester-verleider, om oren en ogen te betoveren met je orgelstrelingen, die kunnen wijzen op de meest onttakelde ziekten in de holten van pappig vlees dat je magnetische oog in slaap brengt, op het ogenblik dat je alcoholsnuit de werking van de betovering begon te breken, waartoe het ruwe vuur van je gevoelens door jou was gedwongen, gevoelens die niet zo geneigd zijn om hun geduld te bewaren wanneer je, heel dichtbij, de weelderige waanzin van liefde voelt.

                        ***

De weke krop van de lucht begint te blaten en de overslaande ademtocht die uit de diepte van de stemspleet stroomt ontluikt in de bruine ruimte die over de velden scheert en die zijn jammerlijke boodschap draagt tot in de verre valleien, loodzwaar van dreigende betekenis, dan wel met hoop geladen, al naar gelang het oor dat over haar verneemt.

            De herders van het bergland zullen de opstand van de schapen niet kunnen onderdrukken; de wormen zullen zelfs de levenden verslinden; het daglicht zal nooit meer schijnen op aarde.

            Als buik en hoofd hun harmonie verbreken, leveren zij een verbeten gevecht met elkaar, terwijl ze beiden worden verstikt door de woekering van een alkalinoïde vegetatie die afkomstig is van de dieper gelegen landen, en die erop gericht is om de uitroeiing van het aardoppervlak aan te vatten en teweeg te brengen, zodat daaruit geen grasje meer zal ontspruiten.

            Het tijdperk van de kelderreuzen is aangebroken.

            De zwarte smeden hebben het ijzer gesmeed, en de regeringen hebben aan hun daden alle steun verleend.

            De immense stoet is gaan wankelen met één grote schreeuw, die slechts zal wegsterven samen met de rede die haar liet aanzwellen; en de zware mars van de massa’s, die het onvermijdelijke gebruikt om iets te doen en tot uitdrukking te brengen, zal pas tot staan komen op het moment dat er geen oor meer zal zijn om het te horen.

            De betekenis van de slechte boodschap die van de valleien naar de velden klinkt, scheert de bruine, bittere ruimte kaal, die vanuit de diepte van de stemspleet met een overslaande ademtocht ontluikt.

                        ***

De golfslag is de bolling van email op de neuzen van de luchtschepen, die door de dikte van het Duister heen vliegen op de ogenblikken dat er veel activiteit is.

            De bleke roerganger, de enige stuurman van de immense vaartuigen, bestuurt de vloot volgens de ritmen der planeten, en onthoudt zich er soms van te landen gedurende een aantal jaren.

            Het navigeren midden in de zwarte materie is een kunst die slechts verklaard kan worden met behulp van het zintuig waarin de zetel zich bevindt achter het vlak tussen de ogen; alleen door dat zintuig kan men de piraten met hun zeegroene lippen en de grauwe grotbeesten die loeren op een prooi ontwijken, en vooral de wijdvertakte grijpwortels, een levend gordijn van heen en weer golvende vormen met een ijzige beweging, een droefgeestig houtvlot van klamme wind en vurig plaveisel van de rode verleiding van sirenen en van oriëntaalse paleizen, waarvan de schildering van meren Samarkand weerspiegelt, die koningin met haar blonde terrassen.

            Vaak gebeurt het in bepaalde overgevoelige gebieden, dat het zwart vervloeit en vastplakt aan het emailwerk van de neuzen.
            Dat is trouwens het veel gezochte doel van de stuurlieden, die sterven om terstond weer te worden herboren, één geworden met de materie van het zwart, schipbreukeling geworden door absorptie, vanaf dat moment deelnemend aan de weidse innerlijke bewegingen, zelfs aan de volle existentie van de piraten met hun grauwe lippen, de zeegroene beesten van de houtvlotten, van de klamme wortels van de grotten met hun droefgeestige bewegingen, en de meren van Trebisonda, atomen die samen het weefsel vormen van de vitale stoffen van het katachtige Duister.


                        ***

Rijstekorrelhout gevoed met boslippenstift, in je roofvogelkeel lijkt het wel of je stem de klank heeft aangenomen van een omgeworpen ster, waarvan de omvang en de snelheid langs zijn baan afhankelijk zijn van de kracht van de uitgeblazen adem, en die als een kogel terugschiet wanneer het gigantische koor verstomt, en zijn zangers dreigt te verpletteren door een onmiddellijke condensatie, of in sommige gevallen door een geëigende oxidatie.

            Vanaf je voetstuk zou je het bloedbad kunnen verbieden dat de uitputting van de acteurs met strobloemen zou bekronen, maar je houdt teveel van de geur van de dood om maar één vinger uit te steken naar de ongeluksvogels.

            Met een precies en behoedzaam gebaar fixeer je het vierkant van je gezicht, en verstard in de onbewogenheid der tijdeloze meesters geniet je innerlijk van het offer dat men je met veel meer ontzag aanbiedt, terwijl jij je nog dover toont voor alle smeekbeden.

            Als een vergankelijk standbeeld glijd je weg in je gelukkige dromen, gewiegd in de hangmat, door de allerzachtste handen geknoopt van slangenleer, die de metalige delen van je lichaam polijst en zalft met het melkige sap van trouwe sievereinen.

            Daarna sla je je ogen op naar de vlakte: je kunt zien dat er een vijver op de plaats van de aarde is gekomen; slechts een immense zwarte kring ligt nog voor je voeten.
            Een glimlach rimpelt je zeegroene voorhoofd, en dan zink je weg in het Duister.

Vertaling uit het Frans: Laurens Vancrevel 


Over dit gedicht
‘Voor de wolf is een wolf een mens’ is een van de zeven-en-twintig experimenten in automatisch schrijven, die tezamen het fantastische bestiarium À l’animal noir (‘Het zwarte beest’) vormen, waarmee Guy Cabanel (Béziers, 1926) in 1958 debuteerde. De surrealistische dichter André Breton schreef Cabanel daarover onder meer: ‘De taal zoals u die gebruikt is een taal waarvoor ik voorgoed mijn oren gespitst zal houden. Het is precies de taal waarvan ik altijd verwacht heb dat die een nieuwe uitwisseling tussen mensen mogelijk zou maken, een taal die werkelijk onbetaalbaar is en schitterend.’ Cabanel, die tal van dichtbundels en werken van poëtisch proza op zijn naam heeft staan, geldt als één van de voornaamste surrealistische dichters van deze tijd.
                Robert Lagarde (1928-1997) heeft volgens kenners de automatische tekenkunst tot een zeldzame hoogte van virtuositeit gevoerd. (L.V.)