MARTIN ROMAN DEPPNER - HET SPOOR VAN DE ANDER IN HET WERK VAN R.B. KITAJ



Intersectie, zelfbeperking, differentie en deconstructie in de context van beeldesthetiek en Talmoedlectuur

I
Vanaf de jaren zeventig heeft R.B. Kitaj met talrijke tekeningen en schilderijen, alsook met begeleidende commentaren, vraaggesprekken en artikelen, plus de boekuitgave van het Eerste diasporistische manifest, een vorm van joodse identiteit in het kunstdiscours geïntroduceerd, die zowel accenten van herinnering als van vernieuwing in de hedendaagse kunst probeert aan te brengen.[1] Het feit dat talrijke vrouwelijke en mannelijke kunstenaars van joodse afkomst de kunst na 1945 sterk mee hebben beïnvloed, bracht de Amerikaan Kitaj[2], die tot juli 1997 in Londen woonde, ertoe om in dat kader een herziening van de joodse culturele en historische identiteit in te brengen in de discussie over de perspectieven van een kunst die worstelde met de uitkomsten van het modernisme. Zoals eerder bij Barnett Newman gaat het om de focus op specifiek joodse denksporen, maar ze leiden tot een ander resultaat, zonder de aansluiting met Newmans boodschap helemaal kwijt te raken.
            In Kitajs proces van zelfontdekking als joodse kunstenaar staat niet allereerst de vraag centraal naar het ontwikkelen van een kunst die Auschwitz in herinnering houdt, en daarmee de immanente aanspraak van kunst op bestendigheid en het levend houden van dat herinneringsspoor – hoewel dit juist het aspect is dat zulke verschillend argumenterende kunstenaars verbindt als Richard Serra, Georg Segal, Marie Jo Lafontaine, Frank Auerbach, Christian Boltanski, Sol LeWitt, om er maar enkelen te noemen.[3]  Waar het bij de zich voor de joodse identiteit in de kunst inzettende Kitaj om draait, is het gegeven dat zijn kunst net als die van andere joodse kunstenaars, zich in de eerste plaats wezenlijk heeft ontwikkeld in een occidentale, c.q. niet-joodse omgeving, en dat ze in de tweede plaats niettemin met bepaalde, nu eens opmerkelijke, dan weer amper in het oog springende aspecten afwijkt van standaard paradigma’s van occidentale aard, terwijl ze, ten derde, vernieuwende kracht puurt uit juist dit spanningsveld. Kortom, voor hem gaat het om identiteit die zich ontwikkelt in de dialoog met de Ander, waarmee hier vooralsnog de andere cultuur wordt bedoeld.
            Voorts kan dit allemaal worden gezien als reflectie van de beweging van de ‘Renouveau Juif’, een uit Parijs komende denkdimensie, die met name beïnvloed is door de Talmoedkenner en fenomenoloog Emmanuel Levinas, en die bijvoorbeeld in Frankrijk leidde tot distantiëring van Jean-Paul Sartre’s opvatting van de ‘Jood als antisemitische projectie’.[4]
            De ontdekking en thematisering van de eigen joodse identiteit in denken en handelen, levert in de context van deze en andere impulsen – zoals de hernieuwde lectuur van Walter Benjamin – ook in de kunst bewegingsaanzetten op die uit diverse bronnen putten. De theorie van het deconstructivisme, die Jacques Derrida onder meer in dialoog met Emmanuel Levinas ontwikkelde, behoort daar net zo toe als het besef van een door gelaagdheden gekenmerkt diasporabestaan.[5]

II
Kitajs If Not, Not is een voorbeeld van die reflectie over joodse identiteit in de context van de Europese kunst en de internationale receptie van het modernisme. Het zal blijken dat tevens het discours meespeelt dat als postmodern wordt aangeduid, zonder dat het werk daarin opgaat. Het ongeveer anderhalve bij anderhalve meter metende schilderij van de National Gallery in Edinburg werd geschilderd tussen 1975 en 1977. Dat is in de periode die in Frankrijk de opmaat vormde voor de ‘Renouveau Juif’, en die ook elders, zoals in Londen, soortelijke processen en bespiegelingen over vernieuwing in gang zette.
            Op het eerste oog is If Not, Not een landschapsschilderij dat met zijn hoge horizon een panoramisch overzicht biedt van eerdere kunstopvattingen. Daarentegen horen de kleurstellingen thuis bij die van afbeeldingen in hedendaagse glossy’s. Op sommige plaatsen doet de verfopbreng denken aan nepfluweel en heeft ze iets weg van modern designontwerp. Er is een scherp contrast tussen matte en felle kleuren. Kleurnevels en kleurhelderheid wisselen elkaar af; amorfe vlokken van kleur en duidelijk afgebakende voorstellingsdetails ‘ontmoeten’ elkaar.
Bovendien wekt If Not, Not de indruk van het ‘verschrikkelijk’ mooie filmscenario van een inferno, waarbij de montage van de verschrikkingen in het kleurenlicht vervloeien in de lokroep van het avontuur. ‘Bekroond’ door een torengebouw, sluit het schilderij onderaan af met mensen die zijn gestrand. Het torengebouw is de geciteerde afbeelding van de toren boven de hoofdpoort van Auschwitz. Als een hellepoort lijkt die te hebben uitgebraakt wat ooit voor menselijke cultuur doorging. Maar in een bij If Not, Not geschreven commentaar schrijft Kitaj: ‘Het algehele beeld van het schilderij is geïnspireerd door mijn eerste blik op Giorgione's Tempesta toen ik in Venetië was, en de kleine poel in het hart van mijn doek doet daar nog aan denken.’[6]
 Met Giorgione’s Tempesta uit 1506-08 gebruikt Kitaj een intiem natuurtafereel waarin

W.B. YEATS - DRIE GEDICHTEN

Yeatsgedenksteen op zijn voormalige begraafplaats in Roquebrune-Cap-Martin



Vertaald door Paul Claes

De Ierse protestant W.B. Yeats, geboren in 1865, studeert kunstgeschiedenis in Londen en besluit zijn leven aan de literatuur te wijden. Voor zijn toneel en poëzie put hij uit de Keltische erfenis. Later verliest hij zich in astrologie en theosofie. Zijn verzen munten uit door muzikaliteit en spankracht. In 1923 krijgt hij de Nobelprijs. Hij sterft in 1939 in het Zuid-Franse Cap Martin, maar zijn lichaam rust bij Sligo, onder de Ben Bulben.


the four ages of man

He with body waged a fight,
But body won; it walks upright.

Then he struggled with the heart;
Innocence and peace depart.

Then he struggled with the mind;
His proud heart he left behind.

Now his wars on God begin;
At stroke of midnight God shall win.


de vier levenstijdperken

Hij wilde met het lichaam vechten,
Het won en kan de rug nu rechten.

Toen heeft hij met zijn hart gestreden;
Weg was de onschuld en de vrede.

Hij trok tegen zijn geest ten strijde;
Zijn trotse hart stond hem terzijde.

Nu gaat de kamp met God beginnen:
Om middernacht zal God hem winnen.

***

the second coming

Turning and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things falls apart; the centre cannot hold;
Mere anarchy is loosed upon the world,
The blood-dimmed tide is loosed, and everywhere
The ceremony of innocence is drowned;
The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.

Surely some revelation is at hand;
Surely the Second Coming is at hand.
The Second Coming! Hardly are those words out
When a vast image out of Spiritus Mundi
Troubles my sight: somewhere in sands of the desert
A shape with lion body and the head of a man,
A gaze blank and pitiless as the sun,
Is moving its slow thighs, while all about it
Reel shadows of the indignant desert birds.
The darkness drops again; but now I know
That twenty centuries of stony sleep
Were vexed to nightmare by a rocking cradle,
And what rough beast, its hour come round at last,
Slouches towards Bethlehem to be born?


de wederkomst

Draaiend in de steeds wijdere spiraal
Hoort deze valk de valkenier niet meer;
Alles valt uit elkaar; de kern begeeft het;
Wanorde barst over de wereld los,
Een bloeddonkere stormvloed overspoelt
Alom de ceremonie van de onschuld;
De besten missen elk geloof, de slechtsten
Zijn met hartstochtelijke kracht bezield.

Jawel, een openbaring is in aantocht;
Jawel, de Wederkomst is nu in aantocht.
De Wederkomst! Het woord is pas gevallen
Of een immens beeld uit de Wereldgeest  
Verwart mijn blik: door het woestijnzand waart
Een gestalte met leeuwenlijf en manshoofd
Die onmeedogend starend als de zon
Zijn dijen traag beweegt, terwijl rondom
Gedaanten van verstoorde vogels warrelen.
Weer valt de duisternis, maar ik weet nu
Dat twintig eeuwen van versteende slaap
Gewiegd ontaard zijn tot een nachtmerrie.
Welk woest beest, dat zijn uur gekomen weet,
Sleept zich naar Bethlehem voor zijn geboorte? 

***

the scholars

Bald heads forgetful of their sins,
Old, learned, respectable bald heads
Edit and annotate the lines
That young men, tossing on their beds,
Rhymed out in love’s despair
To flatter beauty’s ignorant ear.

All shuffle there; all cough in ink;
All wear the carpet with their shoes;
All think what other people think;
All know the man their neighbor knows.
Lord, what would they say
Did their Catullus walk that way?


de filologen

Kaalkoppen, hooggeleerde heren,
Die hun jeugdzonden zijn vergeten,
Bezorgen en analyseren
Verzen die slapeloze poëten
Hebben berijmd in pril verdriet
Omdat hun lief hen zitten liet.

Ze kuchen allemaal in inkt,
Ze sloffen tot het vloerkleed slijt,
Ze denken wat hun buurman denkt,
Ze zien de man die een ander ziet.
O Heer, wat ging er door hen heen
Als hun Catullus plots verscheen?

Yeats' graf bij Sligo

LONI LUCATONI-WOLF - ANNOTATIES BIJ 'NIETSDANKUSSEN'




De auteur die me, alweer te veel jaren geleden, redactioneel met raad en daad terzijde stond tijdens het schrijven van mijn roman die, mede dankzij hem, in 2009 onder de titel Oorlogskind mocht verschijnen, overhandigde me bij zijn recente bezoek hier in Ticino een qua omvang bescheiden boek met de woorden: ‘Benieuwd naar wat je ervan, maar ook erin vindt.’

            Over het vinden in de betekenis van oordelen wil ik het hier niet hebben, wel over dat in de betekenis van aantreffen. Ik meende gaandeweg zowel zijn eigen werk als zijn literaire voorkeuren goed genoeg te hebben leren kennen, om zijn opmerking als uitdaging aan te durven nemen. En als een welkome bezigheid in mijn meestal vrij eenzame dagen.

            Bij mijn speurwerk bleek de novelle Nietsdankussen van Cinthia Winter allereerst een soort tegenhanger of -hangster te zijn van een grote internationaal bekende, roemruchte roman, zowel qua omvang als vertelstandpunt, maar ook, en niet in de laatste plaats, wat betreft een al dan niet happy ending. Al gauw werd me echter duidelijk dat een andere, juist nauwelijks of niet bekende roman, als het ware daar overheen, een wellicht nog belangrijkere invloed op deze novelle moet hebben gehad. Ik zat naar buiten te staren, peinzend over hoe ik de verhouding van deze novelle tot die roman zou kunnen omschrijven, toen ik de wassende maan boven Lugano zag opkomen en dacht te weten dat die mogelijkerwijs ooit min of meer uit de aarde was ontstaan – en de woorden ‘satelliet’ en ‘trawant’ schoten me te binnen.

            Vanzelfsprekend zijn er de nodige verschillen tussen die roman en de novelle, die maar liefst zo’n zesendertig jaar later is verschenen. Niet alleen in stilistisch opzicht. Zo speelt de breuk tussen de de mannelijke verteller en diens vrouwelijke partner, die in de roman veel aandacht krijgt, in de novelle zo goed als geen rol. Maar zoals het me hier niet te doen is om een stilistisch kritische beoordeling, gaat het me ook niet om een inhoudelijke interpretatie. Die laat ik graag aan de individuele lezer over. Wel wil ik die lezer middels deze annotaties wat meer wegwijs maken binnen zijn of haar lectuur van Nietsdankussen. Niet omdat de novelle anders ontoegankelijk zou zijn – verre van dat, ze is zonder meer als zelfstandige uitgave te lezen –, maar omdat de extra informatie de lectuur nog kan intensiveren en meer over de ‘bedoeling’ of de ‘rol’ van deze ‘trawant’ aan het licht zou kunnen brengen.

            Ik wil er nog op wijzen dat ik allerminst pretendeer met deze annotaties volledig te zijn. Anderzijds heb ik geprobeerd te vermijden al te speculatief te werk te gaan. Zo zou ik hebben kunnen opmerken dat de romantitel en de novelletitel niet alleen met dezelfde letter beginnen, maar evenveel lettergrepen en zelfs evenveel letters tellen, te weten 14. De suggestie die daarvan zou kunnen uitgaan lijkt echter te zeer gebaseerd op mogelijk toeval. Zoals het getal 18 van het standafgangnummer naar standpaviljoen Thalassa in Zandvoort eerst en vooral een feitelijkheid is.



Monteforca, mei 2016


– de annotaties –


05/1 op het restant van een muurtje – De hier beschreven scène komt sterk overeen met, maar is ook, qua chronologie en personages, precies tegenovergesteld aan die in Vladimir Nabokov, Lolita (1955), waar Humbert Humbert vertelt over zijn korte maar hevige verliefdheid in de zomervakantie van 1923 als jongen van dertien op de ongeveer even oude Annabel Leigh aan de Franse Rivièra.
            De naam van deze Annabel Leigh is overigens weer een zinspeling op de Annabel Lee van het gelijknamige gedicht van Edgar Allan Poe uit 1849, met deze openingsregels: ‘It was many and many a year ago, / In a kingdom by the sea, / That a maiden there lived whom you may know / By the name of Annabel Lee; – / And this maiden she lived with no other thought / Than to love and be loved by me. // She was a child and I was a child, / In this kingdom by the sea, / But we loved with a love that was more than love –.
            In Nietsdankussen gaat het echter niet om een jeugdherinnering maar om toekomstwens, en is niet de mannelijke maar de vrouwelijke partij aan het woord.
            Lolita, deel 1, hoofdstuk 4: ‘In een mimosabosje (…) vonden we een plek waar we konden zitten, bovenop een vervallen lage stenen muur. (…) Een sterrengroep straalde bleekjes boven ons, tussen de contouren van lange, doorzichtige bladeren. De trillende lucht scheen even naakt te zijn als zij was onder haar dunne jurk. Ik zag haar gezicht in de hemel, vreemd veraf, alsof het een eigen glans uitstraalde. (…) en toen mijn hand had gevonden wat zij zocht kwam er een dromerige en angstige uitdrukking, half genot, half pijn, over die kinderlijke gelaatstrekken. (…) Zij klemde mijn pols tussen haar naakte knieën om daarna weer te ontspannen. (…) Een plotselinge beweging in een nabij bosje voorkwam dat het sap van mijn hartstocht de vrije loop nam (…).’
            Geciteerd naar de eerste Nederlandse vertaling van M. Coutinho, 1958.
            In Nietsdankussen wordt hier en daar het origineel letterlijker genomen, zoals in het geval van ‘a nervous and slender-leaved mimosa grove’: de mimosa heeft zeer gevoelige bladeren die zich bijvoorbeeld bij aanraking dichtvouwen (seismonastie).
            Overigens zag Humbert Humbert zijn Annabel nooit terug; ze stierf aan tyfus op Korfoe.

06/1 Hooguit enkele – Vergelijk Huub Beurskens, Noordzeepalmen (roman, Amsterdam 1980; hier verder aangeduid met NZP), bijvoorbeeld p. 14: ‘Nu is alleen de bovenlaag van het zand los, door de wind. Opgeslagen kraag. Haast niemand, wat stervelingen hoogstens.’

07/1 de krant – Deze twee krantenkoppen plus de advertentie stonden op de voorpagina van NRC Handelsblad van vrijdag 30 april 2010 (Koninginnedag); op zaterdag 1 mei 2010 verscheen er geen editie.
08/1 verzachten mijn blik – Ook van het meisje Michelle in NZP wordt enkele keren opgemerkt dat ze een harde blik kan hebben, zoals op pagina 20: ‘Als zij glimlachte deed ze dat met de ogen en hield ze de mond strak, of ze glimlachte met de mond en hield de ogen koel.’

08/2 bij de dashboardverlichting – ‘Paradise by the Dashboard Light’ (1978) van Meat Loaf, samen met de zangeres Ellen Foley. Het nummer stond in Nederland wekenlang hoog in de hitlijsten.

09/1 aan de natte tafeltjes – NZP p. 39: ‘(…) de keuvelende leerlingen aan de tafeltjes die telkens binnen vijf minuten grote hoeveelheden chips en pinda’s verorberden. De verliefde knaap.’ De locaties en situaties van zo’n avond in Nietsdankussen en NZP zijn dezelfde. NZP p. 72: ‘Op een schoolavond waar ik haar niet verwachtte omdat het feest was georganiseerd voor de hogere klassen, waar zij zich toch naar binnen had weten te smokkelen.’

10/1 Aanvankelijk amusant – De scène komt, gezien vanuit de optiek van de docent Johan Adelaar in NZP voor op pagina’s 40-41: ‘(…) de jongen (…) probeerde haar te zoenen of om het middel te pakken (…) Soms even leek ze om mijn hulp te smeken, maar vermoedelijk besefte ze tegelijkertijd dat ik geen hand zou uitsteken. Lag je maar met mij in bed. (…) En ik stak pas een hand uit toen de jongen uiteindelijk achterover tussen de tafeltjes en stoelen sloeg, drie meter verwijderd van zijn brilletje met zilvermontuur dat ik vond via een geluid onder mijn voet.’

10/2 If you want my body – Woorden uit ‘Da Ya Think I’m Sexy?’ van Rod Stewart, afkomstig van zijn lp Blondes Have More Fun (1978). Vergelijk NZP, p. 15: ‘En tijdens het feest, laat op de avond, op het zwak verlichte dansvloertje, met de muziek van Rod Stewart of The Three Degrees (maar ik weet zeker dat het Stewart was) gingen mijn vingers door haar haren (…).’

11/1 Een minieme hoofdbeweging – NZP, p. 42: ‘Er was maar een kleine beweging van mijn hoofd nodig om haar op het dansvloertje te krijgen. Rod Stewart. Gekleurde lampen die op de maat van de muziek uit en aan knipperden (…). En voordat zij, een paar minuten later, weer van het vloertje kon verdwijnen zoals alle anderen plotseling en in haast en angst en toch met even hoop vertrokken toen de eerste tonen van een schuifelnummer inzetten, dansten wij, tegen elkaar gedrukt, if loving you is wrong, I don’t want to be right, en dansten alleen, voelden elkaar voor het eerst, alsof we nooit anders gevoeld hadden, of alsof we er die hele avond, avonden, dagen, jaren misschien, naar gehunkerd had een elkaar opnieuw te voelen. En dat “alsof” was zelfs niet aanwezig.’

11/2 If loving you is wrong – ‘If Loving You Is Wrong’, song door verschillende artiesten uitgevoerd, zoals door Luther Ingram, The Faces en Millie Jackson; ook door Rod Stewart, maar pas in 1980. Zie ook 10/2 en 11/1.

11/3 achter door mijn haar – Zie 10/2

11/4 If I can’t see you when I want to – Uit: ‘If Loving You is wrong’; zie 11/2.

11/5 Meatloaf – Zie 08/1.

11/6 Toen praktisch iedereen vertrokken was – NZP p. 43: ‘Toen alle leerlingen naar huis waren, wachtte ik buiten, dat wil zeggen, ik prutste aan mijn fietsslot, liet het sleuteltje zeven maal vallen en bood hij aan een eindje mee te lopen omdat het donker was en al zo laat. En ik nam me voor haar vanavond niet aan te raken, zelfs niet bij het afscheid nemen.’
            Afgaande op Nietsdankussen, waar de moeder van Cinthia immers komt opdagen om haar dochter af te halen, is dat aanbieden om ‘een eindje mee te lopen’ een fantasiewens van Adelaar. Typisch is ook dat de verteller in NZP niet alleen van tijd tot tijd in de jij-vorm overgaat en zich rechtstreeks richt tot het geliefde meisje, dat hier Michelle heet, net zoals Cinthia als vertelster zich in Nietsdankussen op bepaalde momenten direct tot Borgman wendt, maar dat hij zelfs haar, Michelle, in de ik-vorm aan het woord laat. Zoals in het hier geciteerde fragment. Om dan abrupt weer zijn ‘eigen’ ik-vorm op te pakken.

12/1 Ik heb altijd de indruk gehad – Vergelijk met betrekking tot de vroege dood van Cinthia’s vader die van Michelle’s vader in NZP p. 51: ‘En ook Michelle had nauwelijks herinneringen, niet eens aan haar vader die overleden was, zei ze, toen ze zes of zeven was.’
            Overigens verloor ook de op 1 januari 1935 geboren Lolita haar vader vroeg.

13/1 menige kostganger bij ons over de vloer – In Lolita verhuurt de weduwe Charlotte Haze-Becker, de moeder van Dolores/Lolita, in mei 1947 in Ramsdale (New England) een kamer aan Humbert Humbert, die na enige tijd met haar trouwt om in de nabijheid van haar dochter te kunnen zijn.

CLARICE LISPECTOR - KRONIEKEN



KRONIEKEN
uit
DE ONTDEKKING VAN DE WERELD
gekozen en uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens

1967

19 augustus
stoute kinderen

Nee. Ik kan en mag niet denken aan de scène die ik me heb voorgesteld en die echt is. Zoontje heeft ’s nachts buikpijn van de honger en zegt tegen zijn moeder: mama, ik heb honger. Zij antwoordt zachtjes: ga slapen. Hij zegt: maar ik heb honger. Zij dringt aan: ga slapen. Hij zegt: ik kan niet slapen, ik heb honger. Zij herhaalt boos: ga slapen. Hij blijft aandringen. Zij snauwt met pijn in het hart: doe niet zo stout, ga slapen! Dan zwijgen ze beiden roerloos in het donker. Zou hij slapen, denkt zij klaarwakker. En hij is te bang om te klagen. Beiden liggen wakker in de don­kere nacht. Tot ze alle twee van vermoeidheid en verdriet wegsluimeren in het nest van de berusting. En ik kan niet tegen berusting. Ach, hoe verslind ik hongerig en gretig het verzet.


de verrassing

In de spiegel kijken en gefascineerd zeggen: Wat ben ik toch mysterieus. Zo sierlijk en sterk. En de lijn van mijn lippen heeft haar onschuld behouden. Er is geen man of vrouw die niet ooit terloops in de spiegel heeft gekeken en zich toen niet verbaasde over zichzelf. Gedurende een fractie van een seconde zie je jezelf als een object dat bekeken wordt. Dat heet waarschijnlijk narcisme, maar ik zou het bestaansvreugde willen noemen. Vreugde omdat je in de uiterlijke gedaante de echo’s terugvindt van je innerlijke gestalte: aha, het klopt dus, ik heb mezelf niet verzonnen maar ik besta echt.


doen alsof je denkt

De kunst van het risicoloze denken. Als het denken niet de weg van de emotie zou inslaan, zou het al lang geboekstaafd zijn als een van de manieren om je te vermaken. Je vrienden uitnodigen om een spelletje denken te doen gaat niet, omdat denken zo serieus wordt genomen. Je kunt ze het beste gewoon uitnodigen en dan zogenaamd stomtoevallig samen denken achter het masker van de woorden.
            Dat als het niet meer dan een spelletje blijft. Om echt diep na te denken – de hoogste graad van deze hobby – moet je alleen zijn. Want jezelf aan denken overgeven is een heftige emotie, en je hebt alleen de moed om in het bijzijn van een ‘ander’ te denken als het vertrouwen zo groot is dat je er niet voor terugschrikt om zo nodig het woord ‘ander’ te gebruiken. Bovendien wordt er veel geëist van iemand die bij je is als je aan het denken bent: hij moet over een groot hart en veel liefde beschikken, en zichzelf ook ooit hebben overgegeven aan het denken. Van iemand die woorden en stiltes beluistert wordt evenveel geëist als je van hem zou eisen wanneer het om voelen gaat. Of nee, dat is niet waar. Bij voelen ligt de lat hoger.
            Oké, maar denken als vermaak ligt door het ontbreken van risico’s binnen ieders bereik. Nou ja, enig risico kleeft er natuurlijk wel aan. Je hart kan na afloop bedrukt worden. Maar in het algemeen bestaat er geen enkel gevaar als je de nodige intuïtieve voorzorgsmaatregelen neemt.
            Als hobby heeft denken het voordeel dat je het bij uitstek overal en altijd kunt doen. Hoewel het in het luchtledige volgens mij nog het beste gaat. Bepaalde uren ’s middags bijvoorbeeld, wanneer het huis vol licht is maar door dat licht leeg lijkt, terwijl de hele stad trilt van arbeidsvlijt en alleen jijzelf thuis werkt zonder dat iemand het weet – de uren waarop je waardigheid hersteld zou worden als je een verstelbedrijf of een naaiatelier zou hebben – in die uren denk je. Als volgt: je begint gewoon waar je gebleven bent, zelfs al is het geen middag; alleen ’s nachts kun je er beter niet aan beginnen.
            Zo was ik bijvoorbeeld in de tijd dat we de was nog buitenshuis lieten doen een keer de lijst aan het opstellen. Misschien uit de gewoonte om titels te gebruiken, of omdat het schrift nieuw was en ik daar ineens zin in had, net als vroeger op school, schreef ik: lijst van... En precies op dat moment stak de lust om niet serieus te zijn de kop op. Dat is het eerste teken van de animus brincandi inzake denken als hobby. En ik schreef heel slim: lijst van gevoelens. Wat ik daarmee bedoelde zou ik later wel uitzoeken – een ander teken dat je op de goede weg bent is niet overstuur raken als je het niet begrijpt; je houding moet er een zijn van: ik verlies niets met wachten, ik verlies niets als ik het niet begrijp.
            En dus begon ik een lijstje op te stellen van gevoelens waarvan ik de naam niet ken. Als ik, heel lief, een cadeautje krijg van iemand die ik niet mag – hoe heet wat ik dan voel? Of het heimwee dat je hebt naar iemand van wie je niet meer houdt, dat verdriet en die wrok – hoe noem je die? Of ergens mee bezig zijn en ineens ophouden omdat je gegrepen wordt door een heerlijk, verfrissend nietsdoen, alsof het lichtschijnsel van een wonder is binnengevallen in de kamer: hoe noem je dat gevoel?
            Maar let wel. Soms begin je voor de grap te denken en ineens gaat het speelgoed met jou aan de haal. Dat is niet goed. Hooguit vruchtbaar.


26 augustus
zoveel moeite

EMMA KAFALENOS - EEN BUITENGEWONE EERSTE ROMAN



over alain robbe-grillets un régicide

Un régicide, voltooid in 1949, is de eerste roman van Alain Robbe-Grillet[1]. Daarvoor schreef hij slechts vijf gedichten, een kort verhaal dat verloren is gegaan, en een verslag van wat hij een ‘politieke’ reis naar Bulgarije in 1947 noemt.[2] Bijna dertig jaar nadat de roman werd geschreven, werd Un régicide eind september 1978 uitgegeven, gelijktijdig met Robbe-Grillets nieuwste roman, Souvenirs du triangle d’or, en een speciale uitgave van Obliques, gewijd aan Robbe-Grillets werk en met een aantal niet eerder gepubliceerde teksten (waaronder drie van de vijf gedichten en het verslag van de Bulgaarse reis). Un régicide is een buitengewone eerste roman.
         Waarschijnlijk werd de roman destijds niet uitgegeven omdat hij als te moeilijk werd beschouwd. Robbe-Grillet legde zich neer bij de beslissing van de uitgever aan wie hij zijn manuscript had voorgelegd, en schreef en publiceerde Les Gommes. Hij overwoog vervolgens om die eerste roman te herzien, maar in plaats ervan begon hij aan Le Voyeur. Pas nadat hij La Jalousie afhad, vertelt hij in zijn inleiding tot Un régicide, ging hij weer serieus naar zijn eerste roman kijken. En hij herschreef de pagina’s vier tot en met tien van de tekst, en veranderde de naam van zijn protagonist van Philippe in Boris (iets wat in elk geval mij doet denken aan de passiviteit en het uiteindelijke lot van Gide’s jonge vreemdeling in Les Faux-monnayeurs.) Het is deze versie van de tekst, met daarin de wijzigingen uit 1957, en met verder slechts hier en daar een woordwijziging of een aangepast interpunctie, die nu eindelijk is verschenen.
         Een van de moeilijkheden bij het lezen van Un régicide nu, is het om de roman te plaatsen in de literaire wereld van de jaren veertig (en om alles te vergeten wat daarna gebeurd is). L’Étranger van Camus verscheen in 1942. De karaktertekening van Meursault heeft duidelijk bepaalde aspecten van Boris beïnvloed, de potentiële koningsmoordenaar die een koningsmoord beraamt (het woord ‘regicide’ staat in zowel het Frans als het Engels voor dader én daad). Het besluit van Boris om zijn koning te doden komt voort uit zijn verlangen naar een intieme relatie met zijn vorst. Nadat hij de mogelijkheid om de huisknecht of een van de lijfwachten van de koning te worden heeft verworpen, omdat zoiets niet intiem genoeg zou zijn, richt Boris zich op manslag als een ‘band die stevig is, en in zekere zin afdoend’ (p. 80-81). Ondanks de overeenkomst qua motief tussen het misdrijf van Meursault en het geplande misdrijf van Boris, is Un régicide een heel wat modernere roman dan L’Étranger. In die laatste bestaat er geen twijfel over dat er een man werd vermoord; de speculaties draaien rond de motieven voor de moord. De lezer van Un régicide blijft in het ongewisse, op het einde van de roman, of de koning nu leeft of dood is, en als hij dood is, of Boris zijn moordenaar was.
         Inmiddels raken we gewend aan tegenstrijdige plots in fictie. In La Jalousie (1957) suggereert Robbe-Grillet zowel de dood van Franck en A… ten gevolge van een auto-ongeluk, als hun veilige terugkeer van hun uitstapje. Maar zelfs in die latere roman kan de lezer de contradictie nog altijd beredeneren en de scène van het ongeluk uitleggen als iets wat alleen bestaat in de overspannen verbeelding van de verteller gedurende de nacht die A… ver van huis doorbrengt met Franck. Er zijn maar weinig lezers die serieus betwijfelen of Franck en A… op het einde van de roman nog in leven zijn. Maar vanaf 1961, in Le Parc van Philippe Sollers, was het niet meer mogelijk de tegenstrijdige plot rationeel uit te leggen. In die roman sterft de volwassen ‘hij’, de goede vriend van ik-verteller. Zijn dood wordt echter op zoveel manieren beschreven dat lezers geen van die wijzen van sterven waarschijnlijker kan vinden dan de andere. In La Maison de rendez-vous (1965) en latere romans maakt Robbe-Grillet ook volop gebruik van die nieuwe techniek.