JAN LAUWEREYNS - NIEUWE GEDICHTEN


Levenszout van Okinawa


We trachtten je te houden zoals je was
in de oceaan. Een heuvelachtig eiland rees
uit gezegend blauw.

Onze wereld was klein en ver weg
in de dansende schaduwen.

We verzamelden alle zeewater
en je vormde je vanzelf met de rijkste mineralen
toen alle water eindelijk vervloog.
De waterklok droop.

De zon bestudeerde je tijdvlekken.

Omdat we trachtten je te houden zoals je was
in de oceaan, veranderde je in iets helemaal anders
dan wat de mensen kenden.

Het is juist omdat we je elke dag gebruiken
dat het hart een vaste maat blijft kloppen.




Het temmen


Voor rijst gebeurde het in China,
een zevental millennia geleden.
De dichter zegt: ‘in Middelaarde, toen
de tijd nog niet bestond’. De wetenschapper
maakt koeken en knabbelt.

De afstand vergroot in de vertaling van de ene
algemeenheid naar de andere.

Lege spelletjes, dacht ze, energie uit fotosynthese,
altijd hetzelfde liedje, een extra laag
maar niets dat blijft hangen.

Tan telt niet. Ook Guo-Ping niet.

Glo-Ping?

Ben je grapjes aan het maken?
Want grappig is het niet. Als je zo
blijft doorgaan...

(Hij snapte het.)
(Zowel de dichter als de wetenschapper.)

Tarwe en gerst suggereren: zachtjesaan.




Automorf


Tot de dag ervoor kende
de maagd, een wiskundige, het axioma
van zijn zelfmoord nog niet.

‘Misschien is er iemand’, vermoedde het briefje
dat hij achterliet op zijn werktafel.

Zij moest ook gaan, een cliché,
om hem te vervoegen.

Een krakkemikkige houten constructie,
zonnewind.

‘O, was ik daarbij toen?’

Zijn blauwgroen pak had een vreemde
metalige schijn.




Zeer persoonlijke muggen en hun tijd


Het gieren van golven,
de versterkte luchtstroom.

‘Iets coronaals, dat je net hebt gehoord
als je het hoorde.’

Ze verscheen als een kleine zwarte stip
die zich traag maar zeker over de
zonneschijf voortbewoog.

De gedachte liet zich weer denken
dat automorfe functies toch wel
noodzakelijk waren.

‘Het kan zijn dat er iemand is.’
Aldus het nagelaten bloed.

Hebben we bewijs van spijt?

(Rommelige ingewikkelde grafieken.)
(Niets nieuws vergeleken bij vorig jaar.)




Tijger


In een wereld
van goud,

dit askleurige
vloeiend
water,

daarvan
drinken,

(natuurlijk!)

een tijger.




Fragmenten galopperen


Het labyrint, aandacht,
is niets dan een weg om het lichaam
van dit woord naar het volgende te voeren.

Hoe de hiel zich licht!
Hoe de enkel scharniert!

Das Fragment an sich, da capo con malinconia.

Askleurig stromend
laat de rivier dwars door goud
de tijger drinken.

Muze, vernietig ons integraal.
Handen, krabbelen maar.

The flight to Seoul [uitgesproken als ziel]
is now ready for boarding.

Lippen, doe jullie ding.

______________________________
 Jan Lauwereyns (1969) is dichter, schrijver, essayist en wetenschapper. Hij publiceerde wetenschappelijke artikelen in tijdschriften als Nature, Neuron en Trends in Cognitive Sciences, en de monografieën The Anatomy of Bias en Brain and the Gaze bij The MIT Press. Als schrijver verwierf hij bekendheid met de roman Monkey business, het essay Splash en de dichtbundel Hemelsblauw (bekroond met de VSB Poëzieprijs). Zijn recente poëziebundel is De willekeur (2012).

VENETIAANSE ZYKOVS I - BRODSKYAANS

Onder de benaming zykovs worden hier gedichten gepubliceerd die geen vertalingen zijn, maar die zijn gedestilleerd uit meerdere vertalingen. Lees verder HIER. De 'Venetiaanse zykovs I' zijn voortgekomen uit de lectuur van meerdere Nederlandse, Duitse en Engelse vertalingen van de door Joseph Brodsky oorspronkelijk in het Russisch geschreven 'Venetsianskie strofy I'. Het tweede deel, 'Venetiaanse zykovs II - Brodskyaans', verscheen in Filter, Tijdschrift over vertalen, jaargang 18, nummer 2, 2011.
Enkele toelichtingen vooraf kunnen wellicht geen kwaad.
–          De Moor en Jago in I/1 zijn afkomstig uit Shakespeare’s Othello.
–          De Duse in I/3 is de vermaarde Italiaanse actrice Eleonora Duse (1858-1924). (In Gottfried Benns gedicht ‘Ach, das ferne Land –’ wordt haar dode lichaam per schip vanuit de Verenigde Staten naar Italië gebracht.) ‘Carbonari’, in hetzelfde gedicht, heetten leden van een geheime beweging in het begin van de 19de eeuw die naar een Italiaanse eenheidsstaat streefde.
–          Fazioli in I/4: prijzig Italiaans merk piano’s en vleugels.
–          Nereus in I/6 is de Oud-Griekse zeegod met vijftig of meer dochters, de Nereïden.
–          La Signora in I/8, type uit de Commedia dell’Arte, geeft zowel bij Miller-Brodsky als bij Zeeman en Ingold geen acte de présence.
______________________________


1

Aan zijn natte tuier op de kade staat een tuigpaard
in de deemster de slaap met zijn roestbruine manen
van zich af te schudden. Fade liggen gondels maar
te schommelen, verlost van serenades en Amerikanen.
Hoe lichtgeloviger de Moor, des te zwartgalliger spreekt
inkt op papier, en in plaats van dat hij iemands nek breekt,
drukt een hand een zakdoekje van kant, dat is versteend
in Jago’s vuist, tegen zijn gezicht, opdat het erin weent.


2

De piazza’s zijn leeg, de kaden vol weemoed.
Meer volk tegen de muren van het café dan er zit.
Een meisje in harembroek betokkelt de ud
voor haar Farouk of een type van dezelfde snit.
O negentiende eeuw! O verlokking van het Morgenland!
O ballingenrotspuntpose! Volle manen, als leukocyten
in het bloed, bezongen door tenoren die het leven lieten
door tuberculose in plaats van liefdesbrand.


3

’s Nachts is hier niets loos. Geen cara Duse, geen aria’s.
Alleen het getik van iemands hakken op het straatbasalt.
Naar elke lantaarn toe neemt, als was hij je carbonari-alias,
je schaduw af, lost als wolkje op, voor hij weer vóór je valt
en groeit. ’s Nachts houden we hier zelfgesprekken, omringd door
een gehoor van echo’s, dat ons in dit galmende marmeren
aquarium helaas niet met zijn adem kan verwarmen
maar de ruiten zo doet beslaan alsof het buiten vroor.


4

Onder de gouden schubben van zich spiegelende huizen
– olieverven in barokke lijsten, op de Fazioli een kaars
die brandt: welbehoed bezit als in gesloten kluizen
bewaakt door de brasem en de baars.
Het duizelt je als je zomaar in den hoge
tussen het stucwerk een godin ontwaart, jezusmina’s
naakt, en de bogen der deuren en ramen – droge,
anginarode – beamen wijd open je ‘Oh’ met ‘Ah’s.

  
5

Ze wendden zich, sloegen vinnig hun staart als vis!
Wat schoten ze in scholen, als om er kuit te schieten,
op de spiegel af! En wat decolletés niet mis
te verstaan aan diepten te raden lieten!
Zoals onder de sirocco water wervelt, springt en stuift.
Wat maakten de rukwinden een soepzooi van de rokken
en broeken der passerende dames en heren! De toques en
halve maskers, colombines, harlekijnen, zijn ze uitgefuifd?


6

Zo doven operazaalluchters. Als gestrande kwallen
krimpen koepels wanneer de nacht aan het vallen is.
Zo kronkelen de stegen als alen, krommen alle
bruggen zich als garnalen, worden pleinen platte vis.
Zo plukt Nereus voor zijn wichten kammen
uit de verwaaide haren van madammen,
maar hun verlangens laat hij hangen
als de gelige parels van het kadelicht.



7

Zo worden orkesten opgedoekt. De stad probeert
nog tonen te redden uit wat natrilt in de lucht,
en als muziekstandaards staan palazzi, verweerd,
her en der, en schaars verlicht.
In laden liggen spitzen te dromen van verticalen.
Tussen telegraafdraden klinken vocalen van een ster die
niemand beluistert. Maar water applaudisseert als volle zalen
tussen kaden waarop rijp ‘Monteverdi’ fluistert.


8

Dronken door de nacht zwalkt de laatste der vedutisten
‘Hoe kan men vinden dat deze klotsende stad iets heeft,’ vraagt hij
het blinde portiek waarin al duizenden vóór hem kotsten en pisten,
‘omdat ze verloor wat ze bezat?’ Met elk schilderij
verkwanselt hij zichzelf weer aan de toeristen. Een hikje
ontkurkt zijn keel. ‘Ik ben,’ denkt hij benard, ‘in de verkeerde eeuw
beland.’ Snurken wil hij met, nog vóór La Signora’s geeuw,
haar hand om zijn – ‘… wordt toch niet meer hard...’ – pikje.



BENNO BARNARD - IK BEN ZO LINKS ALS GEZELLE


In 1999 schreef ik ter gelegenheid van het honderdste sterfjaar van Guido Gezelle een enigszins baldadig opstel, dat onder de titel ‘Ons groot nationaal dichtertje’ in Knack verscheen, en in de weken nadien het aantal boze ingezonden brieven naar een recordhoogte opstuwde. Achteraf bleek dat het Vlaams Blok een haatcampagne had georkestreerd onder dat gedeelte van zijn achterban dat kan lezen; het leverde mij onder meer een vergelijking met Goebbels op. Maar dat nam niet weg dat ook verlichte mensen – Jozef Deleu was een van hen – het schuim op de lippen stond.
Daar keek ik van op. Want au fond had ik enkel geschreven dat ik me in gezelschap van de zanger verveelde, bij gebrek aan beelden, bij gebrek aan inhoud, en dat al dat virtuoos getsjirp me na een tijdje verdoofde. Nergens schreef ik dat hij een inferieure verzenbakker was; ik situeerde hem daarentegen tamelijk liefdevol in het toneelstuk van zijn tijdsgewricht, tegen een achterdoek met taferelen uit het negentiende-eeuwse, katholieke, verfranste Vlaanderen, dat landschappelijk evenwel nog niet geheel verpest was; ik omringde hem met de zetstukken die hem plezier deden, zijn brevier, zijn pijp, zijn ‘Woordentas’ vooral.
Maar dat alles hielp niet. Een rode schemering zakte voor de ogen van al mijn lezers, en in dat bloedkleurige waas leek het alsof ik het wezen van Vlaanderen had vermoord, nee, de ziel, dat is misschien een toepasselijker woord – en zoals gezegd, niet alleen nationalisten eisten mijn hoofd. Ik werd omringd door schreeuwende mensen, die van alles hadden gelezen wat ik helemaal niet geschreven had – onder andere dat ik Vlaanderen verafschuwde – en ik begreep hen niet. Ik begreep alleen dat ik Vlaanderen had geslagen op zijn gevoeligste lichaamsdeel, te weten de kaak.
Speelde ik de rol van agent-provocateur? Maar ik hoopte iets intelligenters te provoceren dan het schuim op al die monden! Ik was op bepaalde punten erg kritisch geweest, ongetwijfeld, maar veel meer voor de moderne Vlaming dan voor zijn dichter – waarbij die moderne Vlaming natuurlijk een constructie was, noodzakelijk voor een theorema over Vlaanderen. Zo schreef ik het navolgende:

JACOB TER VELDHUIS - NIVEA HAIR CARE STYLING MOUSSE

Klik op de afbeelding en beluister Nivea Hair Care Styling Mousse


NIVEA HAIR CARE STYLING MOUSSE

pianotrio 17'11''

I Nivea 3'07''
II Hair 4'55''
III Care 2'19''
IV Styling 1'52''
V Mousse 4'58''




Roeland Gehlen, viool René Berman, cello; Frank Peters, piano
_____________________________
 Jacob ter Veldhuis schreef Nivea Hair Care Styling Mousse voor pianotrio in 1999.
______________________________
 Jacob ter Veldhuis (1951), Nederlands componist. Werken o.a. van grote en kleine vogels (drie gedichten van Lucebert), voor sopraan en soundtrack (1987), De zuchten van rameau, voor klavecimbel, soundtrack - afbeeldingen (1995), Paradiso, video oratorium voor sopraan, tenor, sampler, vrouwenkoor en orkest (2000), Heartbreakers, voor saxofoon kwartet, piano, bas, drums & soundtrack met video's (2006), Grab it!, voor saxofoon orkest (12) met drums & soundtrack (2007). Zie verder de website: https://www.jacobtv.net/ 

MARK BOOG - DRIE 'VROEGE' GEDICHTEN


Ongedaan


Een voorzichtig trillen
van de stembanden – ongedaan!
Er is hier niets gezegd.

Hoor: hiernaast klinken stemmen.
Je kunt ze door de muren horen, onze
goedbedoelende, hardwer­kende muren.

We wissen, zenden anti-geluid,
streven naar een verlegen niets
dat breekbaar is als schoonheid.

We maken ongedaan wat we niet doen,
ontkennen wat we wilden doen,
negeren barsten in de schaal.

We wagen het met neergeslagen ogen
geen muur te bouwen tussen ons.




Mededeelzaam


De weg is mededeelzaam
als de lucht en als de
achterkanten van de mensen.

Deze plaats is hoog en helder,
stil omdat geluid niet doordringt.
Ik verwacht gemompel uit de mensen.

Het glas van de lucht blauw bewerkt,
stof in de bundels licht,
schuine zuilen die gemakkelijk dragen.

De weg is mededeelzaam
en de lucht heeft elk verhaal,
hoofdpersonen in processie.

Ergens slaat het om, de lijnen snijden,
ergens stijgt het zien boven het leven,
ergens valt de schaamte weg, de spijt.

Kozijnen in rijen omvatten schilderijen
waarop heiligen niets doen dan kijken.
Ik zou sterfelijk willen zijn.




Licht is gebrek aan duisternis


Licht is gebrek aan duisternis, maar
ik voel mij door het schijnen aangeraakt.
Ik zal nog vele lampen doen ontbranden.

Ik weet van de omkeringen van dingen
en ik vermoed hun waarheid.
Het moet wel: scherpzinnigheid is alles.

Het stralen bereikt me nu,
de koude van het vuur
weet zich aannemelijk te maken.

Alles zo onecht, ik grijp ontkenning aan
met handen snel van wanhoop,
denken volgzaam door gebrek aan houvast.

Ontdek ik weer een leeslamp donker.



______________________________
Deze drie gedichten vormden, samen met een vierde gedicht, de eerste ‘officiële’ tijdschriftpublicatie van Mark 
Boog (in De Gids jrg. 159, nr. 2, februari 1996). Alleen ‘Ongedaan’ werd opgenomen in Boogs in 2000 verschenen debuutbundel. De drie gedichten worden hier in samenspraak met de dichter opnieuw gepubliceerd.

______________________________
 Mark Boog (1970) publiceerde poëziebundels en romans. In 2001 ontving hij de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut en in 2006 kreeg hij de VSB-poëzieprijs voor zijn bundel De encyclopedie van de grote woorden. Recente poëziebundel: Maar zingend (2012). Recente roman: Het lot valt altijd op Jona (2011). Site van de dichter.



BREYTEN BREYTENBACH - VIJF GEDICHTEN UIT 'KATALEKTE'


onderweg

‘somewhere halfway from here
there are half-empty boxes’

nu is elke nacht een reis
door onbekende landschappen
van licht en van schaduwen
over barre vlakten
of ineens door ravijnen
met druipende exotische bomen

soms is er een dood dorp
een modderglinsterende hond
met gesperde kaken vastgekolkt
in de koplichten
maar nooit een levende ziel

en elke nacht is er de bestuurder naast mij
een allang vergeten dode vriend
een dode broer van wie ik niets weet

nu is elke nacht een bittere woordenstrijd
want waarheen zijn we onderweg?
ik wil de praatjes niet meer horen

nu klim ik er elke ochtend uit de dag in
met een zere keel van stof en schrijven




het manifest van de meelevendheid der dichters

wij zijn de dichters / wij gunnen elkaar de vrijheid van denken
en verbeelding / wij kijken naar elkaars
woordworstelingen als kleuters die Noachs archeologie
met boetseerklei vormgeven / en wij
zijn allemaal blij met de vruchten van andermans
handen / wij zijn de dichters / wij hebben grote
medeklinkende harten die belangeloos
opgaan in de liefde / wij zijn niet jaloers
of afgunstig / we voelen ons nooit afgescheept /
wij oordelen niet en veroordelen niet / wij
proberen elkaar niet te verdoezelen met de ikkesotische
concepten van het Empaier / noch
zullen wij een ander ooit vergiftigen met wierook
of hem met stroferoof het canongedonder insturen /
wij zijn de dichters / geringschattend
is als woord te tongbeduvelend om ooit
piekfijn en fris in een gedicht onderuit gehaald te worden
wij nemen niemand bij de neus en zijn niet zelfvoldaan /
wij bakkeleien immers niet om de kruimels
van de tafel van de baas / kijk, wij begluren nooit een ander
en apen nooit na / wij zijn de dichters / wij koeren
als vredesduiven wederzijdse bewondering /
bovendien: wij weten dat al onze lettergrepen torentjes zijn
van as en zandkasteeltjes op het land / en brandende
kaarsjes van ons op de tocht van de geschiedenis / daarom
zijn onze monden welluidend van meelevendheid /
want wij zijn de dichters / armzalige broeders en zusters /
dus waarom zouden wij ooit in elkaars gat
of oog willen koekeloerehoeren of de ander in de oven stoppen?

April 2011




van vleugels gedroomd

vogelen


vroeg in de ochtend, maar dan ook in
                                               de avond
maan een grijs bewustzijn
dat kwijnt, dat groeien zal
ook helder overdag wanneer
                                               hij onzichtbaar is
maar nooit afwezig
zon legt een blinkend stuk water neer

vroeg in de ochtend wanneer een witborstkraai
                                               narigheden kraakt
en twee zeemeeuwen op het strand
en de vertrekroep van hadida’s
en andere lichtschitterende vogels
die als je opkijkt hoger vliegen
dan de heilige bergtop
waar woorden verbrand zijn in zilverbomen
het spoor van het honingpatroon
van zwaluwnestjes
tegen het overhangend gesteente boven een lege holte

gesteente van alle stenen
scheepje van alle schepen
voorbij de wegwijzer van smeulende zuiderkruizen
is de reis een spoor
is de reis een stippellijn
is de reis het neerleggen van pandsteentjes
ook helder overdag wanneer
                                               ze onzichtbaar is
maar nooit afwezig

want er is het onthouden van je lippen
de ontspanning van je ademtocht
als een duif die weet heeft van ontdekken
                                               in de ruigten

dit is het gesprek tussen het geheugen van het bewustzijn
en het onthouden van de hoogste top
met elkaar verbonden vroeg in de ochtend, maar dan ook
                                               in de avond
als getijden
het is de droom van takjes
                                               en mondjes met modder
wanneer het hart een nest is

mijn vlucht zal verbonden zijn
met als verwijzing het stenen schip
soms verdonkeremaand maar nooit weg meer
naar het lokvonkje van de liefde
in het gleufje van warme en vochtige zoetigheid
van jouw hartjesgras




ode aan taal

vogelen

ik wil je openvouwen als een vleugel
kijken hoe sterk de penneveren nog vloeien
de leefrimpels van je hart
van mond naar hand voelen popelen
zien hoe je als een schip
het vaarwater laat bloeien
met de vlucht van de zon

voor je als een schaduw uit de mouw
weer aan je nachtwerk begint:
schaduw in de tuimelende ruimtezerk
van steen




het laatste gedicht

het laatste gedicht is dat
met het minste gewicht
want het is een weg en een weggaan
                                               in beweging
en belichaamd in vervlieding
het uiteindelijk bekende gezicht
van anonimiteit                      van een leven
in verleefde beweging

het laatste gedicht paart niet
het heeft geen afsluiting met punt
of vraagteken
want de slotregel is slechts een sluis
is altijd een optie
op het opzeggen voor altijd
het opengaan van de passage
naar opgaan in beweegzingen

het laatste gedicht is het zichtbaar
maken van het overgaan
van dansende tekens naar de bevrijding
                                               van onzichtbaarheid

______________________________
Uit: katalekte, Kaapstad, 2012. Vertaling uit het Afrikaans door Laurens Vancrevel. Breyten Breytenbach verdeelt zijn tijd tussen schrijven, schilderen en het begeleiden van het door hem gestichte Gorée Institute op het eiland Gorée nabij Dakar, Senegal. Door dat internationale instituut wordt de culturele samenwerking op het Afrikaanse continent bevorderd. In 2007 verscheen van hem De windvanger, tweetalige keuze uit zijn poëzie. Zijn meest recente bundel katalekte (Kaapstad, 2012) is nog niet in het Nederlands vertaald.

ALLAN GRAUBARD - FRAGMENTEN VAN NOMADISCHE DAGEN

met een fototriptiek van
IRA COHEN

Dag 1

De stilte is gruwelijk, net als jij, net als de nacht. Je gezicht zuigt het licht in zich op en dan – zonder gulzigheid maar met de helderheid van een triomfantelijk ritueel – slok je mij helemaal op. Eerst mijn hoofd dat je loswrikt met het knappende geluid van krachtige kaken, daarna mijn lijf dat je fijn maalt als een brood.

Ik ben even nietswaardig als de zandkorrels die je gezicht verzinnen. Ik ben niets tegenover jou, zelfs geen schaduw, de schaduw van een schaduw.

Tenslotte beginnen de vingertoppen te gloeien. Dat is alleen maar de maan, de maan die neerregent op het zand.

En wanneer ik ervoor kies om zelfs het laatste spoor van mijn ik uit te wissen, maar niet om te sterven, want de dood zal mij alleen maar nemen als hij dat wil – onontkoombare dood – dan zal ik de ribben uit mijn borst rukken en die boven mijn hoofd opheffen.

Dag 2

Als ik ‘ik’ zeg, weet ik niet wat ik bedoel. Als ik ‘jij’ zeg, druipt het slagersnat de binnenste aderen in mijn ogen binnen. Als ik ‘wij’ zeg, klettert het geluid ervan door de ruimte, met een kwaadaardig plezier het luchtledige uithollend dat zichzelf wegbrandt, dat in spookwoorden wegbrandt.

Dag 3

Ik weet niet en zal nooit weten welke dwingende kwestie tot mijn ballingschap heeft geleid. Dat ik na zovele jaren nog steeds rondzwerf, mijn pleziertjes beperkend tot de allervluchtigste ontmoetingen, waarbij liefde – als die al ontlook – al te snel verwelkte, is meer dan ik kan verantwoorden, afgezien van te zeggen: ‘Ook ik was hier, in die stad, waar ik afgezien van andere lessen ook het grimmige silhouet van mijn ijdelheid leerde kennen.’ Of: ‘Ja, ik ken dat dorp vrij goed, want op zijn muren vol vlooienbeten schepte ik behagen in Leonardo’s oude kijkspelen.’ Of beter nog: ‘Ik herinner mij mijn aankomst, hoe afgemat ik was, en het onbeschaafde gezelschap dat ik er aantrof, even armetierig en stompzinnig als ikzelf. De wijn was voortreffelijk en het vlees zenig en taai.’ Want behalve dat is er weinig. Ik kwam; ik vertrok. Daar tussenin lagen dagen, weken misschien. Plotselinge vriendschappen, ruzies, schuldgevoel doofden uiteindelijk uit. Eenmaal dacht ik zelfs aan trouwen, maar zij kende mij maar al te goed en lachte me uit. Ik neem haar deze herinnering niet kwalijk.

LEO VROMAN - NIEUWE GEDICHTEN


IK DROOMDE DAT

Ik droomde dood dat ik nog bleef
leven zolang ik niet ontwaakte
alsof ik levenloos maakte
dat ik nu nog leef.

Mijn lichaam door daglicht bewogen
opende langzaam zijn ogen
en bewoog toen zijn lichaam met
zijn twee benen uit bed,

en dacht: Zolang ik het ontbijt
nog net als gisteren bereid
en naar dezelfde zitplaats loop,

en ik ook nog vaak te vaak
dezelfde soort gedichten maak
is er nog hoop.

3 april 2013


MUZETJE

Een muzetje van twee drie pond,
schattig, ijverig, en spiernaakt,
vloog vroeger onze kamers rond.
Daar had ik versjes door gemaakt.

Zij was opeens verdwenen
en ik onbedaarlijk leeg
wilde niet huilen maar wenen,
kotste haast stenen en zweeg.

Er viel mij niets meer te binnen
en doordat ik ze zelf bedacht
vielen wegstervende zinnen
aan scherven in de nacht.

Ik woelde in bed toen ik haar
nabijheid weer voelde maar
vanwege niets, vanwege

alles had ik haar intussen
onder mijn kolkend kussen
plat gelegen.

4 april 2013


OM TE ZINGEN

Zing dit met een saaie ploeg
op een saaie melodie,
want mij is alles zonder die
al erg genoeg,

hoe wij zes en twintig dagen
gescheurd uit elkaar
zes en twintig dagen,
drie maanden
en zeven jaar
zo gescheurd uit elkaar
kan ik nog niet verdragen.

Hoe in godsnaam was Hitler gebeurd
blijf ik te vaak liggen zeuren,
weer eens uiteen gescheurd,
en kan dat opnieuw gebeuren.

zes en twintig dagen,
drie maanden,
en zeven jaar,

ik zou haast vragen
is er ooit iets anders gaande.
Nee maar zing maar.

6 maart 2013


WIE KAN ZOIETS VERDRAGEN

Twee duizend veertig, Kenia;
op dertig maart komen
acht olifanten tussen de bomen
tevoorschijn, en in een rij
lopen zij
op hun schijnbaar trage
manier in vier dagen
naar vliegveld Nairobi,
en daar
staan al twee vliegtuigen klaar.

De reis is duur
maar al betaald.
Na ongeveer elf uur
Dallas/Fort Worth, men daalt.
Stil en tactvol wordt
de groep door de airport
langs immigratie geleid.
Ze hoeven niet in de rij te staan
en in korte tijd
daar gaan
de acht in vijf dagen
zonder de weg te vragen:
Ai ten, bij Summit afslaan,
Texas Street, en daar staan
de acht op tien april
naast elkaar
doodstil
voor Trinity Terrace
want daar
woonden wij.
Ze willen geen voedsel, geen water,
en de volgende dag rechtsomkeer,
op twintig april zijn ze weer
thuis.

Elk jaar, elke keer
dezelfde dagen.
Wat een eer, wat een eer.
Ik kan het niet verdragen.
22 februari 2013

 ______________________________
 Leo Vroman (1915), dichter, schrijver, tekenaar, schilder, bioloog en hematoloog, woont met zijn vrouw Tineke in Fort Worth, Texas. Voor zijn poëzie ontving hij de P.C. Hooftprijs en andere onderscheidingen.