De auteur die me, alweer te veel jaren
geleden, redactioneel met raad en daad terzijde stond tijdens het schrijven van
mijn roman die, mede dankzij hem, in 2009 onder de titel Oorlogskind
mocht verschijnen, overhandigde me bij zijn recente bezoek hier in Ticino een
qua omvang bescheiden boek met de woorden: ‘Benieuwd naar wat je ervan, maar
ook erin vindt.’
Over
het vinden in de betekenis van oordelen wil ik het hier niet hebben, wel over
dat in de betekenis van aantreffen. Ik meende gaandeweg zowel zijn eigen werk
als zijn literaire voorkeuren goed genoeg te hebben leren kennen, om zijn
opmerking als uitdaging aan te durven nemen. En als een welkome bezigheid in
mijn meestal vrij eenzame dagen.
Bij
mijn speurwerk bleek de novelle Nietsdankussen van Cinthia Winter
allereerst een soort tegenhanger of -hangster te zijn van een grote
internationaal bekende, roemruchte roman, zowel qua omvang als vertelstandpunt,
maar ook, en niet in de laatste plaats, wat betreft een al dan niet happy
ending. Al gauw werd me echter duidelijk dat een andere, juist nauwelijks
of niet bekende roman, als het ware daar overheen, een wellicht nog
belangrijkere invloed op deze novelle moet hebben gehad. Ik zat naar buiten te
staren, peinzend over hoe ik de verhouding van deze novelle tot die roman zou
kunnen omschrijven, toen ik de wassende maan boven Lugano zag opkomen en dacht
te weten dat die mogelijkerwijs ooit min of meer uit de aarde was ontstaan – en
de woorden ‘satelliet’ en ‘trawant’ schoten me te binnen.
Vanzelfsprekend
zijn er de nodige verschillen tussen die roman en de novelle, die maar liefst
zo’n zesendertig jaar later is verschenen. Niet alleen in stilistisch opzicht.
Zo speelt de breuk tussen de de mannelijke verteller en diens vrouwelijke
partner, die in de roman veel aandacht krijgt, in de novelle zo goed als geen
rol. Maar zoals het me hier niet te doen is om een stilistisch kritische
beoordeling, gaat het me ook niet om een inhoudelijke interpretatie. Die laat
ik graag aan de individuele lezer over. Wel wil ik die lezer middels deze
annotaties wat meer wegwijs maken binnen zijn of haar lectuur van Nietsdankussen.
Niet omdat de novelle anders ontoegankelijk zou zijn – verre van dat, ze is
zonder meer als zelfstandige uitgave te lezen –, maar omdat de extra informatie
de lectuur nog kan intensiveren en meer over de ‘bedoeling’ of de ‘rol’ van
deze ‘trawant’ aan het licht zou kunnen brengen.
Ik
wil er nog op wijzen dat ik allerminst pretendeer met deze annotaties volledig
te zijn. Anderzijds heb ik geprobeerd te vermijden al te speculatief te werk te
gaan. Zo zou ik hebben kunnen opmerken dat de romantitel en de novelletitel
niet alleen met dezelfde letter beginnen, maar evenveel lettergrepen en zelfs
evenveel letters tellen, te weten 14. De suggestie die daarvan zou kunnen
uitgaan lijkt echter te zeer gebaseerd op mogelijk toeval. Zoals het getal 18
van het standafgangnummer naar standpaviljoen Thalassa in Zandvoort eerst en
vooral een feitelijkheid is.
Monteforca, mei 2016
– de annotaties –
05/1 op het restant van een muurtje – De
hier beschreven scène komt sterk overeen met, maar is ook, qua chronologie en
personages, precies tegenovergesteld aan die in Vladimir Nabokov, Lolita
(1955), waar Humbert Humbert vertelt over zijn korte maar hevige verliefdheid
in de zomervakantie van 1923 als jongen van dertien op de ongeveer even oude
Annabel Leigh aan de Franse Rivièra.
De naam van deze Annabel Leigh is overigens weer een zinspeling op de
Annabel Lee van het gelijknamige gedicht van Edgar Allan Poe uit 1849, met deze
openingsregels: ‘It was many and many a year ago, / In a kingdom by the sea,
/ That a maiden there lived whom you may know / By the name of Annabel Lee; – /
And this maiden she lived with no other thought / Than to love and be loved by
me. // She was a child and I was a child, / In this kingdom by the sea, / But
we loved with a love that was more than love –.’
In Nietsdankussen gaat het echter niet
om een jeugdherinnering maar om toekomstwens, en is niet de mannelijke maar de
vrouwelijke partij aan het woord.
Lolita,
deel 1, hoofdstuk 4: ‘In een mimosabosje (…) vonden we een plek waar we konden
zitten, bovenop een vervallen lage stenen muur. (…) Een sterrengroep straalde
bleekjes boven ons, tussen de contouren van lange, doorzichtige bladeren. De
trillende lucht scheen even naakt te zijn als zij was onder haar dunne jurk. Ik
zag haar gezicht in de hemel, vreemd veraf, alsof het een eigen glans
uitstraalde. (…) en toen mijn hand had gevonden wat zij zocht kwam er een
dromerige en angstige uitdrukking, half genot, half pijn, over die kinderlijke
gelaatstrekken. (…) Zij klemde mijn pols tussen haar naakte knieën om daarna
weer te ontspannen. (…) Een plotselinge beweging in een nabij bosje voorkwam
dat het sap van mijn hartstocht de vrije loop nam (…).’
Geciteerd
naar de eerste Nederlandse vertaling van M. Coutinho, 1958.
In
Nietsdankussen wordt hier en daar het origineel letterlijker genomen,
zoals in het geval van ‘a nervous and slender-leaved mimosa grove’: de
mimosa heeft zeer gevoelige bladeren die zich bijvoorbeeld bij aanraking
dichtvouwen (seismonastie).
Overigens
zag Humbert Humbert zijn Annabel nooit terug; ze stierf aan tyfus op Korfoe.
06/1 Hooguit enkele – Vergelijk Huub
Beurskens, Noordzeepalmen (roman, Amsterdam 1980; hier verder aangeduid
met NZP), bijvoorbeeld p. 14: ‘Nu is alleen de bovenlaag van het zand los, door
de wind. Opgeslagen kraag. Haast niemand, wat stervelingen hoogstens.’
07/1 de krant – Deze twee krantenkoppen
plus de advertentie stonden op de voorpagina van NRC Handelsblad van vrijdag
30 april 2010 (Koninginnedag); op zaterdag 1 mei 2010 verscheen er geen editie.
08/1 verzachten mijn blik – Ook van het
meisje Michelle in NZP wordt enkele keren opgemerkt dat ze een harde blik kan
hebben, zoals op pagina 20: ‘Als zij glimlachte deed ze dat met de ogen en
hield ze de mond strak, of ze glimlachte met de mond en hield de ogen koel.’
08/2 bij de dashboardverlichting –
‘Paradise by the Dashboard Light’ (1978) van Meat Loaf, samen met de zangeres
Ellen Foley. Het nummer stond in Nederland wekenlang hoog in de hitlijsten.
09/1 aan de natte tafeltjes – NZP p. 39:
‘(…) de keuvelende leerlingen aan de tafeltjes die telkens binnen vijf minuten
grote hoeveelheden chips en pinda’s verorberden. De verliefde knaap.’ De
locaties en situaties van zo’n avond in Nietsdankussen en NZP zijn
dezelfde. NZP p. 72: ‘Op een schoolavond waar ik haar niet verwachtte omdat het
feest was georganiseerd voor de hogere klassen, waar zij zich toch naar binnen
had weten te smokkelen.’
10/1 Aanvankelijk amusant – De scène komt,
gezien vanuit de optiek van de docent Johan Adelaar in NZP voor op pagina’s
40-41: ‘(…) de jongen (…) probeerde haar te zoenen of om het middel te pakken
(…) Soms even leek ze om mijn hulp te smeken, maar vermoedelijk besefte ze
tegelijkertijd dat ik geen hand zou uitsteken. Lag je maar met mij in bed. (…)
En ik stak pas een hand uit toen de jongen uiteindelijk achterover tussen de
tafeltjes en stoelen sloeg, drie meter verwijderd van zijn brilletje met
zilvermontuur dat ik vond via een geluid onder mijn voet.’
10/2 If you want my body – Woorden uit ‘Da
Ya Think I’m Sexy?’ van Rod Stewart, afkomstig van zijn lp Blondes Have More
Fun (1978). Vergelijk NZP, p. 15: ‘En tijdens het feest, laat op de avond,
op het zwak verlichte dansvloertje, met de muziek van Rod Stewart of The Three
Degrees (maar ik weet zeker dat het Stewart was) gingen mijn vingers door haar
haren (…).’
11/1 Een minieme hoofdbeweging – NZP, p.
42: ‘Er was maar een kleine beweging van mijn hoofd nodig om haar op het
dansvloertje te krijgen. Rod Stewart. Gekleurde lampen die op de maat van de
muziek uit en aan knipperden (…). En voordat zij, een paar minuten later, weer
van het vloertje kon verdwijnen zoals alle anderen plotseling en in haast en
angst en toch met even hoop vertrokken toen de eerste tonen van een
schuifelnummer inzetten, dansten wij, tegen elkaar gedrukt, if loving you is
wrong, I don’t want to be right, en dansten alleen, voelden elkaar voor het
eerst, alsof we nooit anders gevoeld hadden, of alsof we er die hele avond,
avonden, dagen, jaren misschien, naar gehunkerd had een elkaar opnieuw te
voelen. En dat “alsof” was zelfs niet aanwezig.’
11/2 If loving you is wrong – ‘If Loving
You Is Wrong’, song door verschillende artiesten uitgevoerd, zoals door Luther
Ingram, The Faces en Millie Jackson; ook door Rod Stewart, maar pas in 1980.
Zie ook 10/2 en 11/1.
11/3 achter door mijn haar – Zie 10/2
11/4 If I can’t see you when I want to –
Uit: ‘If Loving You is wrong’; zie 11/2.
11/5 Meatloaf – Zie 08/1.
11/6 Toen praktisch iedereen vertrokken was
– NZP p. 43: ‘Toen alle leerlingen naar huis waren, wachtte ik buiten, dat wil
zeggen, ik prutste aan mijn fietsslot, liet het sleuteltje zeven maal vallen en
bood hij aan een eindje mee te lopen omdat het donker was en al zo laat. En ik
nam me voor haar vanavond niet aan te raken, zelfs niet bij het afscheid
nemen.’
Afgaande
op Nietsdankussen, waar de moeder van Cinthia immers komt opdagen om
haar dochter af te halen, is dat aanbieden om ‘een eindje mee te lopen’ een
fantasiewens van Adelaar. Typisch is ook dat de verteller in NZP niet alleen
van tijd tot tijd in de jij-vorm overgaat en zich rechtstreeks richt tot het
geliefde meisje, dat hier Michelle heet, net zoals Cinthia als vertelster zich
in Nietsdankussen op bepaalde momenten direct tot Borgman wendt, maar
dat hij zelfs haar, Michelle, in de ik-vorm aan het woord laat. Zoals in het
hier geciteerde fragment. Om dan abrupt weer zijn ‘eigen’ ik-vorm op te pakken.
12/1 Ik heb altijd de indruk gehad –
Vergelijk met betrekking tot de vroege dood van Cinthia’s vader die van
Michelle’s vader in NZP p. 51: ‘En ook Michelle had nauwelijks herinneringen,
niet eens aan haar vader die overleden was, zei ze, toen ze zes of zeven was.’
Overigens
verloor ook de op 1 januari 1935 geboren Lolita haar vader vroeg.
13/1 menige kostganger bij ons over de vloer
– In Lolita verhuurt de weduwe Charlotte Haze-Becker, de moeder van
Dolores/Lolita, in mei 1947 in Ramsdale (New England) een kamer aan Humbert
Humbert, die na enige tijd met haar trouwt om in de nabijheid van haar dochter
te kunnen zijn.







