FERNANDO PESSOA - 35 SONNETS / 35 SONNETTEN



vertaald door Maarten Asscher

Fernando Pessoa, Heimwee naar vereeuwiging (Lisboa, Monteiro e Co, 1918) uit de verzameling Manuel Vilhena de Carvalho.

Fernando Pessoa (1888-1935), de grootste Portugese dichter van de twintigste eeuw, hield er niet alleen een groot aantal zogenaamde ‘heteroniemen’ op na – afsplitsingen van zijn literaire persoonlijkheid die elk een volstrekt eigen literaire productie voortbrachten –, Pessoa was als dichter ook nog eens actief in een tweede taal, namelijk het Engels. Maar liefst drie van zijn twaalf delen omvattende verzameld werk, zijn gevuld met zijn in het Engels geschreven gedichten. De vertrouwdheid met die taal gaat terug op de tijd die hij op Engelstalige scholen in Zuid-Afrika doorbracht, waarheen hij met zijn moeder en zijn stiefvader in 1896 emigreerde. Pas op zijn zeventiende keerde hij naar Portugal terug, en het duurde vele jaren, om precies te zijn tot 1914, voordat hij als dichter in het Portugees zou gaan publiceren.
Pessoa’s Engelstalige werk, in het bijzonder de 35 Sonnets uit 1918, liet hij voor eigen rekening in Lissabon drukken, nadat hij er tevergeefs een uitgever in Engeland voor had proberen te vinden. Veel van de overige Engelstalige gedichten verschenen pas na zijn dood voor het eerst in druk.
De levenslange verbondenheid van Pessoa met zijn tweede literaire taal kan niet beter worden geïllustreerd dan met een verwijzing naar de laatste woorden die hij – in het Engels – op zijn sterfbed in het Franse hospitaal van Lissabon schreef: ‘I know not what tomorrow will bring.’
De originele teksten van de hier vertaalde gedichten zijn te vinden in de door Luisa Freire bezorgde delen Poesia Inglesa I en II van de Obras de Fernando Pessoa (Lissabon, 2000).

Maarten Asscher


35 SONNETS

I

Whether we write or speak or are but seen
We are ever unapparent. What we are
Cannot be transfused into word or mien.
Our soul from us is infinitely far.
However much we give our thoughts the will
To make our soul with arts of self-show stored,
Our hearts are incommunicable still.
In what we show ourselves we are ignored.
The abyss from soul to soul cannot be bridged
By any skill of thought or trick for seeing.
Unto our very selves we are abridged
When we would utter to our thought our being.
   We are our dreams of ourselves, soul by gleams,
   And each to each other dreams of other’s dreams.


35 SONNETTEN

I

Voor wie ons ziet of leest of spreken hoort
Zijn wij onkenbaar. Nooit laat ons bestaan
Zich vangen in een houding of een woord.
Oneindig staat de ziel van ons vandaan.
Hoe graag wij ook de kunst willen bedrijven
Die onze ziel voorziet van pralerij,
Toch zal ons hart onmededeelzaam blijven.
In wat wij tonen ziet men ons voorbij.
Door geen illusie of vernuft kan ooit
De kloof van ziel tot ziel worden geslecht.
Zelfs in ons diepste zelf zijn wij berooid,
Wat ook ons wezen aan ons denken zegt.
   De ziel kan slechts in onze dromen schijnen.
   Elk droomt eens anders dromen als de zijne.


II

If that apparent part of life’s delight
Our tingled flesh-sense circumscribes were seen
By aught save reflex and co-carnal sight,
Joy, flesh and life might prove but a gross screen.
Haply Truth’s body is no eyable being,
Appearance even as appearance lies,
Haply our close, dark, vague, warm sense of seeing
Is the choked vision of blindfolded eyes.
Wherefrom what comes to thought’s sense of life? Nought.
All is either the irrational world we see
Or some aught-else whose being-unknown doth rot
Its use for our thought’s use. Whence taketh me
   A qualm-like ache of life, a body-deep
   Soul-hate of what we seek and what we weep.


II

Als op de uiterlijke levenslusten
Die onze tintelende tast omvat
Een ijdel en wellustig oog slechts rustte,
Zou ons bestaan een scherm zijn, leeg en plat.
Het lijf der waarheid wordt niet graag gezien,
Wat zich laat aanzien is altijd gelogen,
Ons dicht, vaag, warm beschouwen is misschien
Louter geblinddoekt snakken van de ogen.
Vanwaar komt welk besef van leven? Nergens.
’t Is alles ongerijmd wat men aanschouwt
Of een of ander rottend iets zou ergens
Ons denken moeten voeden. Mij benauwt
   Een levenspijn, een diepe ziele-nijd
   Om al ons streven dat tot treurnis leidt.


III

When I do think my meanest line shall be
More in Time’s use than my creating whole,
That future eyes more clearly shall feel me
In this inked page than in my direct soul;
When I conjecture put to make me seeing
Good readers of me in some aftertime,
Thankful to some idea of my being
That doth not even my with gone true soul rime;
An anger at the essence of the world,
That makes this thus, or thinkable this-wise,
Takes my soul by the throat and makes it hurled
In nightly horrors of despaired surmise,
   And I become the mere sense of a rage
   That lacks the words whose waste might ’suage.


III

Als ik bedenk dat wat ik ook maar schrijf
Duurzamer zijn zal dan mijn scheppend wezen,
Dat ik in later ogen leven blijf
Door wat dit blad, niet wat mijn ziel laat lezen;
Als ik mij voorstel hoe in verre tijd
Mijn goede lezers naar mij zullen kijken,
Dankbaar om iets van een identiteit
Waarop mijn ware ziel maar niet wil lijken;
Dan vliegt een boosheid om des werelds geest,
Die dit zo schiep of denkbaar heeft gemaakt,
Mij naar de keel en jaagt als een wild beest
Mijn ziel in nachten hopeloos doorwaakt,
   En voel ik slechts een sprakeloze woede
   Waarvoor geen enkel woord mij kan behoeden.


IV

I could not think of thee as piecèd rot,
Yet such thou wert, for thou hadst been long dead;
Yet thou liv’dst entire in my seeing thought
And what thou wert in me had never fled.
Nay, I had fixed the moments of thy beauty –
Thy ebbing smile, thy kiss’s readiness,
And memory had taught my heart the duty
To know thee ever at that deathlessness.
But when I came where thou wert laid, and saw
The natural flowers ignoring thee sans blame,
And the encroaching grass, with casual flaw,
Framing the stone to age where was thy name,
   I knew not how to feel, nor what to be
   Towards thy fate’s material secrecy.


IV

Verrot, zo stelde ik mij jou nooit voor.
Toch was je dat, al zolang overleden,
Maar onbesmet leefde je in mij door.
Mijn beeld van hoe je was is nooit vergleden.
Jouw schoonheid was ik geen moment verloren –
Je lachje, altijd tot een kus bereid.
Ja, mijn geheugen had mijn hart bezworen
Jou steeds te zien in die onsterfelijkheid.
Maar toen ik bij de plek kwam waar je lag,
Vol bloemen die jou wel moesten negeren,
En ik de grafsteen met je naam daar zag
Die, ingelijst door gras, lag te verweren,
   Wist ik niet wie ik was of wat ik gaf
   Om de geheimen van jouw aardse graf.


V

How can I think, or edge my thoughts to action,
When the miserly press of each day’s need
Aches to a narrowness of spilled distraction
My soul appalled at the world’s work’s time-greed?
How can I pause my thoughts upon the task
My soul was born to think that it must do,
When every moment has a thought to ask
To fit the immediate craving of its cue?
The coin which I would heap to wed my Muse
And build our home i’th’ greater Time-to-be
Becomes dissolved by needs of each day’s use
And I feel beggared of infinity;
   Like a true-Christian sinner each day flesh-driven
   By his own act to forfeit his wished heaven.


V

Hoe ooit in doen mijn denken omgezet,
Terwijl het alledaags inhalig jachten
Mijn ziel, door ’s werelds tijdgebrek ontzet,
Schrijnt met een overmaat aan waangedachten?
Hoe gun ik aan mijn denken ooit de rust
Voor dat, waartoe mijn ziel was voorbestemd,
Als ieder ogenblik slechts is belust
Op een verlangen dat mijn geest beklemt?
Het goud vergaard om met mijn Muzenbruid
Een huis te bouwen in het Grote Ooit,
Vliegt er aan alledaagse noden uit
En ik ben in oneindigheid berooid;
   Zoals een Christen die de lust naloopt
   Steeds weer het heil verbeurt waarop hij hoopt.


VI

As a bad orator, badly o’er-book-skilled,
Doth overflow his purpose with made heat,
And, like a clock, winds with withoutness willed
What should have been an inner instinct’s feat;
Or as a prose-wit, harshly poet turned,
Lacking the subtler music in his measure,
With useless care labours but to be spurned,
Courting in alien speech the Muse’s pleasure;
I study how to love or how to hate,
Estranged by consciousness from sentiment,
With a thought feeling forced to be sedate
Even when the feeling’s nature is violent;
   As who would learn to swim without the river,
   When nearest to the trick, as far as ever.


VI

Zoals een matig spreker zich verlaat
Op boeken die zijn woorden overstromen,
En - als een klok - maar in de rondte slaat
Met wat juist uit het hart had moeten komen;
Of als een schrijver, die niet goed kan dichten:
Zijn instrument ontbeert de juiste toon,
De Muze weigert voor zijn taal te zwichten
En al zijn moeizaam zwoegen vindt slechts hoon;
Zo tracht ik lief te hebben of te haten
Hoezeer ook van afkerigheid bewust,
En is mijn stemming soms in alle staten,
In mijn gedachten dwing ik haar tot rust.
   Zoals wie op het droge zwemmen leert,
   Zichzelf bedot, al doet hij niets verkeerd.



VII

Thy words are torture to me, that scarce grieve thee –
That entire death shall null my entire thought;
And I feel torture, not that I believe thee,
But that I cannot disbelieve thee not.
Shall that of me that now contains the stars
Be by the very contained stars survived?
Thus were Fate all unjust. Yet what truth bars
An all unjust Fate’s truth from being believed?
Conjecture cannot fit to the seen world
A garment of her thought untorn or covering,
Or with her stuffed garb forge an otherworld
Without herself its dead deceit discovering;
   So, since all may be, an idle thought well may
   Less idle thoughts, self-known no truer, dismay.


VII

Mij kwelt jouw woord, terwijl het jou niets doet –
Dat heel mijn dood ook heel mijn geest zal doven;
Niet kwelt mij dat ik jou geloven moet,
Maar dat ik jou onmogelijk kan geloven.
Zullen de sterren langer blijven leven
Dan dat deel van mij, dat ze nu omsluit?
Dat lot zou onrecht zijn, maar wat is even
Waar als het onrecht dat het lot beduidt?
Vermoeden gaat niet in een kleed gehuld
Dat onze wereld in gedachten dekt
Danwel vervalst, haar kleren opgevuld,
Zonder dat hij het loze lijk ontdekt.
   Zo zorgt wat men in ijdelheid bedenkt
   Dat men de waarheid zelfs tot wanhoop brengt.


VIII

How many masks wear we, and undermasks,
Upon our countenance of soul, and when,
If for self-sport the soul itself unmasks,
Knows it the last mask off and the face plain?
The true mask feels no inside to the mask
But looks out of the mask by co-masked eyes.
Whatever consciousness begins the task
The task’s accepted use to sleepness ties.
Like a child frightened by its mirrored faces,
Our souls, that children are, being thought-losing,
Foist otherness upon their seen grimaces
And get a whole world on their forgot causing;
   And, when as thought would unmask our soul’s maskings,
   Itself goes unmasked to the unmasking.


VIII

In hoeveel maskers achter maskers gaat
Het uiterlijk van onze ziel gehuld,
En als de ziel zijn maskers vallen laat
Kent hij dan het gelaat dat wordt onthuld?
Het ware masker voelt zich niet van binnen
Maar blikt vermomd de buitenwereld aan.
Als het bewustzijn eraan wil beginnen
Laat het zich door zijn taak met stomheid slaan.
Zoals een kind schrikt van zijn spiegelbeeld
Zo wordt – gedachteloos – elke grimas
Door onze kinderzielen toebedeeld
Aan heel een wereld achter spiegelglas.
   En de gedachte die de ziel ontmaskert,
   Gaat daarbij zelf nooit anders dan gemaskerd.


IX

Oh to be idle loving idleness!
But I am idle all in hate of me;
Ever in action’s dream, in the false stress
Of purposed action never act to be.
Like a fierce beast self-penned in a bait-lair,
My will to act binds with excess my action,
Not-acting coils the thought with raged despair,
And acting rage doth paint despair distraction.
As in one sinking in a treacherous sand,
Each gesture to deliver sinks the more;
The struggle avails not, and to raise no hand,
Though but more slowly useless, we’ve no power.
   Hence live I the dead life each day doth bring,
   Repurposed for next day’s repurposing.


IX

O nietsdoen en daar ook nog van genieten!
Maar ik voel in mijn nietsdoen niets dan haat;
Niet bij elk plan in valse stress te schieten,
Steeds blijven dromen van een nieuwe daad.
Gelijk een in zijn hol gevangen beest
Houdt mijn bezeten wil zich in bedwang.
Nietsdoen tart alle wanhoop van de geest,
Verstrooid als die juist raakt door dadendrang.
Zoals wie in gevaarlijk drijfzand glijdt,
Juist wegzakt als hij zich te redden tracht;
Niets baat de strijd, en ook ligt lijdzaamheid,
Slechts trager zinloos, niet in onze macht.
   Zo leef ik dag na dag het dode leven,
   Elke dag strevend naar een volgend streven.


X

As to a child, I talked my heart asleep
With empty promise of the coming day,
And it slept rather for my words made sleep
Than from a thought of what their sense did say.
For did it care for sense, would it not wake
And question closer to the morrow’s pleasure?
Would it not edge nearer my words, to take
The promise in the meting of its measure?
So, if it slept, ’twas that it cared but for
The present sleepy use of promised joy,
Thanking the fruit but for the forecome flower
Which the less active senses best enjoy.
   Thus with deceit do I detain the heart
   Of which deceit’s self knows itself a part.


X

Ik heb mijn hart als een klein kind gesust
Met schijnbeloften voor de nieuwe dag,
En eerder in die woorden vond het rust
Dan wat er aan betekenis in lag.
Want anders zou mijn hart wel blijven waken,
Om door te vragen tot het alles weet.
Van dichtbij zou het zeker willen maken
Dat wat ik zeg terecht verrassing heet.
Dus dat mijn hart gewoon met slapen doorging
Was omdat het liefst slapend zich verheugde:
De vrucht bedanken voor de bloem die voorging,
Dat biedt de stille zintuigen pas vreugde.
   Zo houd ik heel mijn hart gehuld in schijn,
   Waarvan die schijn wat graag een deel wil zijn.


XI

Like to a ship that storms urge on its course,
By its own trials our soul is surer made.
The very things that make the voyage worse
Do make it better; its peril is its aid.
And, as the storm drives from the storm, our heart
Within the peril disimperilled grows;
A port is near the more from port we part –
The port whereto our driven direction goes.
If we reap knowledge to cross-profit, this
From storms we learn, when the storm’s height doth drive –
That the black presence of its violence is
The pushing promise of near far blue skies.
   Learn we but how to have the pilot-skill,
   And the storm’s very might shall mate our will.


XI

Gelijk een schip door stormen voortgejaagd wordt,
Raakt onze ziel versneld door tegenspoed.
Juist die dingen waardoor zijn tocht geplaagd wordt
Maken hem sterk; beproeving geeft hem moed.
De storm ontijlt de storm, zo maakt zich vrij
Ons onbedreigde hart uit zijn gevaren.
Vertrek brengt steeds een haven naderbij –
De haven in de richting die wij varen.
Wijsheid die zich laat plukken als profijt
Leren wij van der stormen hoogste jacht –
Dat in het duister van hun hevigheid
De verste blauwe lucht hier op ons wacht.
   Als wij de stuurmanskunst zouden verstaan,
   Zou onze wil met stormkracht samengaan.


XII

As the lone, frighted user of a night-road
Suddenly turns round, nothing to detect,
Yet on his fear’s sense keepeth still the load
Of that brink-nothing he doth but suspect;
And the cold terror moves to him more near
Of something that from nothing casts a spell,
That, when he moves, to fright more is not there,
And’s only visible when invisible:
So I upon the world turn round in thought,
And nothing viewing do no courage take,
But my more terror, from no seen cause got,
To that felt corporate emptiness forsake,
   And draw my sense of mystery’s horror from
   Seeing no mystery’s mystery alone.


XII

Zoals des nachts een eenzaam wandelaar
Plots omkijkt, maar de weg verlaten vindt
En toch de vrees blijft voelen voor gevaar,
Bezwaard door het net-niets dat hem niet zint;
De kille angst bekruipt hem van dichtbij
Voor iets dat hem betovert uit het niet.
Als hij beweegt is het alweer voorbij,
Want zichtbaar slechts wanneer men het niet ziet:
Zo wend ik naar de wereld mijn gedachten
En zie daar niets om moed uit te vergaren,
Maar heel mijn angst, uit ongeziene krachten
Laat ik in lijfelijke leegheid varen
   En voel mijn raadselafschuw als ik die
   Raadsels van raadsels niet alleen meer zie.


XIII

When I should be asleep to mine own voice
In telling thee how much thy love’s my dream,
I find me listening to myself, the noise
Of my words othered in my hearing them.
Yet wonder not: this is the poet’s soul.
I could not tell thee well of how I love,
Loved I not less by knowing it, were all
My self my love and no thought love to prove.
What consciousness makes more by consciousness,
It makes less, for it makes it less itself.
My sense of love could not my love rich-dress
Did it not for it spend love’s own love-pelf.
   Poet’s love’s this (as in these works I prove thee):
   I love my love for thee more than I love thee.


XIII

Ik merk, ik luister naar mijn stem, hoewel
Ik in zou moeten slapen bij mijn woorden,
Wanneer ik jou mijn liefdesdroom vertel.
Nu klinkt het of ik iemand anders hoorde.
Verbaas je niet: zo zijn dus die poëten.
Mijn liefde kon ik jou niet goed verklaren
Had ik niet minder lief door het te weten,
En heel mijn liefde vanzelfsprekend ware.
Wat het bewustzijn groter maken zou
Dat maakt het kleiner, want zichzelf niet meer
En mijn gemoed fêteert mijn lief niet gauw
Tenzij ik daarmee liefdes schat verteer.
   Dichterliefde is (dit bewijst het weer):
   Ik hou van jou, maar van mijn liefde meer.


XIV

We are born at nightfall and we die ere morn,
And the whole darkness of the world we know,
How can we guess its truth, to darkness born,
The obscure consequence of absent glow?
Only the stars do teach us light. We grasp
Their scattered smallnesses with thoughts that stray,
And, though their eyes look through night’s complete mask,
Yet they speak not the features of the day.
Why should these small denials of the whole
More than the black whole the pleased eyes attract?
Why what it calls ‘worth’ does the captive soul
Add to the small and from the large detract?
   So, out of light’s love wishing it night’s stretch,
   A nightly thought of day we darkly reach.


XIV

Van schemer leven wij tot ochtendgloren
En kennen ’s werelds nacht maar al te goed.
Zijn waarheid zoeken wij, uit nacht geboren,
Obscure uitkomst van ontbroken gloed.
Sterren leren ons licht. Ons denken tracht
Dwalend hun strooisel op de proef te stellen.
Hun blik ziet door het masker van de nacht,
Zonder de trekken van de dag te spellen.
Waarom lokt daar het loochenende schijnen
Ons innig oog meer dan het zwart geheel?
Telt de gevangen ziel op bij het kleine
Wat hij juist aftrekt van het merendeel?
   Als ’s nachts ons dierbaar licht nog duren mag,
   Reikt onze nachtgedachte tot de dag.


XV

Like a bad suitor desperate and trembling
From the mixed sense of being not loved and loving,
Who with feared longing half would know, dissembling
With what he’d wish proved what the fears soon proving,
I look with inner eyes afraid to look,
Yet perplexed into looking, at the worth
This verse may have and wonder, of my book,
To what thoughts shall’t in alien hearts give birth.
But, as he who doth love, and, loving, hopes,
Yet, hoping, fears, fears to put proof to proof,
And in his mind for possible proofs gropes,
Delaying the true proof, lest the real thing scoff,
   I daily live, i’th’ fame I dream to see,
   But by my thought of others’ thought of me.


XV

Zoals een vrijer angstig staat te trillen
Als hij verliefd is maar wordt afgewezen,
En zijn verlangen zegt te willen stillen
Terwijl hij het bewijs vreest van zijn vrezen,
Zo aarzel ik mijn innerlijke blik
Te richten op mijn werk en te ontdekken
Wat in de harten van de mensen ik
Aan inzichten tot leven blijk te wekken.
Zoals wie liefheeft zelfs zijn liefde vreest
En zijn verwachting op de proef wil stellen,
Alle bewijzen aftast in zijn geest
Om dan het enig ware uit te stellen,
   Droom ik alsof ik een beroemdheid ben
   Levend op wat ik denk van wie ik ken.


XVI

We never joy enjoy to that full point
Regret doth wish had enjoyèd been,
Nor have the strenght regret to disappoint
Recalling not past joy’s thought, but its mien.
Yet joy was joy when it enjoyèd was
And after-enjoyed when as joy recalled,
It must have been joy ere its joy did pass
And, recalled, joy still, since its being-past galled.
Alas! All this is useless, for joy’s in
Enjoying, not in thinking of enjoying.
Its mere thought-mirroring gainst itself doth sin,
By mere reflecting solid life destroying.
   Yet the more thought we take to thought to prove
   It must not think, doth further from joy move.


XVI

Nooit bracht genot ons zo complete vreugd
Dat spijt er niet graag langer van genoot
En nu genot ons slechts in aanzicht heugt
Is van die spijt de kracht voor ons te groot.
Toch was genot genot, zolang het smaakte
En smaken bleef het, in herinnering,
Want toen het als genot verloren raakte
Werd zijn voorbij-zijn tot een pijnlijk ding.
Maar ach, genoeg hiervan, want het genot
Schuilt in genieten, niet in redeneren.
Dat biedt slechts schijngestalten in een grot
Die zich tegen het vaste leven keren.
   Denken dat op niet-denken is gericht
   Drijft het genot steeds verder uit het zicht.


XVII

My love, and not I, is the egoist.
My love for thee loves itself more than thee;
Ay, more than me, in whom it doth exist,
And makes me live that it may feed on me.
In the country of bridges the bridge is
More real than the shores it doth unsever;
So in our world, all of Relation, this
Is true – that truer is Love than either lover.
This thought therefore comes lightly to Doubt’s door –
If we, seeing substance of this world, are not
Mere Intervals, God’s Absence and no more,
Hollows in real Consciousness and Thought.
   And if’tis possible to Thought to bear this fruit,
   Why should it not be possible to Truth?


XVII

Niet ik ben hier de egoïst, maar mijn
Liefde, die meer dan jou zichzelf bemint;
Ja, meer dan mij, haar hoogsteigen domein
Dat voor haar leeft, waar ze haar voedsel vindt.
De brug is in het land der bruggen daar
Nog echter dan de oevers die hij bindt;
Zo is in onze Bindingswereld waar
Dat liefde beide minnaars overwint.
In Huize Twijfel hoort men hiervan spreken –
Of wij, op aarde toch de ziende machten,
Niet louter pauzes zijn, een Godsontbreken,
Slechts holtes in de Geest en de Gedachte.
   En als het Denken deze vrucht kan dragen,
   Waarom zou daar de Waarheid niet in slagen?


XVIII

Indefinite space, which, by co-substance night,
In one black mystery two void mysteries blends;
The stray stars, whose innumerable light
Repeats one mystery till conjecture ends;
The stream of time, known by birth-bursting bubbles;
The gulf of silence, empty even of nought;
Thought’s high-walled maze, which the outed owner troubles
Because the string’s lost and the plan forgot:
When I think on this and that here I stand,
The thinker of these thoughts, emptily wise,
Holding up to my thinking my thing-hand
And looking at it with thought-alien eyes,
   The wonder of my wonder looketh past
   The universal darkness lone and vast.


XVIII

Het onbeperkt, met nacht vereend heelal
Vermengt twee holle raadsels tot één zwart;
Het verre licht der sterren zonder tal
Kaatst één geheim dat ons vermoeden tart;
De tijdstroom die zijn bellen barstend baart;
De golf der stilte die het niets omgeeft;
Het hoge doolhof waar geen draad of kaart
De machteloze geest nog richting geeft.
Als ik dit alles, in mijn loos verstand,
Bedenk en mij mijn standpunt goed besef
En onderwijl mijn stoffelijke hand
Voor mijn gedachten-vreemde ogen hef,
   Verbaast mij mijn verbazing, hoe ik pal
   Voorbij zie aan het eenzaam, donker al.


XIX

Beauty and love let no one separate,
Whom exact Nature did to each other fit,
Giving to Beauty love as finishing fate
And to Love beauty as true colour of it.
Let he but friend be who the soul finds fair,
And none dare love outside the body’s thought,
So the seen couple’s togetherness shall bear
Truth to the beauty each in the other sought.
I could but love thee out of mockery
Of love and thee and mine own ugliness;
Therefore thy beauty I sing and wish not thee,
Thanking the Gods I long not out of place,
   Lest, like a slave that for kings’ robes doth long,
   Obtained, shall with mere wearing do them wrong.


XIX

De schoonheid en de liefde: wie zal scheiden
Die de natuur juist aan elkander klonk,
Toen hij het liefdeslot aan Schoonheid en
De kleur der schoonheid aan de Liefde schonk.
Laat vriend slechts heten wie de ziel bekoort,
Wie liefheeft kan slechts met zijn lichaam denken.
Het paar dat zichtbaar bij elkander hoort
Bewijst dat zij elkaar hun schoonheid schenken.
Jou liefhebben is pure spotternij
Met liefde, jou, mijn eigen lelijkheid.
Jouw schoonheid prijs ik, maar de Goden zij
Dank dat mijn hart door jou nooit is verleid.
   Dan raakt de koningsmantel pas verteerd,
   Als hij de slaaf siert die hem heeft begeerd.


XX

When in the widening circle of rebirth
To a new flesh my travelled soul shall come,
And try again the unremembered earth
With the old sadness for the immortal home,
Shall I revisit these same differing fields
And cull the old new flowers with the same sense,
That some small breath of foiled remembrance yields,
Of more age than my days in this pretence?
Shall I again regret strange faces lost
Of which the present memory is forgot
And but in unseen bulks of vagueness tossed
Out of the closed sea and black night of Thought?
   Were thy face one, what sweetness will’t not be,
   Though by blind feeling, to remember thee!


XX

Als ooit mijn ziel, op reis van kring naar kring
Tot een nieuw vlees terug zal keren,
Om weer, uit heimwee naar vereeuwiging,
De onvergeten aarde te proberen,
Zal ik die andere velden weer betreden
En oude nieuwe bloemen plukken gaan
Die mij vergeefs doen zuchten naar een heden
Dat ouder is dan dit mijn vals bestaan?
Zal ik opnieuw naar onbekenden smachten
Van wie nu de gezichten zijn vergeten?
Uit dichte zee en nacht van de Gedachte
Zijn zij massaal de ijlheid in gesmeten.
   Maar jouw gezicht, hoe zoet zou het niet smaken
   Om dat in mijn geheugen aan te raken.


XXI

Thought was born blind, but Thought knows what is seeing.
Its careful touch, deciphering forms from shapes,
Still suggests form as aught whose proper being
Mere finding touch with erring darkness drapes.
Yet whence, except from guessed sight, does touch teach
That touch is but a close and empty sense?
How does mere touch, self-uncontented, reach
For some truer sense’s whole intelligence?
The thing once touched, if touch be now omitted,
Stands yet in memory real and outward known,
So the untouching memory of touch is fitted
With sense of a sense whereby far things are shown.
   So, by touch of untouching, wrongly aright,
   Touch’ thought of seeing sees not things but Sight.


XXI

Door op de tast de vormentaal te lezen
Weet zelfs het Denken blind wat kijken is.
Zo lijkt de vorm een ding, waarvan het wezen
Door louter tasten schuilt in duisternis.
Waar haalt de tast dan toch de les vandaan
Dat hij als zintuig ledig is en dicht?
Hoe kan de tastzin zo, zelf-onvoldaan,
Op het vernuft der zinnen zijn gericht?
Het ding, nu losstaand na te zijn betast,
Blijft toch herkenbaar in herinnering,
Want het geheugen pakt wel nooit iets vast,
Maar toont in zijn gevoel het verste ding.
   Zo wordt de tast – terecht of niet – bedrogen,
   Hij ziet al denkend slechts zijn eigen ogen.


XXII

My soul is a stiff pageant, man by man,
Of some Egyptian art than Egypt older,
Found in some tomb whose rite no guess can scan,
Where all things else to coloured dust did moulder.
Whate’er its sense may mean, its age is twin
To that of priesthoods whose feet stood near God,
When knowledge was so great that ’twas a sin
And man’s mere soul too man for its abode.
But when I ask what means that pageant I
And would look at it suddenbly, I lose
The sense I had of seeing it, nor can try
Again to look, nor hath my memory a use
   That seems recalling, save that it recalls
   An emptiness of having seen those walls.


XXII

Mijn ziel is als een praalstoet, man voor man,
Nog ouder dan Egypte’s vroegst verleden,
Een eredienst die geen meer duiden kan
Is in dit graf tot kleurig stof vergleden.
Wat het ook was, zijn leeftijd is wel twee
Keer die van priesters die hun God nastonden,
Toen onze ziel te mens was voor zijn stee
En kennis werd vermeerderd tot een zonde.
Maar als ik vraag wat dan die praalstoet ik
Betekent, en er plotseling naar kijk,
Dan voel ik niet meer wat ik zag, mijn blik
Faalt keer op keer, zelfs mijn geheugen blijk
   Ik te verliezen. Enkel zal nog duren
   De leegheid van mijn staren naar die muren.


XXIII

Even as upon a low and cloud-domed day,
When clouds are one cloud till the horizon,
Our thinking senses deem the sun away
And say ‘tis sunless’ and ‘there is no sun’:
And yet the very day they wrong truth by
Is of the unseen sun’s effluent essence,
The very words do give themselves the lie,
The very thought of absence comes from presence:
Even so deem we through Good of what is evil.
He speaks of light that speaks of absent light,
And absent god, becoming present devil,
Is still the absent god by essence’ right.
   The withdrawn cause by being withdrawn doth get
   (Being thereby cause still) the denied effect.


XXIII

Zoals een dag dat lage wolken één en
Dezelfde wolk tot aan de einder zijn,
De zintuigen vol overtuiging menen:
‘De zon is weg’, ‘Er is geen zonneschijn’;
Toch straalt de ongeziene zon zich uit
In juist die dag die onrecht wordt gedaan,
Zo haalt elk woord zichzelf weer onderuit,
Slechts door het zijn kan het niet-zijn bestaan.
Goedheid bepaalt ons oordeel over kwaad.
Wie weet van duister moet van licht ook weten.
De god die zich als duivel gelden laat
Houdt toch het recht om onze god te heten,
   Onttrokken krijgt datgeen wat zich onttrekt
   (Maar oorzaak blijft) het niet gewild effect.


XXIV

Something in me was born before the stars
And saw the sun begin from far away.
Our yellow, local day on its wont jars,
For it hath communed with an absolute day.
Through my Thought’s night, as a worn robe’s heard trail
That I have never seen, I drag this past
That saw the Possible like a dawn grow pale
On the lost night before it, mute and vast.
It dates remoter than God’s birth can reach,
That had no birth but the world’s coming after
So the world’s to me as, after whispered speech,
The cause-ignored sudden echoing of laughter.
   That ’t has a meaning my conjecture knows,
   But that ’t has meaning’s all its meaning shows.


XXIV

Er is iets in mij dat het licht al zag
Voordat de zon in het heelal bestond
En, knarsend, onze eigen gele dag
Verbinding met het absolute vond.
Door nachtgepeins, gelijk een sleets gewaad,
Sleep ik achter mij aan dit oud verleden
Dat, stil en weids, de bleke dageraad
Van al het mogelijke aan zag treden.
Het gaat nog verder terug dan Gods geboorte,
Zonder geboorte kwam de wereld later.
Die is mij als na een gefluisterd woord
De redeloze echo van geschater.
   Dat zij een doel heeft, heb ik steeds voorvoeld,
   Maar doel hebben blijkt al wat zij bedoelt.


XXV

We are in Fate and Fate’s and do but lack
Outness from soul to know ourselves its dwelling,
And do but compel Fate aside or back
By Fate’s own immanence in the compelling.
We are too far in us from outward truth
To know how much we are not what we are,
And live but in the heat of error’s youth,
Yet young enough its acting youth to ignore.
The doubleness of mind fails us, to glance
At our exterior presence amid things,
Sizing from otherness our countenance
And seeing our puppet will’s act-acting strings.
   An unknown language speaks in us, which we
   Are at the works of, fronted from reality.


XXV

Zelf in en van het lot ontberen wij
Uitwendigheid waaraan de ziel zich toont.
Het lot gaat slechts voor onze dwang opzij
Omdat het lot ook in dat dwingen woont.
De waarheid laat zich niet meer achterhalen,
Hoezeer wij niet zijn wat wij zijn. Ons leven
Wordt in de gloed geleefd van jeugdig falen,
Al is haar dadendrang ons om het even.
De dubbelheid ontbreekt ons voor het kijken
Hoe wij aanwezig zijn met ons bezit,
Proberend op het andere te lijken,
Het zien hoe onze wil aan touwtjes zit.
   Wij zijn een taal die niemand heeft geleerd,
   Als woorden van de wereld afgekeerd.


XXVI

The world is woven all of dream and error
And but one sureness in our truth may lie –
That when we hold to aught our thinking’s mirror
We know it not by knowing it thereby.
For but one side of things the mirror knows,
And knows it colded from its solidness.
A double lie its truth is: what it shows
By true show’s false and nowhere by true place.
Thought clouds our life’s day-sense with strangeness, yet
Never from strangeness more than that it’s strange
Doth buy our perplexed thinking, for we get
But the words’ sense from words – knowledge, truth, change,
   We know the world is false, not what is true.
   Yet we think on, knowing we ne’er shall know.


XXVI

De wereld weeft haar kleed uit droom en falen,
Terwijl de waarheid slechts één houvast biedt –
Wat wij ook voor de geestesspiegel halen,
Door het te kennen kennen we het niet.
Van elk ding kent die spiegel slechts één zijde,
Bekoeld van al zijn vastheid, die met zijn
Twee leugens elke waarheid wil misleiden:
Hij liegt het wezen en hij toont de schijn.
Ons denken dat aan al wat ons bevreemdt
Nooit meer ontleent dan vreemdheid, hult ons in
Bevreemding dag na dag, want elk verneemt
Van kennis, waarheid slechts in woord de zin.
   Onecht is ons bestaan, en wat is waar?
   Al peinzend speuren wij daar eeuwig naar.


XXVII

How yesterday is long ago! The past
Is a fixed infinite distance from to-day,
And bygone things, the first-lived as the last,
In irreparable sameness far away.
How the to-be is infinitely ever
Out of the place wherein it will be Now,
Like the seen wave yet far up in the river,
Which reaches not us, but the new-waved flow!
This thing Time is, whose being is having none,
The equable tyrant of our different fates,
Who could not be bought off by a shattered sun
Or tricked by new use of our careful dates.
   This thing Time is, that to the grave will bear
   My heart, sure but of it and of my fear.


XXVII

Hoe lang is gisteren voorbij! ’t Verleden
Blijft op een eindeloze afstand staan.
Vervlogen dingen, lang en kort geleden,
Al even onherstelbaar hier vandaan.
Oneindig ver verwijderd is van hier
Wat eenmaal tot een Heden worden moet,
Zoals de golf aanrolt in de rivier,
Niet ons bereikt, maar opgaat in de vloed.
Want dat is Tijd, die tijdloos door blijft lopen
En eender heerst over elks eigen lot,
Die een gebroken zon niet vrij kan kopen
Noch door een nieuwe datum wordt bedot.
   Want dat is Tijd, die ’t hart ten grave leidt
   Met enkel dat en angst als zekerheid.


XXVIII

The edge of the green wave whitely doth hiss
Upon the wetted sand. I look, yet dream.
Surely reality cannot be this!
Somehow, somewhere this surely doth but seem!
The sky, the sea, the great extent disclosed
Of outward joy, this bulk of world we feel,
Is not something, but something interposed.
Only what in this is not this is real.
If this be to have sense, if to be awake
Be but to see this bright, great sleep of things,
For the rarer potion mine own dreams I’ll take
And for truth commune with imaginings,
   Holding a dream too bitter, a too fair curse,
   This common sleep of men, the universe.


XXVIII

Het randje van de groene golf sist wit
Op ’t natte zand. Ik droom, terwijl ik kijk.
Voorwaar, de werkelijkheid is toch niet dit!
Hoe het ook zij, dit is niet wat het lijkt!
De lucht, de zee, het onbeperkt verbreide
Van vreugd, de wereldmassa waar wij naar
Kijken, is niet iets, maar iets tussenbeide.
Slechts wat hierin iets anders is, is waar.
Als dit iets voorstelt, als ik in mijn waken
Die helderheid, de slaap der dingen zie,
Laat mij dan maar mijn eigen dromen smaken
En waarheid putten uit mijn eigen fantasie,
   Die al te bitter droomt, vol schoon verwensen,
   Heelal, o dagelijkse slaap der mensen.


XXIX

My weary life, that lives unsatisfied
On the foiled off-brink of being e’er but this,
To whom the power to will hath been denied
And the will to renounce doth also miss;
My sated life, with having nothing sated,
In the motion of moving poisèd aye,
Within its dreams from its own dreams abated –
This life let the Gods change or take away.
For this endless succession of empty hours,
Like deserts after deserts, voidly one,
Doth undermine the very dreaming powers
And dull even thought’s active inaction,
   Tainting with fore-unwilled will the dreamed act,
   Twice thus removed from the unobtained fact.


XXIX

Mijn lusteloos bestaan, dat onverzadigd
Nog juist binnen zijn eigen marge leeft,
Dat met geen wilskracht ooit werd begenadigd
Noch ook de kracht om niet te willen heeft;
Mijn volle leven, vol van zijn tekort,
Dat in zijn voortgang al maar stil blijft staan
En in en door zijn droom gelenigd wordt –
Geef mij een ander lot of laat mij gaan.
Want door die holle uren in een stoet,
Gelijk woestijnen leeg en eindeloos,
Heeft zelfs de droom aan krachten ingeboet
En wordt het scherpste denken machteloos.
   Bevlekt door eerdere willoosheid staat
   Dubbel verwijderd de gedroomde daad.


XXX

I do not know what truth the shown untruth
Of this sad sense of the seen world may own,
Or if this flowered plant bears also a fruit
Unto the true reality unknown.
But as the rainbow, neither earth’s nor sky’s,
Stands in the dripping freshness of lulled rain,
A hope, not real yet not fancy’s, lies
Athwart the moment of our ceasing pain.
Somehow, since pain is felt, yet felt as ill,
Hope hath a better warrant than being hoped;
Since pain is felt as aught we should not feel,
Man hath a Nature’s reason for having groped,
   Since Time was Time and age and grief his measures,
   Towards a better shelter than Time’s pleasures.


XXX

Ik weet niet welke waarheid er gedijt
In dit vals wereldbeeld vol van verdriet,
Of aan de niet gekende werkelijkheid
De bloesemende plant ook vruchten biedt.
Maar zoals – ’s hemels noch aardes domein –
De regenboog in frisse nadrup staat,
Zo ligt er ook, niet echt en niet in schijn,
Hoop over pijn juist als die overgaat.
Omdat wij pijn als ziekte ondergaan,
Staat meer dan hopen onze hoop garant;
Omdat de pijn geen recht heeft van bestaan,
Heeft de Natuur de mens ooit ingeplant,
   Sinds tijd als Tijd bestaat en leed als leven,
   Om nooit naar Tijdelijk genot te streven.


XXXI

I am older than Nature and her Time
By all the timeless age of Consciousness,
And my adult oblivion of the clime
Where I was born makes me not countryless.
An exile’s yearnings through my thoughts escape
For daylight of that land where once I dreamed,
Which I cannot recall in colour or shape
But haunts my hours like something that hath gleamed
And yet is not as light rememberèd,
Nor to the left or to the right conceived;
And all round me tastes as if life were dead
And the world made but to be disbelieved.
   Thus I my hope on unknown truth lay; yet
   How but by hope do I the unknown truth get?


XXXI

Ouder dan de Natuur en dan haar Tijd
Ben ik, zo is Bewustzijn leeftijdloos.
Mijn land van herkomst werd vergetelheid,
Al maakt mij dat nog niet tot statenloos.
De ballingschap breekt in mijn denken vrij
Naar waar het daglicht in mijn dromen scheen.
De kleur of vorm ervan staat mij niet bij,
Maar spookt als schitter door mijn uren heen,
Iets dat mij niet als licht is bijgebleven,
Dat niet naar links of rechts is voorbedacht
En om mij heen smaakt naar de dood het leven,
Aan ongeloof ontleent de schepping kracht.
   In nieuwe waarheid ligt mijn hoop; maar hoe
   Dan door de hoop valt mij die waarheid toe?


XXXII

When I have sense of what to sense appears,
Sense is sense ere ’tis mine or mine in me is.
When I hear, Hearing, ere I do hear, hears.
When I see, before me abstract Seeing sees.
I am part Soul part I in all I touch –
Soul by that part I hold in day with all,
And I the unsunned part, that doth make sense such
As I can err by it and my sense mine call.
The rest is wondering what these thoughts may mean,
That come to explain and suddenly are gone,
Like messengers that mock the message’ mien,
Explaining all but the explanation;
   As if we a ciphered letter’s cipher hit
   And find it in an unknown language writ.


XXXII

Wanneer ik voel wat het gevoel bereikt,
Is dat gevoel, voor het mij toebehoort.
Voordat ik zie is er het Zien dat kijkt,
Eer ik hoor, is er het Gehoor dat hoort.
Deels Ziel deels ik ben ik in wat ik voel –
Ziel die met allen dagelijks verkeert
En ik de schaduw, die mij een gevoel
Van richting geeft dat mijn gevoel regeert.
Verbazing rest over wat dit beduidt,
Dat als een uitleg komt en toch niets zegt,
Zo lacht de boodschapper de boodschap uit,
Want slechts de uitleg wordt niet uitgelegd.
   Als wie een code-boodschap weet te breken
   En in een onbekende taal blijft steken.


XXXIII

He that goes back does, since he goes, advance,
Though he doth not advance who goeth back,
And he that seeks, though he on nothing chance,
May still by words be said to find a lack.
This paradox of having, that is nought
In the world’s meaning of the thing it screens,
Is yet true of the substance of pure thought
And there means something by the nought it means.
For thinking nought does on nought being confer,
As giving not is acting not to give,
And, to the same unbribed true thought, to err
Is to find truth, though in its negative.
   So why call this world fase, if falsity
   Be aught, and being aught Being to be?


XXXIII

Al lopend komt wie teruggaat toch vooruit,
Vooruit komt niet wie aan het teruggaan is
En hij die zoekt, hoewel hij op niets stuit,
Doet toch in woord de vondst van een gemis.
Die paradox van het bezit, die in
Der dingen wereldlijk gebruik niet telt,
Verleent wel aan het zuiver denken zin,
Daar geldt hij juist omdat hij als niets geldt.
Niets denken geeft aan niets een heus bestaan,
Zo is niet-geven niettemin een daad.
Wie dwaalt, raakt in dit kreukloos denken aan
De waarheid, maar in omgekeerde staat.
   Bestaat dus valsheid als iets echts? Ja, als
   Dat waar is, wie noemt dan de wereld vals?


XXXIV

Happy the maimed, the halt, the mad, the blind –
All who, stamped separate by curtailing birth,
Owe no duty’s allegiance to mankind
Nor stand a valuing in their scheme of worth!
But I, whom Fate, not Nature, did curtail,
By no exterior voidness being exempt,
Must bear accusing glances where I fail,
Fixed in the general orbit of contempt.
Fate, less than Nature in being kind to lacking,
Giving the ill, shows not as outer cause,
Making our mock-free will the mirror’s backing
Which Fate’s own acts as if in itself shows;
   And men, like children, seeing the image there,
   Take place for cause and make our will Fate bear.


XXXIV

Gelukkig hij die lam is, mank, gek, blind –
Al wie, apart gezet in zijn tekort,
Geen plichten aan de mensheid bindt
Noch op haar waardenschaal beoordeeld wordt!
Door ’t lot, niet door Natuur verminkt, krijg ik
In mijn mislukking menig boze blik,
Rondom geworpen uit neerbuigendheid.
Het Lot duldt minder dan Natuur gebrek,
De reden van zijn kwalen toont zich niet.
Achter de spiegel krijgt de wil zijn plek,
Waarin het Lot zijn eigen daden ziet.
   Als kinderen zien mensen in dat beeld
   De last die ons als Lot wordt toebedeeld.


XXXV

Good. I have done. My heart weighs. I am sad.
The outer day, void statue of lit blue,
Is altogether outward, other, glad
At mere being not-I (so my aches construe).
I, that have failed in everything, bewail
Nothing this hour but that I have bewailed,
For in the general fate what is ’t to fail?
Why, fate being past for Fate, ’tis but to have failed.
Whatever hap or stop, what matters it,
Sith to the mattering our will bringeth nought?
With the higher trifling let us world our wit,
Conscious that, if we do’t, that was the lot
   The regular stars bound us to, when they stood
   Godfathers to our birth and to our blood.


XXXV

Het is volbracht. Mijn hart is zwaar. Ik treur.
De dag is buiten, algeheel apart,
Leeg standbeeld in een lichtend blauwe kleur,
Al blij met niet mij-zijn (zo wil mijn smart).
Ik, die in alles heb gefaald, beklaag
Op dit moment niets anders mijn klagen.
Hoe faalt men in zijn lot? Dat is de vraag.
Het Lot bepaalt ons lot om niet te slagen.
Of het geluk ons niet toevalt of wel,
Wat maakt het uit? De wil brengt niets teweeg.
Al wie zijn geest bestemt tot hoger spel,
Gehoorzaamt aan de opdracht die hij kreeg
   Van alle sterren die hem aan zich bonden
   Toen zij beschermend om zijn wieg heenstonden.

_______________
De vertalingen worden hier gepubliceerd met de eenmalige toestemming tot 1 december 2014 van Uitgeverij De Arbeiderspers en zijn afkomstig uit Fernando Pessoa, Heimwee naar vereeuwiging (vertaald door Maarten Asscher). Amsterdam: De Arbeiderspers, 2010
Maarten Asscher (1957) is schrijver, jurist en directeur van de Athenaeum Boekhandel in Amsterdam Hij werkte verder als uitgever, kunstambtenaar, recensent en columnist o.a. voor Vrij Nederland en het tv-programma Buitenhof. Eerder publiceerde hij onder meer een roman (Het uur en de dag, 2005) en een boek over Nederland (H2Olland. Op zoek naar de bronnen van Nederland, 2009). Net nieuw: Appels en peren. Lof van de vergelijking.