ROBERT ANKER - NIJHOFF EN IK


Misschien dat sommigen van u denken: dat heb ik eerder gehoord. Dat kan kloppen, ik houd erg van smartlappen en dit behoort tot mijn repertoire. Maar misschien hebt u de tekst herkend, want die is van Nijhoff. De melodie is laat ik zeggen van mezelf, maar dan, geheel in de geest van de dichter, volkomen onpersoonlijk. Waarschijnlijk bestond ze allang. Het lied heet ‘Herinnering’, maar is door Nijhoff natuurlijk niet als songtekst bedoeld maar als gedicht. Het staat in De wandelaar, Nijhoffs eerste bundel, uit 1916, maar het gedicht dateert van 1914 – Nijhoff was toen twintig jaar, bepaald geen laatbloeier, zoals ik. Dat is dus nog geen overeenkomst tussen hem en mij, maar overeenkomsten zullen wel degelijk volgen, dat is nu eenmaal het onderwerp van mijn praatje. Uiteraard betekent dat niet dat ik mij aan Nijhoff denk te kunnen meten. 
         Ik zei dat ik erg van smartlappen hield, maar ik houd niet van poëzie met een hoog smartlap-gehalte en dat hebben nogal wat gedichten van Nijhoff. Daarom heb ik het even gezongen, om u snel daarvan te overtuigen. Altijd maar die moeder, en die schreiende kindjes, of een wenende vader, ook al met een kindje op zijn arm voor het venster, of de huilende Christofoor die eensklaps voelt hoe ‘twee ronde kinderhandjes / De stoppelbaard van (zijn) ruige wang vastgrijpen’, waarbij die stoppelbaard wel weer een meesterlijk detail is. Ik bedoel: het is vaak gemengd.
         Toch zijn die sentimentele elementen in Nijhoffs poëzie niet mijn grootste probleem, ze zijn de spin-off van een belangwekkende grondtrek van zijn werk, zoals we nog zullen zien. Nee, het is vooral een aantal andere aspecten dat mij ergert en op grond waarvan ik misschien wel 85 procent van de gedichten weinig tot niets aan vind. Ik erger mij aan het Leger-des-Heilsgehalte ervan, u weet wel wat ik bedoel. Ik erger me aan de namaak-spleen van Pierrots die ’s nachts eerzame vrouwen aanspreken met het voorstel samen te sterven en aan modieuze accessoires als vermoeidheid, dadenloosheid en waanzinnige lachjes. Ik erger me aan de middeleeuwse rimram van kastelen, cithers en schalmeien, valken en pages, terwijl de moderne tijd al volop woedde, zoals Nijhoff nog geen tien jaar na zijn debuut aan den geest zou ondervinden. Ik erger me, een beetje,  aan het precieuze rococosfeertje met door de maan verlichte tuinen, met sonates en preludes die al dan niet verwelkt aanwaaien uit een spinet, aan rozenstruiken, waaiers en priëlen waar geschreid wordt met tranen van glas – een beetje, zei ik, want het slot van ‘Het tuinfeest’ blijft memorabel: ‘Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen, / Geenszins om liefde, maar om de sublieme / Momenten en het sentiment daartussen.’ Ik erger me aan die met spijkers knoeiende soldaten die altijd een groot kinderhart hebben terwijl de kranten en het journaal mij heel wat andere dingen over dat volkje vertellen, ook als het kindsoldaten zijn. En ik erger me aan die voor ons nauwelijks meer voor te stellen, inderdaad zeer zeitgemässe maar toch… van zondebesef doortrokken angst voor de seksualiteit, waarbij de dichter soms in bed ligt met een geliefde die ineens rechtop gaat zitten bidden – brrr. De bundel De wandelaar valt daarom in zijn geheel af, maar uit Vormen wil ik er in een milde bui nog wel 11 van de 88 overhouden, waaronder ‘Het tuinfeest’.
         Ach, laat ik duidelijk zijn: de Nijhoff over wie ik het verder wil hebben, míjn Nijhoff, is de dichter van Nieuwe gedichten, verschenen in 1934, daaruit met name ‘Het veer’, ‘Het lied der dwaze bijen’, ‘De moeder de vrouw’ en ‘Awater’; de dichter van de in De Gids van oktober 1936 gepubliceerde reeks Voor dag en dauw (maar niet allemaal), van Het uur u, uit 1937, en een tweetal verspreide of nagelaten gedichten uit dezelfde tijd, namelijk De kreupele en Bij de dood van Albert Verwey, vooral het evocatieve deel ‘De trap’. Kortom, we hebben het over de Nijhoff van na 1930, toen hij van de Rattenvanger had geleerd dat hij niet met zijn mond moest fluiten maar met zijn fluit, want ‘De mond zingt slechts waar het hart van vol is, maar iedere fluit is een toverfluit en zingt het ledige hart van andere mensen vol.’ In feite was die toverfluit echter het poëticale antwoord op een groter conflict waar Nijhoff mee worstelde en waarover hij zich achteraf, in 1935 heeft uitgelaten in Over eigen werk, de zogenaamde Enschedese lezing: de plaats van de poëzie in de moderne tijd.

HANS-ULRICH TREICHEL - GEDICHTEN

In januari

Zachte geluiden
op bevroren grond.
We lopen door de
droge bossen, in
ademrijke gesprekken
verdiept. Aan de
randen van de hemel
zoemt de stroomkring
van de stad, in onze
verlangens circuleren
gesloten brieven.
Maar de verhalen
die we vertellen
nemen ons de woorden
niet af.



Tussenbalans

Geluk gehad en overleefd.
Niet meer met roken begonnen.
Met mijzelf in het reine wat
de tandarts betreft. De huur betaald,
de krant gelezen, waardig geleden
aan het leed van de wereld.

De diepste ellende, verveling,
bestendig gekruist met het hoogste
der valse gevoelens. Daarbij
twee kilo aangekomen, een academische
titel verworven en, als alle echte radicalen,
liefde tot de opera ontdekt.



Regels van het huis

Geen ongeluk verzwijgen
en ieder verhaal uitvertellen.
Doeken over de spiegels
hangen; de messen onder
de tafel. De uil troosten en
de vleermuis trancheren.
Nooit je woede verliezen, wat er
ook gebeurt. Iedereen binnenlaten,
wie er ook komt.



Tarantella

Met mijn bijl
versla ik de spin
over rode daken klim ik
kauw op stenen spuug sneeuw

Loodgras groeit
in mijn zakken ijzerkruid
in mijn schoen mooi er is
nog veel te doen



Op weg naar het leven

Zo kwam ik onder
de mensen, klap na klap
en schoksgewijs,
zo leerde ik van de knuppel houden,
de kruipversnelling en de
vrije val.

In menige goot
verzoop ik, in menig weekend
en greep naar de oneindigheid
en streek mijn hemden.

Zo vond ik
de weg naar het leven,
iedere morgen een ei, wil mij
nog één keer vergeven,
wie ik ook zij.



Vooruitgang in het chaosonderzoek

Doe maar geen moeite,
zeg gewoon ik tegen mij
of laat mij helemaal weg.
Hier weet immers niemand zo precies
waar de volgende begint.
Verspreid je,
maar blijf liggen.
Sluit de ogen
en luister niet.
Je moet voelen wat je voelt
als je niets voelt.
Of behoor jij soms ook
tot die mensen die bij ieder schot
beginnen te bloeden.
Plantaardige vetten adviseer ik,
en dierlijke intelligentie.
Maar alles met mate
en houd altijd het hoofd schuin.
De rest is heel gemakkelijk.



De vaders

Het eerst gaan de vaders
en laten ons de geur na van hun
leren zweetband, de gelige huid
van prothesen, grote zegelringen
aan donker geworden vingers.

Het eerst gaan de vaders
uit hun gewelddadige leven,
uit hun jachtige zaken
en laten ons hun gesteven hemden na
en de zoutkringen
op het hart.



Wat het was

Dat haar slaap zich
met de zijne vermengde
Dat haar angst zich
geheel in hem verloor

Dat hij haar ook
in de winter kuste
dat het in zijn armen
volgens haar nooit vroor

Dat zij haar vlees
niet tegen het zijne wreef:
dat was wat hem
naar een ander dreef



Liefde in november

En nu weg hier
uit mijn eigen bed.
Kan geen verhalen vertellen
en wil er geen horen. Niet eens
een mannelijke zucht
wijd ik aan je.
Terwijl je toch
een werkelijk zachte huid hebt
en zo veel zin in
een onecht
gevoel.



Inzicht

Nu is alles nog mogelijk.
We hebben elkaar vluchtig geraakt.
De rest: waarschijnlijk dodelijk.
De kunst: dat je verzaakt.

Misschien moet het hier maar bij blijven.
Een vleugje is bijna een kus.
Liefde is ook: niet beklijven.
Maar anders. En dus.



Als ik zou weggaan

En als ik zou weggaan
en me overgaf mijn schoenen
op de straatstenen zette mij
het hemd van het lijf scheurde mijn voeten
vastbond en mijn gezicht bedekte
en geen wind viel over
daken en erven geen nacht
doofde de verlichte tuinen
en als het stil zou blijven
altijd maar stil



De wolken

De wolken, zeg je,
de wind en de regen,
de stenen, zeg je,
de nacht en de dag

Als hij bestond,
de wind en de regen,
als ze bestonden,
de nacht en de stenen

Als jij bestond,
hielden wij allang van elkaar.



Over de toestand

Een vuile hemel,
al dagenlang geen wonder, alleen
lawaai op straat, heerlijke auto’s,
wie moet ik geloven, als het mijn tandarts
niet is, een menselijk wezen
moet dagbladen lezen,
ik bijt en sta verbaasd, jaren geleden
al loeide de wind om erbarming
en de schoorstenen sidderen
nog altijd van geluk.



Fotoalbum

Het kind op de schommel,
de jongen in zijn goede pak, de idioot
met huidproblemen, ontwikkeling
heet dat in de psychologie, op de achtergrond
een heer met dame, zij in een veel te
grijze jas, hij als altijd standvastig
aan de rand van de foto, geen idee van
harmonieleer, bikkelhard jurist,
ik zou me in de schitterendste
details kunnen verliezen, me spelend
tot huilen verleiden, een aardappelsalade
als die hier krijg ik niet meer zo gauw, jawel,
dat zijn de echte rampen,
als het wasgoed druppelt, als de stamppot
dampt, wanneer wellust de kop opsteekt,
vertel me dan niet dat jullie daarvan niets
hebben gemerkt, kijk in je hart,
vrees je kinderen: ooit
waren wij allemaal mensen,

God zij ons genadig.


      vertaling Wiel Kusters

      Met vriendelijke toestemming van © Suhrkamp Verlag, Frankfurt a.M.
______________________________
Hans-Ulrich Treichel (Versmold, Westfalen, 1952) debuteerde in 1979 met de bundel Ein Restposten Zukunft. Bekend werd hij vooral door zijn kleine roman Der Verlorene (1998), waarin hij vlucht van zijn ouders uit de ‘Ostgebiete’, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, en de zoektocht naar hun tijdens die chaotische vlucht verloren geraakte eerste kind als beklemmende en bepalende elementen van zijn kindertijd beschreef. 
De hier vertaalde gedichten zijn ontleend aan Gespräch unter Bäumen. Gesammelte Gedichte, mit einem Nachwort van Rainer Weiss. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 2002.

ANNE DUDEN - ONDER EEN DAK

De aandachtig stille kunstomgangen van Anne Duden


Zowel organisch verweven in haar verhalende proza (zoals Übergang uit 1982 en Das Judasschaf uit 1985) als in haar boeken met meer beschouwend werk (zoals Der Wunde Punkt im Alphabet uit 1995), publiceert de Duitse schrijfster Anne Duden al jaren kijkverslagen naar veelal oude schilderijen en sculpturen. Het zijn verslagen die stuk voor stuk bestaan uit een combinatie van factoren die, zowel in figuurlijke als letterlijke zin, zo vanzelfsprekend overkomt dat je zoiets kennelijk juist daardoor elders hoogst zelden mag tegenkomen. Anne Duden heeft als het ware een schrijvende blik ontwikkeld. Of een kijkende pen. Bij haar lijkt er een dioscuristische wisselwerking actief te zijn tussen kijken en schriftuur. Waar zich geschikte mogelijkheden aandienen laat ze de taal (in zegswijzen, standaarduitdrukkingen, associaties enzovoort) de waarneming sturen en ontplooien, terwijl haar oog er weer nauwgezet en onverbiddelijk op toeziet dat er nooit maar wat buiten het schilderij of ander werk om verder wordt gefabuleerd. Anne Duden verstaat de kunst van een zich tot vertellen ontwikkelend analyseren, alsmede van een analyserend vertellen. Haar teksten over en naar aanleiding van kunstwerken zijn onmiskenbaar die van de emotioneel geïnvolveerde stem van de vertelster, terwijl je door die persoonlijke inzet meer en meer van het bekeken werk te zien krijgt. Het lukt, zou je kunnen zeggen, Anne Duden om zichzelf voor een werk te openen, zonder daardoor zichzelf tussen dat werk en de lezer/beschouwer te plaatsen, integendeel. Anne Duden brengt oude, verstilde beeldende kunst tot leven en doet dat met, door en in een kunst die zelf leeft, haar schrijfkunst. Dat klinkt als precies het tegengestelde van wat een tekst van Anne Duden is, een cliché. Het kan bijna niet anders.

      HB (zoals eerder in De Gids, jrg. 162, 1999)



Anne Duden – Onder een dak


In de voormalige bolwerken van christelijke extase, de gotische kathedralen, houdt zich nu iets volstrekt onvermoeds op: ruimte. In de huidige steden, die intussen uitzicht- en uitwegloos zijn, waar alles alleen maar nabijgelegen en daarmee bots- en kaatszone is, en de nooduitgangen naar het land bijna ononderbroken verstopt zijn, loopt de vluchtweg in cirkels of binnenwaarts, door talloze noodingangen in de Burg, in het kluwen van vooral passages en warenhuizen. De be- en afschermdiensten en de witgloeiende film- en televisiestudio’s romen de paniek af, pulseren en flonkeren op tegen zowel dood als leven. Gelukkig staan in enkele steden nog deze, ooit als belichaming van het Hemelse Jeruzalem bedoelde cultusgebouwen; deze op aarde geplaatste en vaak tot duizelingwekkende hoogte opgetrokken hemelburchten, die, naargelang denkbeelden veranderden, gedurende de eeuwen meer dan eens werden verbouwd, uitgebreid, aangevuld, gerestaureerd en zo doende overeind gehouden of ook wel verwaarloosd en opgegeven werden. Pas nu, deels buiten dienst, een maatje te groot voor de krimpparochies en te grandioos, en al lang ontheven van de opschroevingsdwang, want genadeloos afgetroefd en overtroffen door verzekerings-, bank- en appartementsgebouwen, komen ze helemaal tot zich, laten ze zich helemaal zien en tonen ze zich concreet als heiligdommen van de ruimte.
         Speciaal de Engelse kathedralen bezitten een ruimtekracht die ze als soeverein laat verschijnen, als door een aura van verhevenheid omgeven boventijdse wezenlijkheden. Anders dan de Franse kathedralen, die bijna altijd nauw omgeven zijn door stedelijke bebouwing, liggen ze in hun Close, deze wijde lucht-, aarde- en bodemhof, dat altijd groene, vaak door steeneiken, ceders en laurierbomen, hulst en taxus beademde tempeldomein, als reusachtige schepen die voor anker zijn gegaan, die zich niets meer gelegen laten aan de storm die nog in de boomkronen woedt. Al aan de buitenkant van de Engelse kathedraal, eromheen – waar je hem een tijd kunt bekijken en in het oog kunt blijven houden – begint immers een stemmingswisseling. Al hier kan de brokstukkenactualiteit wegvallen, zich in niets oplossen en plaats maken voor iets heel anders, een klaarstaan voor het onafzienbare dat hier buiten al op je heeft gewacht en er altijd schijnt te wachten, terughoudend en vrijgevig tegelijk. Hier al treedt een zweem van duizeling op, een licht vermoeden van zeeziekte bij de aanblik van de breedgeschouderde façade, bij het ernaar omhoog kijken, terwijl ze met de bewogen hemel mee te zwemmen of tegen haar op te zeilen lijkt. Of die ook, afhankelijk van de blikrichting en de snelheid van de wolken, eindeloos langzaam naar je toe neigt of zich razendsnel op je neerstort met haar boven elkaar geschikte rijen in haar vlak verzonken engelen, koningen en krijgers, profeten en apostelen. Elk voor zich in deze raatnissen leunend of er ook, zoals de koningen, met de benen over elkaar in zittend, slanke fijn gevormde figuren met hoge jukbeenderen, zijn ze hier, in rijen naast elkaar, overgeleverd aan het verval, aan de verwoesting door weersomstandigheden en gifstoffen. Altijd al, van begin af aan, lijken ze, afgaande op hun gezichtsuitdrukking – voor zover die nog herkenbaar is – en hun houding, zich te hebben gewijd aan de opgave eeuwig na te denken over het vergankelijke, dus ook dan nog wanneer ze er zelf niet meer zijn. In de waardig-stoïcijnse, oneindig lijkende reeks overpeinzingen – geen een valt op, geen een springt eruit – hebben enkele in de loop van de tijd hun gezicht al helemaal verloren, zijn andere, invaliden van de beeldenstormen en -slagen, hoofd en ledematen afgehakt, is bij menige door wind, weer en zuur het delicate van de gelaatstrekken verdwenen. Maar zelfs zonder hoofd en ledematen, soms niet meer dan een restant van een figuur, komen ze vitaal over, als een levend orgaan, gehuld in de onaangetaste idee, het gave nabeeld van hun oorspronkelijke gestalte.


In de aanblik van dit alles dat door de actualiteit en het contemporaine is afgedankt, stelt ook het eigen oog zich op het ver zien in, begin je misschien langzamerhand sprekend op deze denkfiguren te lijken en denk je inmiddels zelf erover na, zet je voort wat daar op de beeldenschermfaçade in lange regels staat. Zo bewogen, aangezet door een soort denk-, kijk- en reisdrang, betreed je het schip, om ogenblikkelijk terecht te komen in die onweerstaanbare zuiging naar de horizon en daar nog overheen.
         De Kelten, die in dit land duizenden sporen achterlieten, wier geest in veel streken opvallend lang door- en nawerkte, en die er zelfs tot op de dag van vandaag nog lijkt verder te leven en rond te spoken, geloofde dat het land der zaligen zich op een westelijk eiland of op de bodem van het water bevond.
         Opnieuw anders dan in de Franse kathedralen wordt hier dus niet de hoogte bestormd, gaat het lang niet zo adembenemend hemelwaarts. En inderdaad bereiken de Engelse kathedralen wat de hoogte van hun architectuur betreft, vaak slechts de helft of twee-derde van die van de Franse. Het verlangde en beloofde ligt niet boven, maar veeleer voor je, en je wordt, naar gelang je temperament, niet zozeer omhooggetild of -getrokken, maar eerder als door een lange tunnel heen door de verte aangetrokken en -gezogen. Er lijkt op een andere oever te worden aangekoerst en gezeild.
         Je moet je allereerst overgeven aan deze zuiging, je er herhaaldelijk aan hebben overgeleverd, wetend dat de verte je blijft, voordat de blik ermee kan beginnen zich hier op te houden en te bewegen, als de tijd die langs de wanden tot in het gewelf omhoog te vloeien, te kabbelen, zich te rimpelen schijnt, om te parelen over Purbeckmarmer en steen, naar de nokrib te klimmen, zich in de dwarsschepen maar kort ophoudend, om daar weer meteen uit naar beneden te stromen, om opnieuw te beginnen met stijgen en zo weer verder rond te dwalen. Licht en schaduw wisselen voortdurend, golf na golf, boog na boog, arcade na arcade, bundelpijler na bundelpijler, tot een in de onafzienbare verte mondende stroom van licht. Alles oscilleert hier tussen toestand en afloop, rust en opwinding, statica en dynamica. En naargelang de mate van de lichtval en ook afhankelijk van de eigen gesteldheid, is het gewelf, dat bij de eerste algemene indruk, deze mengeling van helderheid en verwarring, nog helemaal niet al zodanig kan worden waargenomen, nu eens een op luchtwortels rustende palmenlaan, waarvan de waaiers in de nok bij elkaar komen en in elkaar grijpen, dan weer een groots opgezette en zich in segmenten opbollende hemeltent, of een zich eindeloos uitstrekkend, door dakhuid overtrokken kepergeraamte. In de avondschemer, wanneer het buitenlicht almaar kleuriger wordt en daarmee in het nu meer doorschenen interieur steeds warmer, zou je ook kunnen denken dat je je bevindt in het lichaamsomhulsel van een gigantisch prehistorisch zoogdier, met boven je de welving van de borstkas of ook de concave kromming van de rug met de lange rij wervellichamen en doornuitsteeksels over de hele ruggengraat. En gezien vanuit de ooghoeken, door de Evensong al tot wiegen gebracht, door Byrd verheven, door Tallis weggevoerd en het ongelooflijke toegedaan, verschijnt vanaf een bepaalde fase opwaarts alles als gesponnen.
         Wie het nu nog exacter wil weten, moet zijn hoofd in de nek leggen, moet zich in de hoogte verdiepen en lang kijken, proberen de rib-, ster- en netgewelven met zijn blik te doorgronden. Daarbij begin je het in steeds korte afstanden te voelen: de nek begint pijn te doen en je merkt dat je onpasselijk wordt; je moet je hoofd weer buigen. En dat wat daar boven misschien net even werd vastgehouden vervaagt alweer of begint te draaien, te kolken en dan weg te drijven. Maar niettemin heb je het ontdekt, gezien, als in een visioen aanschouwd. Of het is je als fata morgana verschenen: dat daar hoog boven je in allerhande, vaak slechts moeilijk te onderscheiden gedaante iets – opeens doodstil afwachtends – huist. Opeens, dat wil zeggen, als betrapt, verrast in het verholene, plotseling in de beweging met ingehouden adem verstard. Of is dat eigenlijk allemaal andersom: heeft dat daar boven iemand hier beneden ontdekt, heeft het degene die omhoog kijkt in het vizier, hou je zelf als betrapt, als in het verholene verrast, de adem in, om te verstarren in het licht van wat daar boven ogen lijkt te hebben? Even later pas, bij de tweede of derde blik, wanneer de verrassing begint af te nemen, wordt er, daar boven en hier beneden, verder geademd en verder gedaan, begint dat wat er net nog, tussen seconde en seconde, uitzag als een reusachtig spinnenweb waar bewegingloos iets in hing en loerde, weer te trillen, is dat wat zojuist nog aandeed als iets wat op de bodem van een meer was neergezonken, weer niets anders dan een tussen wier schommelende meermin.


Het kathedraalfirmament zit vol gezichten, koppen, smoelen die hun tong naar je uitsteken, vol monsterlijke lijven, vol opgehoopte mensen, dieren, gedrochten en planten, vol van op kleinste plekken, op kleinste rotsachtige eilanden bij elkaar gepropte samengestelde en samengevoegde of ook door elkaar geklutste verhalen – en direct ernaast vol kruisigingen en kroningen, hemelvaarten en geestnederdalingen, verkondigingen en opstandingen, drievuldigheden en majesta's, vol Jessewortels en in wapenvelden geperste kasteeldelen, adelaars en leeuwen, zwaarden, sleutels en kronen. En ergens wordt in een hele strip zelfs de complete Apocalyps doorgenomen.


Dat houdt zich allemaal daar boven op, dat hangt daar – zich vasthoudend en vastgehouden, dragend en gedragen – aan de kruisingen en knooppunten, in de nok van de graten, in het trefpunt van de ribben, aan de uiteinden van de tiercerons en diagonaalbogen, in al dat ruitenvlechtwerk en die schoren. In honderd-, nee, in duizendvoud vind je deze scheppingen, deze Bosses – sluit-, boog- en nokstenen –, die een doorsnede van vijftien tot honderd centimeter hebben en wel twee ton kunnen wegen en die, vluchtig van onderaf gezien, ook gewoonweg zwaluwnesten zouden kunnen zijn of zwammen tegen de hemels van de Engelse kathedralen, talrijk verdeeld ook over de ontelbare gewelven van kapellen, kruisgangen en kleinere kerken. Alleen al in de kathedraal van Norwich bevinden zich bijna duizend Bosses, die in de kruisgang meegeteld, maar ook Exeter heeft er ongeveer vijfhonderd en Lincoln meerdere honderden. Geconcentreerde sculpturen, bezield door gebundelde energie, die zich blijkbaar niet makkelijk laten deren. Zelfs waar een deel van het gewelf door Duitse bommen, zoals in Exeter, kapot ging, bleven de sluitstenen grotendeels ongedeerd. En voor de beeldenstormers en -hakkers hingen ze, in elk geval in de midden-, zij- en dwarsschepen, te hoog.


Vooral in Engeland, en van daaruit, werd de methode ontwikkeld om de sluitsteen zo uitgesproken vorm te geven, er het uiterlijk aan te geven waarmee hij zich je hier, sinds het begin van de gotiek, steeds weer presenteert. Hij werd rondom, in alle zichtbare delen, tot plastiek gevormd. En je moet het over delen hebben, omdat het ding, de afgeronde sculptuur, als het al van alle kanten kan worden gezien, altijd slechts in delen kan worden waargenomen. De verhalen, figuren, koppen, gezichten of ook planten werden rondom in het steen gekerfd, gezaagd en gebeiteld. De sluitsteen zelf werd helemaal ding van het gebeuren, van de figuur, van een kop, een gezicht of een plant; hij was niet langer slechts schijf, plaquette of bord met een vlak reliëf. De Engelse meesters moesten welhaast gegrepen zijn door een verlangen zich bepaald aan deze architectonisch gebonden klein-, wervel- en wervelingskunst te wijden, zich over te geven aan dit samenballen en verdichten. De monumentale beeldhouwkunst, het grote beeld, zoals bekend uit Frankrijk en ook Duitsland, vonden ze kennelijk niet zo belangrijk; in elk geval kom je dat in Engeland veel minder tegen. Of de beeldhouwers gaven er hier gewoon een andere plaats aan. Ze stelden de grote figuren eenvoudigweg tegen de voorgevels op, plaatsten ze naast elkaar, gelijke naast gelijke, en lieten ze zo ressorteren onder een principe dat boven ze stond, een hogere ordening. Deze meesters moeten dus vooral bezield zijn geweest door een lust tot kleiner maken en verdichten, een lust – die schijnbaar van tijd tot tijd kon uitgroeien tot wellust en welhaast overmoed – om grote gebeurtenissen, zoals het Laatste Oordeel en de Zondvloed, zo nauw mogelijk samen te trekken, met elkaar te verbinden en te verknopen; en om anderzijds de kleinste luttele dingen, zoals meidoornbessen, eikels, hazelnoten en takken met loof of rupsen die over bladeren kruipen, het gewelf in te halen om ze daar versteend, maar rijkelijk te laten groeien en gedijen. Ja, wie weet schuilt achter de ‘uitvinding’ van de tiercerons en diagonaalribben, de toevoegselribben voor het gewelf, alleen maar de wens om zich eindeloos te kunnen overgeven aan deze lust, want daarmee werden schier oneindige nieuwe snij- en trefpuntmogelijkheden geschapen en op die wijze nieuwe plekken voor sluitstenen, die immers van bovenaf in de tussen de vervaardigde ribben nog open gapingen neergelaten en ingepast werden om zo de ribben met elkaar te verbinden, te laten aansluiten en ze te zekeren. Als het klopt wat steeds weer vermoed en beweerd is, dat veel, ja, de meeste sluitstenen in situ, pal onder, beter gezegd, in het in aanbouw zijnde gewelf, helemaal of op zijn minst al deels bewerkt en afgemaakt werden – anders zou het ook onverklaarbaar zijn waarom de meeste Bosses zo perfect in de gaten passen en die afsluiten, en waarom de schijnribben die tot aan de eigenlijke sculptuur naar hen werden doorgetrokken, vaak ogenschijnlijk zo naadloos aansluiten op de werkelijk dragende ribben –, dan kun je je deze kunst en de totstandkoming ervan niet genoeg als waaghalzig en halsbrekend voorstellen. Dan krijg je er ook een vermoeden van waarom in deze toch duizelingwekkende hoogte zo veel stenen spiralen en maalstromen zijn ontstaan, waarom plantaardige, dierlijke en menselijke vormen en onderdelen zich tot tollende eenheden door elkaar roeren en waarom er zo veel verbijsterende en verbijsterde, van schrik verstarde en schrikwekkende blikken van daar boven uitgaan, waarom menige figuur daar als omhoog geslingerd plakt en zich vertwijfeld aan zijn ondergrond, die eigenlijk een bovengrond is, lijkt vast te klampen, waarom er randfiguren zijn die daar hurken alsof ze in de hoeken geklemd zitten.
         Bij de lust om dat allemaal op zo’n gedrongen wijze gestalte te geven, zoals die immers ook in onder meer kapiteel- en kraagsteensculpturen tot uitdrukking komt, komt echter bij de creatie van de Bosses nog iets anders, iets wat zich wellicht slechts laat beschrijven als spel- en verhuldrift; deze meesters moeten er een ronduit laaiend plezier aan hebben beleefd tot het uiterste te gaan voor het onzichtbare, om een kunst te scheppen voor de schuilplek en voor het duistere. De beeldhouwer van een sluitsteen wist immers maar al te goed dat zijn werk gewoonlijk niet door het blote menselijke oog binnengehaald kon worden, dat het slechts een enkele keer, en wel hier, bij de vervaardiging ervan, bij zijn oorsprong, juist gezien, in zijn bepaaldheid en anatomie begrepen werd, door hemzelf, zijn schepper – en verder misschien alleen nog door de grote God. Deze kunst met haar plezier in het vermengen en detailleren heeft niet genoeg aan het menselijke oog. Wat daar boven honderd- en duizendvoudig aan meer of minder zorgvuldig afgewerkts zit – natuurlijk zijn er ook wel enkele grof uitgevallen sluitstenen bij –, is met het blote oog helemaal niet of amper te herkennen, kan, en niet alleen vanwege zijn afstand, maar ook vanwege zijn karakter, zijn natuur, nooit helemaal worden gevat. Zelfs met behulp van de beweegbare vergrotingsspiegels die in veel kathedralen zijn neergezet, blijven de sluitstenen moeilijk goed te herkennen, ja, wordt het beeld veeleer nog eens extra verwarrend, want je ziet nu dat wat boven is onder je, je kijkt binnen in het gewelf als een caleidoscoop die in de diepte is gericht. En een verrekijker heeft alleen dan enige zin wanneer de steen vol beschenen en uitgelicht wordt, wat vrij zelden voorkomt. Zelfs de meest geslaagde foto’s van Bosses, die ook weer met veel toestanden en fysieke inspanningen en geduld kunnen worden gemaakt, stellen meestal teleur. Weliswaar kan een foto onthullen wat je noch met het blote oog noch met een verrekijker kon waarnemen: opeens verschijnt helder en duidelijk wat je hoogstens vermoedde, maar als mogelijkheid ook weer hebt verworpen, bijvoorbeeld dat een hoofd al aan zijn kin begint over te gaan in een tweede hoofd, dat de twee hoofden een kin moeten delen. Tegelijkertijd verbergt de fotografie vaak dan weer iets wat je al door de verrekijker kon waarnemen, bijvoorbeeld dat er uit het bovenste deel van het hoofd klimop groeit. En eigenlijk zou je de foto’s tegen het plafond moeten plakken als je er vanuit de juiste positie naar zou willen kijken.
         Hoe je je ook wendt of keert, welke hulpmiddelen je ook gebruikt, hoe je je nek ook verrekt, het geheel blijft een verwar- en verbergspel. Hoe vaak komt het niet voor dat je denkt Bijbelse figuren te hebben herkend waar in werkelijkheid rauwe types elkaar in de haren zitten, of je vermoedt slechts een dicht struweel waar in feite meerdere draken, omgeven door gebladerte, zich in elkaar hebben vastgebeten of ook, ieder met zijn snuit dicht tegen het oor van de andere, een fluistergewas vormen of waar een vogel in de mooiste vruchten pikt. En die ene menselijke figuur, die omringd lijkt door een groep mensen en van wie je absoluut zeker was dat het een martelaar betrof die aan de verschrikkelijkste folteringen was uitgeleverd, ontpopt zich als een acrobaat die de handstand doet.
         Intussen ben je van dat daar boven al als geïnfecteerd, begin je, als in koorts, praktisch een derde oog te ontwikkelen, speciaal voor wat in het donker ondergedoken is, geloof je reeds het onmogelijke, wat deze kunst in feite van je verlangt, te beheersen, namelijk om meerdere standpunten gelijktijdig te kunnen innemen. Je bent al verslaafd geraakt aan alles wat uit de vorm geraakt en er tegelijk door gebannen is, aan heel die mengeling van grofheden en het edele tegelijk. Je zou daar koningin of koning, of heilige kunnen zijn om er meteen naast geen goed figuur te slaan. Je zou opeens dier, mens of plant kunnen zijn of ook een amalgaam van alle betrokkenen. Je zou jezelf door elkaar kunnen klutsen en meteen daarnaast ook weer ontmixt kunnen optreden. Je zou kunnen beginnen te hallucineren – net zoals deze gewelven een en al hallucinatie lijken te zijn. In werkelijkheid blijf je echter slechts bezoeker van een Engelse kathedraal en begrijp je dat dit niet alleen een sanctuarium van de ruimte is, maar ook een van de hybriden en kruisigingen, van het onbeschaafde en edele, van het heilige en onheilige.
         De meesters van de Bosses moeten hebben geweten wat ze daar tegen de kathedralenhemel naar boven haalden en dat ze daarmee een stenen vivarium, een reservaat voor het onverenigbare schiepen – hemels gekkenhuis en tempel in één –, waar zo goed als alles kan voorkomen, opvallend vaak direct naast de gegeselde of gekruisigde Christus ook hij die er niet zelden uitziet als een mannelijk Medusahoofd, de Green Man. Talrijke sluitstenen in Engeland zijn aan hem gewijd; volledig zijn hoofd geworden zitten ze daar in de gewelven. Want van de Green Man is er – bijna – altijd alleen het hoofd, daarom wordt dit motief in het Frans ook Tête de feuilles genoemd en in het Duits met Blattmaske aangeduid.


De Green Man komt de vegetatie naar boven; ze komt hem niet alleen naar boven, zijn keel en mond uit, ze komt hem ook de oren en zijn neusgaten uit, en soms zelfs zijn ogen uit. Het hoofd van de Green Man is begonnen met uit te lopen en groen te worden, hij heeft gebladerte in plaats van hoofd- of baardhaar; voorhoofds- en gelaatsspieren zijn wortels die overgaan in door zijn huid brekende takstrengen en waaraan zich vervolgens de meest fraaie bladeren hebben ontvouwd. Af en toe wordt hij er al door overwoekerd, buigen ze zich boven zijn gezicht samen. Soms is het hele gezicht van de Green Man overgroeid en liggen alleen zijn mond, neus en ogen vrij. Heel vaak steekt hij zijn tong uit, die dan, tussen de dikke, links en rechts zich met geweld uit zijn mondhoeken naar buiten werkende takken, op een rood vlezig blad lijkt. Vaak heeft hij wijd opengesperde en verdraaide ogen; ze lijken uit hun kassen te willen puilen. Maar ze zijn ook vaak gesloten, slapend of dood. Er zijn Green Men die er uitermate vredelievend en vriendelijk uitzien, juist ook die met hun zilveren blik; als bezield door welwillendheid, alsof er een eeuwige rust in hen is getreden en alsof ze die weer afgeven zoals de planten zuurstof. Maar de meesten komen duister en demonisch over, ongetemd verwikkeld in turbulenties. Er zijn er ook die op gefolterden lijken van wie de mond met geweld is geopend – door uit hun eigenste inwendige uitbrekende takken en bladertwijgen; ze zijn door de natuur geboeiden en verkrachten, die alleen met de nog niet in beslag genomen delen van hun gezicht, dus misschien alleen met hun ogen, wild proberen zich te verzetten. Degenen bij wie twijgen en takken ook uit de ogen groeien, lijken bijna steeds doden, door vegetatie verblind en dan verstikt. En enkelen met uitgestoken tong, klitten daar boven als de hoofden van gehangenen. Ettelijke Green Men lijken ook alleen maar melancholiek hun eigen metamorfose te overpeinzen, op te gaan in de kruising die zich in hen voltrekt tussen mens en vegetatie. Weer anderen, zij bij wie het er zo gewelddadig en wreed aan toe gaat, lijken er zelfs een soort lust aan te beleven om mee te doen, ja, ze lijken het te willen voortzetten in plaats van het alleen maar over zich heen te laten komen.
         Het motief van de Green Man bestond hier en daar al in de antieke oudheid. Massief treedt het echter pas in de kunst van de gotiek op. Blijkbaar weet niemand precies waar het vandaan komt, waaruit het zich heeft ontwikkeld. In Engeland, en wellicht niet alleen daar, wordt de Green Man graag gezien als verwant aan de meikoning of de Jack in the Green. Over het algemeen wordt vruchtbaarheids- en natuursymboliek in hem vermoed, of hij wordt begrepen als een plotseling uit de vergetelheid opgedoken en weer oplevend symbool van heidens-Keltische bomenverering. De Green Man – naast Christus – een verrezene, weer opgestane boomgod misschien, een verrezen hoofd. Waren de Kelten niet koppensnellers geweest en hadden ze hun poorten niet met schedels versierd? Was het hoofd voor hen niet nog de zetel van het heilige, en staan er op Keltische munten niet zulke koppen met monden waaruit iets vormelijk onzichtbaars lijkt te stromen?
         Maar de oeroude angst, de ‘heidense’ vrees dat de natuur met geweld terugneemt wat haar werd afgepakt en geroofd, dat ze zich ooit wreekt en uiteindelijk toch de overhand zou kunnen houden, zal menige christelijke meester van het steen nog in de botten hebben gezeten, die zal hij over lange tijden heen overgeërfd hebben gekregen en die zal bij de aanblik van de enorme steengroeven, van de grote aantallen gevelde, voor de bouw van de kathedraal benodigde bomen misschien zijn gaan opspelen. In de gestalte van de Green Man kon deze angst een uitdrukking vinden, maar evenzeer het vermoeden of de wetenschap dat de natuur blijft doorspreken, dat ze zich daartoe zelfs van menselijke monden bedient, ja, die gewelddadig voor zich opeist. Zo bezien zitten de gewelven, de kathedralen over het algemeen, vol met apotropeeën, maar net zo vol met zoenoffers en vergoedingspogingen. Alles wat er buiten werd losgebroken en afgehakt, alles wat daarbij werd vertrapt en verbruikt, wordt hier – naar de natuur – nieuw geschapen, hersteld en daarenboven nog veredeld. Ja, het wordt zo nu en dan overdreven, er wordt aan toegevoegd wat nog nooit is gezien, waarmee wellicht ook afleidings- en kalmeringsmanoeuvres worden ingezet. En de heel grote wonde die de natuur werd toegebracht, het gat dat met geweld in haar werd geslagen, is hier, in de kathedraal, wonderbaarlijk omgevormd, tot ruimte geworden waarin ook heden ten dage nog het onafzienbare op je wachten kan.

Vertaling Huub Beurskens


 ______________________________
Anne Duden (Oldenburg 1942), Duitse schrijfster van poëzie, proza, essays, woont afwisselend in Berlijn en Londen. Voor haar werk ontving ze o.a. de Heinrich Böllpreis (2003). Haar prozaboeken Übergang en Das Judasschaf werden in het Nederlands vertaald. 'Unter einem Dach' maakt deel uit van Zungengewahrsam (Kiepenheuer & Witsch, Köln 1999).

WILLEM VAN TOORN - EEN WINTER IN LE PETIT JOUHET


Echo, parlant quant bruyt on maine
Dessus riviere ou sus estan,
Qui beaulté ot trop plus qu’umaine?
Mais où sont les neiges d’antan?
    François Villon


1

Akkers ijshard. Hagen ontbladerd. Een streekroman van sporen
in de hoge sneeuw: levens van haas, hond, jagers
hier langsgekomen. Eeuwen dieper ingevroren
Romeinen, Galliërs, boches, ooit afgemaakte

boerenknechts, na dronken kermisdagen
pas weken later gemist. Ik stook
het vuur op, houd de luiken gesloten
en lees Ernst Jünger – wrange dodenmeester

uit Duitsland, zijn Kriegstagebuch
’14-’18.  Alsof ik mijn nog zo
nabije verlorenen wil onderbrengen in
dit gruwelalbum van haast een eeuw geleden:

‘In de loopgraaf lagen 8 dode Duitsers en
2 Engelsen (insigne op pet: South-Africa, Otago-Rifles),
die bij het gevecht met handgranaten van gisteren
waren gesneuveld. De doden zagen er gruwelijk uit,
van angst vertrokken gezichten, vreselijke verwondingen,
vooral hoofdwonden, bij twee van hen waren
beide ogen weggeschoten.’


2

Zijn front een paar uur rijden van waar ik nu
terugdenk aan beschaafde sterfkamers waar
warme handen al steenkoude handen strelen,
une mort très douce, o liefdevol geregeld,

onkerkelijk sterven, hetwelk ghedincken
niet bitter meer mag zijn. ‘Het was haar tijd.
Het was genoeg geweest. Hij mocht dit leven
loslaten. We zagen dat hun afscheid

verdiend was.’ Zo godloos vroom, daar stinken
zelfs engelen bijna in. Maar dood is dood,
geen enkel woord is sterk genoeg om troost
te bieden tegen de afwezigheid

van wie hier met ons in dit landschap liepen, hoog
te spreken tegen de horizon, door het bloedrood
avondlicht op weg naar brood en goede wijn,
een dak om diep onder te slapen, zorgeloos.


3

Hoe diep dringen geluiden door in vezels van
gras en geboomte, in droog oud hout
van dakbalken? Zijn hun stemmen, of echo’s ervan,
misschien wel opgeslagen, ingebouwd

in nieuwe cellen die het voorjaar aanmaakt?
En horen we ze straks terug in nachten
onrustig van kraanvogels, hun zachte
stamelingen van liefde, het gekraak

van bedden waar nu geen mens in slaapt,
geritsel in hoog gras, ver lachen
verdubbeld door de bosrand, kindernamen
geroepen, door wie, in de al donkere tuin?


4

Marters in de tuin vannacht. Hond volgt hun sporen
als een geleerde die oude teksten leest,
en graaft aandachtig onder de nieuwe sneeuw
naar betekenissen die anders verloren

zouden gaan. Het moet wel zo zijn
dat ieder landschap de tekens bewaart
van wie er leefden. Zelfs uiterst klein
voorbijgaan moet diep in de kaart

zijn opgenomen: voetafdrukken
verscholen onder gras, de afgebroken
twijgen langs de beek, in de weggevlogen
ijsvogel minieme littekens van het opschrikken

door snelle stappen, roepen, zingende
kinderen. We kennen alleen nog niet
het instrument om ze te vinden. Wie
leest ons de les in die herinneringen?

Hond is het spoor bijster. Is dit verdriet?


5

‘Vanmorgen mistig, zodat ik op de zwaar beschoten
weg van Cambrai naar Arras gewoon kon lopen,’
schrijft Jünger: geen tommy die hem zag.
Nevel ook hier vandaag om levenden en doden,

het dorp onzichtbaar. Moet ik ook maar een pad
zoeken waar de dood tijdelijk is afgelast?
Pauze. Stilte. Achter het wit gordijn
houdt alles wat meespeelt zijn adem in.
Nergens een jager nu. Geen meute blaft.

Dan diep in de mist eensklaps de motorzagen:
bij buren in het dal wordt de oude beuk
die met zijn  wortels traag hun huis optilt
ontmanteld. Voor lange winters vuur.

Gat in het uitzicht straks. Iets heeft de keus
gemaakt tussen wat gaat en wat nog even duurt.

______________________________
Willem van Toorn (1935) is dichter, prozaïst, essayist en vertaler. Hij kreeg o.a. de Herman Gorterprijs en de Jan Campertprijs. Recente boekpublicaties: De hofreis (gedichten, 2009), De geur van gedroogde appels (verhalenbundel, 2010), Het grote landschapsboek (essay, 2011).