VLADIMIR NABOKOV - DE BALLADE VAN LONGWOOD GLEN


Die zondagmorgen waren om halftien
Over de beek bij de glen twee wagens te zien.

In de eerste zat Art Longwood, plaatselijk bloemist,
Met zijn kinderen en vrouw (nu mevr. Deforest).

Een boswachter herkende in de wagen erna
De vader van Art, stiefvader en schoonpapa.

De drie ouden gingen te voet in de inham vooruit.
Art reed met zijn auto kalm door het girsende kruid.

De morgen was heerlijk, met prachtige wolken ginder, en
Uit de wagen verschenen stripboeken met kinderen.

Stille Art, die naar iets kon kijken met het geduld van een engel,
Zag een insect omhoogklimmen en wegvliegen van een stengel.

Pauline had astma, met een kruk liep Paul beter.
Leuke guiten waren het, maar ze renden voor geen meter.

‘Was er,’ zei de moeder tegen haar kreupele Paul,
‘Maar een man die je kon leren werpen met die bal.’

Stille Art pakte de bal en gooide hem omhoog.
Hij bleef hangen in een boom die zich net voorbij bewoog.

De statige groene pelgrim draaide zich om en hield halt.
Vergeefs wachtten de kinderen op een bal-die-valt.

‘In mijn bange jonge jaren klom ik nooit in bomen,’
Dacht Art, maar nu ging het er onverwijld van komen.

Nu en dan was zijn knie te zien of zijn mouw,
In een legpuzzel van groen en blauw.

Art Longwood klom en klauterde almaar door,
En op de vraag van de wind antwoordde het gebladerte ja hoor.

Wat een kronen van tuinen! Wat een stromen van licht!
Hoe bereikbaar de atmosfeer was! Hoe licht de vlucht!

Zijn gezin bleef de hele dag om de boom heen gaan.
Pauline concludeerde: ‘Papa klom hier vandaan.’

Niemand zag hoe de uitzinnige hemelse volken
De held die van de aarde kwam begroetten in de sneeuw van hun wolken.

Het begon Mevr. Longwood enigszins zorgen te baren.
Hij kwam maar niet beneden, was maar niet te ontwaren.

Er was iets veranderd aan de voet van de boom, meende zij.
De kinderen begonnen zich te vervelen. Paul werd gestoken door een bij.

De oude mannen kwamen informeren en keken omhoog naar hoe het kon,
Elk met vijf kaarten in de ene hand en in de andere een beker van karton.

Op de hoofdweg stopten auto’s, keerden, en
Waggelden over een hobbelige weg in de glen.

En opeens zat de boom vol getetter en getoeter,
Congresgangers, hengelaars, jongens met sproeten.

Anaconda’s meende er een, poema’s een ander,
En intussen bleven er mensen komen, allerhande:

Drie chirurgen, detectives, brandweermannen. In het dansen
Van de schaduw parkeerde een ambulance.

Een dronken grapjas was op de plek gearriveerd
om recht te doen geschieden met een touw en een geweer.

Onderzoekers, boomdeskundigen, allemaal waren ze daar,
En ook een raar bleek meisje met zigeunerhaar.

En van Kaap De Angst tot Kaap De Vleierij
Kopte elke krant: De man in de boom – waar is hij?

De aan de hemel gehechte eik (waarin menige uil gezeten
En maangoud gedruppeld had) werd gekapt; men moest en zou het weten.

Men vond wat spanrupsen, een rood gevlekte knikkergal
En een oud nest met een pas gelegde bal.

De stronk werd gelakt, er kwamen borden en hekken omheen te staan.
De behoefte kon tussen rozenstruiken en klimplanten worden gedaan.

Mevr. Longwood, na de dood van haar kinderen onbeschroomd,
Werd de bruid van wie een fotograaf had gedroomd.

En nu bezoeken de Deforests, met vier oude mannen,
Als gewone toeristen de glen,

Smikkelen van hun broodjes, kijken op en neer,
Vegen hun handen af en keren naar hun stadje weer.


*


Dit is een preparatoire voorpublicatie. Copyright © Nederlandse vertaling Huub Beurskens & Uitgeverij Koppernik, Amsterdam. In de loop van 2018 zal bij Uitgeverij Koppernik in een tweetalige en uitvoerig geannoteerde editie Vladimir Nabokov – Verzamelde gedichten verschijnen.