LONI LUCATONI-WOLF - ANNOTATIES BIJ 'NIETSDANKUSSEN'




De auteur die me, alweer te veel jaren geleden, redactioneel met raad en daad terzijde stond tijdens het schrijven van mijn roman die, mede dankzij hem, in 2009 onder de titel Oorlogskind mocht verschijnen, overhandigde me bij zijn recente bezoek hier in Ticino een qua omvang bescheiden boek met de woorden: ‘Benieuwd naar wat je ervan, maar ook erin vindt.’

            Over het vinden in de betekenis van oordelen wil ik het hier niet hebben, wel over dat in de betekenis van aantreffen. Ik meende gaandeweg zowel zijn eigen werk als zijn literaire voorkeuren goed genoeg te hebben leren kennen, om zijn opmerking als uitdaging aan te durven nemen. En als een welkome bezigheid in mijn meestal vrij eenzame dagen.

            Bij mijn speurwerk bleek de novelle Nietsdankussen van Cinthia Winter allereerst een soort tegenhanger of -hangster te zijn van een grote internationaal bekende, roemruchte roman, zowel qua omvang als vertelstandpunt, maar ook, en niet in de laatste plaats, wat betreft een al dan niet happy ending. Al gauw werd me echter duidelijk dat een andere, juist nauwelijks of niet bekende roman, als het ware daar overheen, een wellicht nog belangrijkere invloed op deze novelle moet hebben gehad. Ik zat naar buiten te staren, peinzend over hoe ik de verhouding van deze novelle tot die roman zou kunnen omschrijven, toen ik de wassende maan boven Lugano zag opkomen en dacht te weten dat die mogelijkerwijs ooit min of meer uit de aarde was ontstaan – en de woorden ‘satelliet’ en ‘trawant’ schoten me te binnen.

            Vanzelfsprekend zijn er de nodige verschillen tussen die roman en de novelle, die maar liefst zo’n zesendertig jaar later is verschenen. Niet alleen in stilistisch opzicht. Zo speelt de breuk tussen de de mannelijke verteller en diens vrouwelijke partner, die in de roman veel aandacht krijgt, in de novelle zo goed als geen rol. Maar zoals het me hier niet te doen is om een stilistisch kritische beoordeling, gaat het me ook niet om een inhoudelijke interpretatie. Die laat ik graag aan de individuele lezer over. Wel wil ik die lezer middels deze annotaties wat meer wegwijs maken binnen zijn of haar lectuur van Nietsdankussen. Niet omdat de novelle anders ontoegankelijk zou zijn – verre van dat, ze is zonder meer als zelfstandige uitgave te lezen –, maar omdat de extra informatie de lectuur nog kan intensiveren en meer over de ‘bedoeling’ of de ‘rol’ van deze ‘trawant’ aan het licht zou kunnen brengen.

            Ik wil er nog op wijzen dat ik allerminst pretendeer met deze annotaties volledig te zijn. Anderzijds heb ik geprobeerd te vermijden al te speculatief te werk te gaan. Zo zou ik hebben kunnen opmerken dat de romantitel en de novelletitel niet alleen met dezelfde letter beginnen, maar evenveel lettergrepen en zelfs evenveel letters tellen, te weten 14. De suggestie die daarvan zou kunnen uitgaan lijkt echter te zeer gebaseerd op mogelijk toeval. Zoals het getal 18 van het standafgangnummer naar standpaviljoen Thalassa in Zandvoort eerst en vooral een feitelijkheid is.



Monteforca, mei 2016


– de annotaties –


05/1 op het restant van een muurtje – De hier beschreven scène komt sterk overeen met, maar is ook, qua chronologie en personages, precies tegenovergesteld aan die in Vladimir Nabokov, Lolita (1955), waar Humbert Humbert vertelt over zijn korte maar hevige verliefdheid in de zomervakantie van 1923 als jongen van dertien op de ongeveer even oude Annabel Leigh aan de Franse Rivièra.
            De naam van deze Annabel Leigh is overigens weer een zinspeling op de Annabel Lee van het gelijknamige gedicht van Edgar Allan Poe uit 1849, met deze openingsregels: ‘It was many and many a year ago, / In a kingdom by the sea, / That a maiden there lived whom you may know / By the name of Annabel Lee; – / And this maiden she lived with no other thought / Than to love and be loved by me. // She was a child and I was a child, / In this kingdom by the sea, / But we loved with a love that was more than love –.’
            In Nietsdankussen gaat het echter niet om een jeugdherinnering maar om toekomstwens, en is niet de mannelijke maar de vrouwelijke partij aan het woord.
            Lolita, deel 1, hoofdstuk 4: ‘In een mimosabosje (…) vonden we een plek waar we konden zitten, bovenop een vervallen lage stenen muur. (…) Een sterrengroep straalde bleekjes boven ons, tussen de contouren van lange, doorzichtige bladeren. De trillende lucht scheen even naakt te zijn als zij was onder haar dunne jurk. Ik zag haar gezicht in de hemel, vreemd veraf, alsof het een eigen glans uitstraalde. (…) en toen mijn hand had gevonden wat zij zocht kwam er een dromerige en angstige uitdrukking, half genot, half pijn, over die kinderlijke gelaatstrekken. (…) Zij klemde mijn pols tussen haar naakte knieën om daarna weer te ontspannen. (…) Een plotselinge beweging in een nabij bosje voorkwam dat het sap van mijn hartstocht de vrije loop nam (…).’
            Geciteerd naar de eerste Nederlandse vertaling van M. Coutinho, 1958.
            In Nietsdankussen wordt hier en daar het origineel letterlijker genomen, zoals in het geval van ‘a nervous and slender-leaved mimosa grove’: de mimosa heeft zeer gevoelige bladeren die zich bijvoorbeeld bij aanraking dichtvouwen (seismonastie).
            Overigens zag Humbert Humbert zijn Annabel nooit terug; ze stierf aan tyfus op Korfoe.

06/1 Hooguit enkele – Vergelijk Huub Beurskens, Noordzeepalmen (roman, Amsterdam 1980; hier verder aangeduid met NZP), bijvoorbeeld p. 14: ‘Nu is alleen de bovenlaag van het zand los, door de wind. Opgeslagen kraag. Haast niemand, wat stervelingen hoogstens.’

07/1 de krant – Deze twee krantenkoppen plus de advertentie stonden op de voorpagina van NRC Handelsblad van vrijdag 30 april 2010 (Koninginnedag); op zaterdag 1 mei 2010 verscheen er geen editie.
08/1 verzachten mijn blik – Ook van het meisje Michelle in NZP wordt enkele keren opgemerkt dat ze een harde blik kan hebben, zoals op pagina 20: ‘Als zij glimlachte deed ze dat met de ogen en hield ze de mond strak, of ze glimlachte met de mond en hield de ogen koel.’

08/2 bij de dashboardverlichting – ‘Paradise by the Dashboard Light’ (1978) van Meat Loaf, samen met de zangeres Ellen Foley. Het nummer stond in Nederland wekenlang hoog in de hitlijsten.

09/1 aan de natte tafeltjes – NZP p. 39: ‘(…) de keuvelende leerlingen aan de tafeltjes die telkens binnen vijf minuten grote hoeveelheden chips en pinda’s verorberden. De verliefde knaap.’ De locaties en situaties van zo’n avond in Nietsdankussen en NZP zijn dezelfde. NZP p. 72: ‘Op een schoolavond waar ik haar niet verwachtte omdat het feest was georganiseerd voor de hogere klassen, waar zij zich toch naar binnen had weten te smokkelen.’

10/1 Aanvankelijk amusant – De scène komt, gezien vanuit de optiek van de docent Johan Adelaar in NZP voor op pagina’s 40-41: ‘(…) de jongen (…) probeerde haar te zoenen of om het middel te pakken (…) Soms even leek ze om mijn hulp te smeken, maar vermoedelijk besefte ze tegelijkertijd dat ik geen hand zou uitsteken. Lag je maar met mij in bed. (…) En ik stak pas een hand uit toen de jongen uiteindelijk achterover tussen de tafeltjes en stoelen sloeg, drie meter verwijderd van zijn brilletje met zilvermontuur dat ik vond via een geluid onder mijn voet.’

10/2 If you want my body – Woorden uit ‘Da Ya Think I’m Sexy?’ van Rod Stewart, afkomstig van zijn lp Blondes Have More Fun (1978). Vergelijk NZP, p. 15: ‘En tijdens het feest, laat op de avond, op het zwak verlichte dansvloertje, met de muziek van Rod Stewart of The Three Degrees (maar ik weet zeker dat het Stewart was) gingen mijn vingers door haar haren (…).’

11/1 Een minieme hoofdbeweging – NZP, p. 42: ‘Er was maar een kleine beweging van mijn hoofd nodig om haar op het dansvloertje te krijgen. Rod Stewart. Gekleurde lampen die op de maat van de muziek uit en aan knipperden (…). En voordat zij, een paar minuten later, weer van het vloertje kon verdwijnen zoals alle anderen plotseling en in haast en angst en toch met even hoop vertrokken toen de eerste tonen van een schuifelnummer inzetten, dansten wij, tegen elkaar gedrukt, if loving you is wrong, I don’t want to be right, en dansten alleen, voelden elkaar voor het eerst, alsof we nooit anders gevoeld hadden, of alsof we er die hele avond, avonden, dagen, jaren misschien, naar gehunkerd had een elkaar opnieuw te voelen. En dat “alsof” was zelfs niet aanwezig.’

11/2 If loving you is wrong – ‘If Loving You Is Wrong’, song door verschillende artiesten uitgevoerd, zoals door Luther Ingram, The Faces en Millie Jackson; ook door Rod Stewart, maar pas in 1980. Zie ook 10/2 en 11/1.

11/3 achter door mijn haar – Zie 10/2

11/4 If I can’t see you when I want to – Uit: ‘If Loving You is wrong’; zie 11/2.

11/5 Meatloaf – Zie 08/1.

11/6 Toen praktisch iedereen vertrokken was – NZP p. 43: ‘Toen alle leerlingen naar huis waren, wachtte ik buiten, dat wil zeggen, ik prutste aan mijn fietsslot, liet het sleuteltje zeven maal vallen en bood hij aan een eindje mee te lopen omdat het donker was en al zo laat. En ik nam me voor haar vanavond niet aan te raken, zelfs niet bij het afscheid nemen.’
            Afgaande op Nietsdankussen, waar de moeder van Cinthia immers komt opdagen om haar dochter af te halen, is dat aanbieden om ‘een eindje mee te lopen’ een fantasiewens van Adelaar. Typisch is ook dat de verteller in NZP niet alleen van tijd tot tijd in de jij-vorm overgaat en zich rechtstreeks richt tot het geliefde meisje, dat hier Michelle heet, net zoals Cinthia als vertelster zich in Nietsdankussen op bepaalde momenten direct tot Borgman wendt, maar dat hij zelfs haar, Michelle, in de ik-vorm aan het woord laat. Zoals in het hier geciteerde fragment. Om dan abrupt weer zijn ‘eigen’ ik-vorm op te pakken.

12/1 Ik heb altijd de indruk gehad – Vergelijk met betrekking tot de vroege dood van Cinthia’s vader die van Michelle’s vader in NZP p. 51: ‘En ook Michelle had nauwelijks herinneringen, niet eens aan haar vader die overleden was, zei ze, toen ze zes of zeven was.’
            Overigens verloor ook de op 1 januari 1935 geboren Lolita haar vader vroeg.

13/1 menige kostganger bij ons over de vloer – In Lolita verhuurt de weduwe Charlotte Haze-Becker, de moeder van Dolores/Lolita, in mei 1947 in Ramsdale (New England) een kamer aan Humbert Humbert, die na enige tijd met haar trouwt om in de nabijheid van haar dochter te kunnen zijn.

CLARICE LISPECTOR - KRONIEKEN



KRONIEKEN
uit
DE ONTDEKKING VAN DE WERELD
gekozen en uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens

1967

19 augustus
stoute kinderen

Nee. Ik kan en mag niet denken aan de scène die ik me heb voorgesteld en die echt is. Zoontje heeft ’s nachts buikpijn van de honger en zegt tegen zijn moeder: mama, ik heb honger. Zij antwoordt zachtjes: ga slapen. Hij zegt: maar ik heb honger. Zij dringt aan: ga slapen. Hij zegt: ik kan niet slapen, ik heb honger. Zij herhaalt boos: ga slapen. Hij blijft aandringen. Zij snauwt met pijn in het hart: doe niet zo stout, ga slapen! Dan zwijgen ze beiden roerloos in het donker. Zou hij slapen, denkt zij klaarwakker. En hij is te bang om te klagen. Beiden liggen wakker in de don­kere nacht. Tot ze alle twee van vermoeidheid en verdriet wegsluimeren in het nest van de berusting. En ik kan niet tegen berusting. Ach, hoe verslind ik hongerig en gretig het verzet.


de verrassing

In de spiegel kijken en gefascineerd zeggen: Wat ben ik toch mysterieus. Zo sierlijk en sterk. En de lijn van mijn lippen heeft haar onschuld behouden. Er is geen man of vrouw die niet ooit terloops in de spiegel heeft gekeken en zich toen niet verbaasde over zichzelf. Gedurende een fractie van een seconde zie je jezelf als een object dat bekeken wordt. Dat heet waarschijnlijk narcisme, maar ik zou het bestaansvreugde willen noemen. Vreugde omdat je in de uiterlijke gedaante de echo’s terugvindt van je innerlijke gestalte: aha, het klopt dus, ik heb mezelf niet verzonnen maar ik besta echt.


doen alsof je denkt

De kunst van het risicoloze denken. Als het denken niet de weg van de emotie zou inslaan, zou het al lang geboekstaafd zijn als een van de manieren om je te vermaken. Je vrienden uitnodigen om een spelletje denken te doen gaat niet, omdat denken zo serieus wordt genomen. Je kunt ze het beste gewoon uitnodigen en dan zogenaamd stomtoevallig samen denken achter het masker van de woorden.
            Dat als het niet meer dan een spelletje blijft. Om echt diep na te denken – de hoogste graad van deze hobby – moet je alleen zijn. Want jezelf aan denken overgeven is een heftige emotie, en je hebt alleen de moed om in het bijzijn van een ‘ander’ te denken als het vertrouwen zo groot is dat je er niet voor terugschrikt om zo nodig het woord ‘ander’ te gebruiken. Bovendien wordt er veel geëist van iemand die bij je is als je aan het denken bent: hij moet over een groot hart en veel liefde beschikken, en zichzelf ook ooit hebben overgegeven aan het denken. Van iemand die woorden en stiltes beluistert wordt evenveel geëist als je van hem zou eisen wanneer het om voelen gaat. Of nee, dat is niet waar. Bij voelen ligt de lat hoger.
            Oké, maar denken als vermaak ligt door het ontbreken van risico’s binnen ieders bereik. Nou ja, enig risico kleeft er natuurlijk wel aan. Je hart kan na afloop bedrukt worden. Maar in het algemeen bestaat er geen enkel gevaar als je de nodige intuïtieve voorzorgsmaatregelen neemt.
            Als hobby heeft denken het voordeel dat je het bij uitstek overal en altijd kunt doen. Hoewel het in het luchtledige volgens mij nog het beste gaat. Bepaalde uren ’s middags bijvoorbeeld, wanneer het huis vol licht is maar door dat licht leeg lijkt, terwijl de hele stad trilt van arbeidsvlijt en alleen jijzelf thuis werkt zonder dat iemand het weet – de uren waarop je waardigheid hersteld zou worden als je een verstelbedrijf of een naaiatelier zou hebben – in die uren denk je. Als volgt: je begint gewoon waar je gebleven bent, zelfs al is het geen middag; alleen ’s nachts kun je er beter niet aan beginnen.
            Zo was ik bijvoorbeeld in de tijd dat we de was nog buitenshuis lieten doen een keer de lijst aan het opstellen. Misschien uit de gewoonte om titels te gebruiken, of omdat het schrift nieuw was en ik daar ineens zin in had, net als vroeger op school, schreef ik: lijst van... En precies op dat moment stak de lust om niet serieus te zijn de kop op. Dat is het eerste teken van de animus brincandi inzake denken als hobby. En ik schreef heel slim: lijst van gevoelens. Wat ik daarmee bedoelde zou ik later wel uitzoeken – een ander teken dat je op de goede weg bent is niet overstuur raken als je het niet begrijpt; je houding moet er een zijn van: ik verlies niets met wachten, ik verlies niets als ik het niet begrijp.
            En dus begon ik een lijstje op te stellen van gevoelens waarvan ik de naam niet ken. Als ik, heel lief, een cadeautje krijg van iemand die ik niet mag – hoe heet wat ik dan voel? Of het heimwee dat je hebt naar iemand van wie je niet meer houdt, dat verdriet en die wrok – hoe noem je die? Of ergens mee bezig zijn en ineens ophouden omdat je gegrepen wordt door een heerlijk, verfrissend nietsdoen, alsof het lichtschijnsel van een wonder is binnengevallen in de kamer: hoe noem je dat gevoel?
            Maar let wel. Soms begin je voor de grap te denken en ineens gaat het speelgoed met jou aan de haal. Dat is niet goed. Hooguit vruchtbaar.


26 augustus
zoveel moeite

EMMA KAFALENOS - EEN BUITENGEWONE EERSTE ROMAN



over alain robbe-grillets un régicide

Un régicide, voltooid in 1949, is de eerste roman van Alain Robbe-Grillet[1]. Daarvoor schreef hij slechts vijf gedichten, een kort verhaal dat verloren is gegaan, en een verslag van wat hij een ‘politieke’ reis naar Bulgarije in 1947 noemt.[2] Bijna dertig jaar nadat de roman werd geschreven, werd Un régicide eind september 1978 uitgegeven, gelijktijdig met Robbe-Grillets nieuwste roman, Souvenirs du triangle d’or, en een speciale uitgave van Obliques, gewijd aan Robbe-Grillets werk en met een aantal niet eerder gepubliceerde teksten (waaronder drie van de vijf gedichten en het verslag van de Bulgaarse reis). Un régicide is een buitengewone eerste roman.
         Waarschijnlijk werd de roman destijds niet uitgegeven omdat hij als te moeilijk werd beschouwd. Robbe-Grillet legde zich neer bij de beslissing van de uitgever aan wie hij zijn manuscript had voorgelegd, en schreef en publiceerde Les Gommes. Hij overwoog vervolgens om die eerste roman te herzien, maar in plaats ervan begon hij aan Le Voyeur. Pas nadat hij La Jalousie afhad, vertelt hij in zijn inleiding tot Un régicide, ging hij weer serieus naar zijn eerste roman kijken. En hij herschreef de pagina’s vier tot en met tien van de tekst, en veranderde de naam van zijn protagonist van Philippe in Boris (iets wat in elk geval mij doet denken aan de passiviteit en het uiteindelijke lot van Gide’s jonge vreemdeling in Les Faux-monnayeurs.) Het is deze versie van de tekst, met daarin de wijzigingen uit 1957, en met verder slechts hier en daar een woordwijziging of een aangepast interpunctie, die nu eindelijk is verschenen.
         Een van de moeilijkheden bij het lezen van Un régicide nu, is het om de roman te plaatsen in de literaire wereld van de jaren veertig (en om alles te vergeten wat daarna gebeurd is). L’Étranger van Camus verscheen in 1942. De karaktertekening van Meursault heeft duidelijk bepaalde aspecten van Boris beïnvloed, de potentiële koningsmoordenaar die een koningsmoord beraamt (het woord ‘regicide’ staat in zowel het Frans als het Engels voor dader én daad). Het besluit van Boris om zijn koning te doden komt voort uit zijn verlangen naar een intieme relatie met zijn vorst. Nadat hij de mogelijkheid om de huisknecht of een van de lijfwachten van de koning te worden heeft verworpen, omdat zoiets niet intiem genoeg zou zijn, richt Boris zich op manslag als een ‘band die stevig is, en in zekere zin afdoend’ (p. 80-81). Ondanks de overeenkomst qua motief tussen het misdrijf van Meursault en het geplande misdrijf van Boris, is Un régicide een heel wat modernere roman dan L’Étranger. In die laatste bestaat er geen twijfel over dat er een man werd vermoord; de speculaties draaien rond de motieven voor de moord. De lezer van Un régicide blijft in het ongewisse, op het einde van de roman, of de koning nu leeft of dood is, en als hij dood is, of Boris zijn moordenaar was.
         Inmiddels raken we gewend aan tegenstrijdige plots in fictie. In La Jalousie (1957) suggereert Robbe-Grillet zowel de dood van Franck en A… ten gevolge van een auto-ongeluk, als hun veilige terugkeer van hun uitstapje. Maar zelfs in die latere roman kan de lezer de contradictie nog altijd beredeneren en de scène van het ongeluk uitleggen als iets wat alleen bestaat in de overspannen verbeelding van de verteller gedurende de nacht die A… ver van huis doorbrengt met Franck. Er zijn maar weinig lezers die serieus betwijfelen of Franck en A… op het einde van de roman nog in leven zijn. Maar vanaf 1961, in Le Parc van Philippe Sollers, was het niet meer mogelijk de tegenstrijdige plot rationeel uit te leggen. In die roman sterft de volwassen ‘hij’, de goede vriend van ik-verteller. Zijn dood wordt echter op zoveel manieren beschreven dat lezers geen van die wijzen van sterven waarschijnlijker kan vinden dan de andere. In La Maison de rendez-vous (1965) en latere romans maakt Robbe-Grillet ook volop gebruik van die nieuwe techniek.

RAINER MARIA RILKE - DE UITSTALLING VAN DE VISHANDELAAR


(Napels)

Op het licht hellende marmeren blad liggen ze gegroepeerd, sommige op de natte steen, met wat zwartachtig wier eronder, andere in door vocht donker geworden platte spanen manden. Zilver geschubde, met een erbij, rond en omhoog gebogen, als een zwaardarm in een blazoen, zodat het zilver zich om hem spant en glinstert. Zilver geschubde, die dwars liggen, als van oud zilver, zwartachtig uitgeslagen, en daarover een die met zijn bek naar voren lijkt te zijn teruggekeerd, ontsteld, uit de haven achter hem. Wanneer je die bek eenmaal hebt waargenomen, dan zie je er, daar en daar, nog zo een, en een andere, gauw deze kant op gedraaid, klagend. (Dat je het ‘klagend’ zou willen noemen, komt wellicht doordat de plek waar de stem vandaan komt onmiddellijk stomheid uitdrukt, een beeld ervan …) En nu zoek je, misschien vanwege een reflectie van je, hun ogen. Al deze vlakke, zijdelings neergelegde, als met horlogeglazen bedekte ogen, waar de onder water zwemmende beelden tegenaan zijn gedreven, zo lang ze keken. Ze waren toen niet anders, net zo onverschillig zonder blik: want blikken werden niet door het water meegevoerd. Net zo oppervlakkig en ondiep, leeg naar buiten gekeerd, als koetslantaarns overdag. Maar meegedragen door weerstand en beweging van die dichtere wereld, wierpen ze, soepel en zeker, tekening na tekening, wenk en wending in een ons onbekend bewustzijn. Stil en zeker zwommen ze maar vanuit het zuivere besluit, zonder het te verraden; stil en zeker stonden ze dagenlang tegen de stroming in, door haar omspoeld, door schaduwscholen verdonkerd. Maar nu zijn ze gedoofd uit de lange strengen van hun kijken, plat neergelegd, zonder dat het daardoor mogelijk is erin binnen te dringen. De pupil als met een zwarte stof overtrokken, het omboordsel opgebracht als het fijnste bladgoud. Met schrik, zoals wanneer je op iets hards bijt, ervaar je de ondoordringbaarheid van deze ogen –, en opeens heb je de indruk, terwijl je het plateau overziet, voor niets dan steen en metaal te staan. Alles wat gebogen is ziet er hard uit, en de hoeveelheid staalglanzende, priemvormige vissen ligt er koud en zwaar bij als een hoeveelheid gereedschappen, waarmee andere, die er als stenen uitzien, gepolijst zijn. Want die liggen ernaast: ronde, gladde agaten, bruin, bleek en goud dooraderd, stroken roodachtig-wit marmer, stukken jade met zorgvuldig geslepen welvingen, deels bewerkte topazen, bergkristal met kantwerk van amethist, opalen van kwallen. En een heel dun laagje resterend water ligt nog over alles, en dat scheidt ze van dit licht, waarin ze vreemd zijn, gesloten, houders die men vergeefs heeft proberen te openen.

            vertaling E. Zykov
______________________
Dit ‘Gedicht in Prosa’ schreef Rilke ergens rond de jaarwisseling van 1906/07 in Napels, om het korte tijd later in Capri nog eens door te nemen.

DOBRIŠA CESARIĆ - GEDICHTEN



vertaald en ingeleid door Hans Verschoor

                                           DOBRIŠA CESARIĆ (1902-1980) 
          SLAVOONSE MEESTER VAN HET MELANCHOLIEKE MINIATUUR
 
Dobriša Cesarić (spreek uit: Dobrisja Tsesaritsj) zocht het in de beperking. Een dichtpraktijk van meer dan een halve eeuw leverde nauwelijks meer dan honderd gedichten op en die gedichten tellen zelden meer dan drie strofen, een regel zelden meer dan vijf woorden. Zo'n zesduizend woorden, is dat de rechtvaardiging voor een bestaan?
            De gedichten van deze ambtenaar en docent (collega-dichters sloten zich tijdens het fascistische regime bij de partizanen aan, Cesarić bleef op zijn ambtenarenpost) doen denken aan zijn vijftien jaar oudere tijdgenoot J.C. Bloem: weemoedige melancholie. Maar het palet maakt een subtielere en veelkleurigere indruk, en dat maakt het bekijken van deze gedichten interessant.
            In eerste instantie lijkt een verwijt van Gerrit Komrij aan Bloem ook hier op te gaan: heel veel stop- en poetslappen tussen de pareltjes. En ook Cesarić' vertaler moest hier en daar de neiging onderdrukken om wat ingenieuzers in te zetten, zodat de lezer ziet dat zijn protegee echt niet zo oppervlakkig is. De beschuldiging van rijmelarij is bij nader inzien een valkuil, waarbij de dichter er misschien ook wel op hoopt dat men erin trapt. Het is bewust geconstrueerde argeloosheid. Door de zaken zo eenvoudig voor te stellen (simpele woorden,  simpele beelden, simpel rijm) leidt de dichter je uit het kader van het gedicht in de sfeer van de vanzelfsprekendheid. Met zachte hand worden we geleid in een wereld zonder taal, zonder construerende dichter, zonder bedoeling, zonder interpretatieschema. Wat overblijft is een beeld, of misschien een ervaring, losgezongen van de intenderende dichter en de interpreterende lezer. Daarmee hebben deze gedichten wel wat weg van het werk van naïeve schilders als Ivan Generalić, Franjo Mraz en Mirko Virius, wereldberoemd geworden tijdgenoten, actief in de aanpalende streek Podravina. Ook bij hun werk twijfel je. Is het realistisch? Nee. Is het surrealistisch? Romantisch? Nee. Ja en nee. Eerder lijkt het voor-conceptioneel te zijn, als afkomstig uit een sfeer vóór de gearticuleerde keuze.
            Deze vanzelfsprekende, bijna onpersoonlijk existerende ervaring is natuurlijk een constructie. Het vreemde is dat de enorme vormvastheid en ook de beperkte omvang van het gedicht die vanzelfsprekendheid laten groeien. Paradoxaal genoeg vergeet of verlaat je door de vormaspecten de taligheid van het gedicht.
            Maar aldus gelokt op het pad van de alledaagse vertrouwdheid komt dan de laatste strofe, meestal pas de laatste regel, waarin dit allergewoonste tafereeltje een bijzondere poëtische wending krijgt. In het gewone schuilt het bijzondere. En dan daagt het dat Komrij's kritiek in ieder geval niet van toepassing is op Cesarić. Het gewone, het cliché moet gewoon en clichématig zijn, omdat anders de bijzondere glans van het poëtische moment in de laatste regel niet zou werken.
            Cesarić is vormvaster dan Bloem, maar hamert minder op de melancholie. Het is vaker melancholie vermomd in een beeld, een milde liefdesverklaring aan het leven. Directe emoties zijn moeilijk aan te treffen bij Cesarić – eerder zal hij zijn hoed opeten. De dichter moet zo weinig mogelijk in de weg zitten. Precies daarom is er bij hem ook meer ruimte voor het evoceren van een beeld. Daarin is hij rijker en gevarieerder dan Bloem en menige andere Nederlands dichter en daarom is lezing van deze vertaalde gedichten toch een belangwekkende ervaring.


            BALADE VAN LAZARUS          

Voor wie uit het graf oprijst:
Bitter blijft het brood in zijn mond nog lang
Stilletjes sluipt hij tussen de mensen
Onzeker gaat zijn verdere gang.

Mensen mijden hem liever
En wie zijn hand schudt – men houdt zich groot –
Speurt heimelijk op zijn gezicht
De donkere afdruk van de dood.

Zijn lijkwade is hem afgenomen,
Lijkbleek is zijn gezicht gebleven.
Hij draagt een afgrond van verdriet
De onvoltooide dood blijft in hem kleven.

                                    ***

            MEDEREIZIGER

Door de dikke mist lijken de straten
Vandaag helemaal te zijn verlaten.
Maar toch, achter gordijnen is leven
Lopen mensen
En de straten, die zijn ook gebleven.

Dichtbij de een gaat een ander
Misschien precies dezelfde weg
Maar door de mist overgoten
Blijven ze onzichtbare reisgenoten.

                                    ***

            REISPROVIAND

Nog nooit heeft de oude kastanje
Zo genoten in schitterende glans
Als vanmorgen, toen een hele zwerm mussen
Op haar zat te tsjilpen in een lawaaierige dans.

In de kruin een wonderlijk gewemel
De takken overvol
Duizend kleine leventjes zingen
Door elkaar krioelend, ieder in zijn rol.

Misschien dat ik – zei ik bij mezelf –
Om wat ik ben nog eens blijdschap voel.
Neem op je reis deze lichte proviand
Mee naar je onzekere doel.

                                    ***

            KLEINE KERS NA DE REGEN

Kijk, de kleine kers na de regen
Vol wiegende druppels die het doet bewegen
Haar takken schitteren, door zon overgoten
Niets dat dit weelderige wonder nog kan vergroten.

Maar als de zon dan even niet meer schijnt
Zie je dat alle bekoring verdwijnt
Dan is ze weer gewoon
Als vroeger een arme, kleine boom.

                                    ***

INEKE HOLZHAUS - GIOVANNA GARZONI - EN DRIE ANDERE GEDICHTEN




      buiten het seizoen


Wij waken in een woning waar we
het broodrooster niet kunnen vinden

schapen in zicht, ganzen, hondenbezitters
fietsen voor ons langs als bij een eerder huis

waar de tuinman ons riep toen we alleen
door een laken bedekt zo ongelofelijk bloot
lagen dat zijn roep ons verlamde voor we
naar beneden afdaalden om hem te groeten.

Hier wordt het veld gemaaid, er is geen tuin
wel een boom van vreemde oorsprong
als onder het hotelraam in Afrika tussen
bougainvilles waar wij ook op reis waren

de fietsers en honden gaan eenzaam
van links naar rechts en keren nooit terug.


***

      aan de haven


Je kunt nog niet in een tram zitten naar zee
zonder aan eerdere ritten te denken en aan R.C.
die ze triest en traag heeft genoemd, de gele

wagens naar de haven; ik zag er vissersvrouwen
in kostuum zware tassen slepen in de wind

over de galerij naar hun akelige flat met zicht op
wat hun mannen niet meer konden bevaren –

en denk hoe M.N. voor dag en dauw een tram
door zijn sonnetten stuurde: twist met ons, twist
met ons, twist niet met mate, op het ritme

van ruitenwissers die je in de ondergrondse niet
hoort waarboven ik tijdelijk woon, in mijn hoofd

wel versregels van de schrijver B.B. die zich
de vorm van de wolken beter herinnerde

dan het gezicht van zijn geliefde, denk ik dat ik 
die geliefde was, maar kan me hem niet meer
te binnen brengen - zoek een uitzicht op de halte

een affiche, ogen, een etalage waarin ik me
spiegel, zomaar iets dat ik enkelvoudig beleef.


***
      besloten tuin


*
Hij staat recht onder de vogels, benoemt
hun staart en zangtonen, zijn denken stroomt
de struik in die zomers zwarte bessen draagt

geborduurd bloemvlies in het najaar, vleugels
winden zich om hem heen, snavels kletsen
gretig in zijn volière zonder gaas.

Hoe leeg is hij als hij ze fijne zaden voert
een witte schedel waarin boomklevers
onbarmhartig verse woorden tikken.

*
Buiten de haag jachthoorns, claxons
kreten, twee reeën weten te ontkomen

levend, hun blonde konten triomferen
over hoektanden van nerveuze honden.

In het huis strooit zijn beeldscherm laatste
berichten - bomgordels misschien verborgen

onder feestelijk vuurwerk, ook bakfietsen
voor peutervervoer lopen gevaar, slachtoffers
zijn geborgen - het beeld hapert, dooft uit

de vogels vallen stil, schuilen, uilen komen -
ook de nacht neemt de tuin in zich op.


***

      giovanna garzoni (1600-1670)


Misschien had ze geen tuin de kuise, steeds
op reis naar tijdelijke hoven of het atelier
van een leermeester. Bracht men haar onder
bloemen bedolven vruchten in breekbare
schalen voor nuttig keukengebruik? O zomer.

Ze schilderde aan het herbarium voorbij
berstende vijgen naast een hagedis, rijkdom
van boerenbonen voor een adellijk maal,
meloen met uitspuugpit, slakjes, nerven met één
penseelhaar tempera in aardkleuren en blauw.

Waarom wil je maken wat buiten je bestaat -
een tuin fabuleren die jou niet toebehoort,
van kersen genieten nadat ze gegeten zijn?
Wie tekent kijkt beter. O wonder, naast lichtende
amandelen zit een bijkans levende muis.